RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11893321 \ CV EXPL 25-3843
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., H.O.D.N. FBTO,
gevestigd te Apeldoorn,
eisende partij,
hierna te noemen: FBTO,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
wonend te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met ongenummerde producties
- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord met één productie- de conclusie van repliek met producties 1 en 2- de schriftelijke weergave van de mondelinge dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
FBTO vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 162,57, bestaande uit € 110,86 aan hoofdsom, € 3,31 aan vervallen rente en
€ 48,40 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente over € 110,86 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling, alsmede de proceskosten.
FBTO legt aan haar vordering ten grondslag dat zij met [gedaagde] met ingang van
1 november 2022 een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten. Volgens het door FBTO bij de dagvaarding overlegde polisblad gaat het om een autoverzekering met [polisnummer] bij FBTO (onderdeel van Achmea) voor een Renault Clio met het [kenteken]
(hierna: de auto). Op grond van deze verzekering dient [gedaagde] bij vooruitbetaling premie aan FBTO te voldoen. [gedaagde] heeft een achterstand laten ontstaan in de betaling van voormelde premie. Omdat betaling van de premies na sommatie ook uitbleef, heeft FBTO de verzekering vanwege de wanbetaling beëindigd per 25 februari 2025. FBTO vordert betaling van de achterstallige premies tot 25 februari 2025.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3. De beoordeling
De kantonrechter stelt voorop dat een autoverzekering een financieel product is in de zin van artikel 6:230g lid 1 onder o van het Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft), zodat op grond van artikel 6:230h lid 2 sub b BW sprake is van een uitzondering op de geldende regels met betrekking tot de (pre)contractuele informatieverplichting zoals bedoeld in artikel 6:230m, v of t BW. De vraag of FBTO heeft voldaan aan deze (pre)contractuele informatieverplichtingen zal daarom buiten beschouwing blijven.
Uit het polisblad volgt dat dat de verzekering is afgesloten op naam van [gedaagde] en niet op naam van zijn (inmiddels overgedragen) onderneming. Onder het kopje ‘gebruik auto’ staat privé en dat de auto niet zakelijk is aangekocht of gefinancierd en niet wordt gebruikt voor een bedrijf. Het verweer van [gedaagde] dat hij zijn onderneming en de auto heeft overgedragen aan de heer [naam] is dan ook niet relevant. Daarenboven is niet gebleken van een wijziging van de tenaamstelling, opzegging van de overeenkomst door [gedaagde] dan wel een vrijwaringsbewijs. Ter zake dienende bewijzen zijn niet overgelegd. Het vorenstaande brengt mee dat [gedaagde] op grond van de overeenkomst premie verschuldigd is tot het moment dat FBTO de overeenkomst heeft beëindigd. De hoogte van de gevorderde hoofdsom is verder niet door [gedaagde] weersproken. De kantonrechter oordeelt daarom dat [gedaagde] de hoofdsom van € 110,86 aan FBTO verschuldigd is.
De door het enkele betalingsverzuim verschuldigde wettelijke rente ligt eveneens voor toewijzing gereed.
FBTO maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
De gemachtigde van FBTO heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten van
€ 48,40 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van FBTO worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
80,00
(2 punten × € 40,00)
- nakosten
€
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
381,14
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan FBTO tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 162,57, vermeerderd met de wettelijke rente over € 110,86 vanaf 25 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 381,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.