ECLI:NL:RBLIM:2026:5042

ECLI:NL:RBLIM:2026:5042

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer 03.268871.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

veroordeling voor bezit molotovcocktail en brandstichting tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Toewijzing vordering benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03.268871.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 april 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 2006,

thans gedetineerd in [pi adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. H. van der Ende, advocaat te Venlo.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 april 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Het slachtoffer [naam slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij is niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [naam medeverdachte] met het parketnummer 03.268910.25.

2. De tenlastelegging

De (ter terechtzitting gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort weergegeven, op neer dat de verdachte op 11 oktober te Baarlo:

feit 1: tezamen met anderen brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door een molotovcocktail tegen een woning aan te gooien, waardoor als gevolg van de ontstane brand levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel dan wel gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

feit 2: 3 molotovcocktails voorhanden heeft gehad.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide aan de verdachte tenlastegelegde feiten, met dien verstande dat de verdachte voor het tenlastegelegde medeplegen van feit 1 dient te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de verdachte van het tenlastegelegde medeplegen dient te worden vrijgesproken.

Voor feit 2 heeft de verdediging vrijspraak bepleit, nu niet kan worden bewezen dat de verachte de beschikkingsmacht had over drie molotovcocktails.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht beide aan de verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Over de bewezenverklaringen overweegt de rechtbank als volgt.

De bewezenverklaring van feit 1 Nu de verdachte het eerste aan hem tenlastegelegde feit heeft bekend voor zover het hierna bewezen wordt verklaard en er namens hem voor dit feit geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het onder feit 1 tenlastegelegde feit bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van aangifte;

- het proces-verbaal forensisch onderzoek woning;

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 april 2026.

De rechtbank overweegt hierbij dat op basis van het dossier niet bewezen kan worden dat de verdachte dit feit gezamenlijk met anderen heeft gepleegd. Het enkele gegeven dat de door de verdachte gebruikte molotovcocktail daarvoor door hem met anderen gemaakt was, levert verder geen juridisch relevante rol voor die anderen bij feit 1 op. Voor het tenlastegelegde medeplegen zal de verdachte dan ook (partieel) worden vrijgesproken, dit overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

Uit het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank evenmin bewijs voor de aanklacht dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor bewoners van omliggende woningen te duchten was, omdat het dossier niets aan informatie bevat waaruit zou blijken dat de bewoners van omliggende woningen ten tijde van het strafbare feit thuis waren.

De rechtbank zal de verdachte om die reden ook van dat onderdeel van de tenlastelegging (partieel) vrijspreken.

De bewezenverklaring van feit 2

Bewijsmiddelen

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam medeverdachte] vermeldt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

V: Vertel ons eens, vanaf het begin, precies wat er [op 11 oktober 2026] allemaal is gebeurd?

A: Een feestje bij [verdachte] . Toen belde een jongen genaamd [naam 1] of zo en die ging ruzie maken. Hij zei tegen ons dat wij naar de [naam 2] moesten komen. Daarna had [verdachte] een idee van Khalasnikovs om hun bang te maken. Toen zijn we naar Baarlo gegaan.

O: De raadsvrouw breekt in en geeft aan dat de verdachte iets anders bedoelt met Khalasnikovs.

A: Ik bedoel een glas met een doek met benzine.

V: Vertel verder.

A: Toen reden we verder door naar Baarlo. (…)

Wij hebben toen die glazen gevuld, dat klaar maken. (…) Toen reden wij terug. Ik was benieuwd hoe dat werkte dus ik gooide dat in het veld kapot en toen reden wij door naar Venlo. (…)

V: [verdachte] vertelde dat jullie daar gestopt zijn en die twee molotov cocktails hebben gemaakt. Vertel?

A: Dat klopt, dat heb ik toch al verteld.

V: Hoe hebben jullie die gemaakt?

A: Wij hadden alcohol gedronken dus wij hadden een paar flessen. Deze hebben wij leeggemaakt Toen hebben we er benzine in gedaan. Wij hebben [verdachte] zijn shirt kapot gemaakt. Dit hebben we in de flessen gestopt, de dop erop gedaan en dat was het.

V: En toen, jullie hadden twee molotov cocktails?

A: Drie.

V: Drie?

A: Ja [verdachte] had er één, [naam 3] had er één en ik had er één.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] vermeldt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

V: Wat gebeurde er met de jerrycan?

A: Ik heb met de jongens bij een bos gestaan. Ik had de jerrycan vast. We stonden bij een splitsing en toen was ik weer op de terugweg.

V: En toen?

A: We hadden geen doek. Ik had een zwart T-shirt aan. Die hebben we kapot gescheurd, minimaal met twee man, misschien met drie. Voor die fles. Die fles had ik vast en daar zat benzine in en mijn T-shirt ook. Ik weet niet meer alles. Daarna stond ik bij een splitsing en toen was ik onderweg naar huis. Het T-shirt zat in de fles om die fles aan te steken, om daarmee te gooien, dat was dan een molotov.

Verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] relateerden – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

Bij onze aankomst op de [ [adres] te Baarlo] zagen wij een rechercheur van de politie staan in de nabijheid van een door brand/hitte aangetaste opberg box. (…) Deze rechercheur wees ons een flessenhals aan die hij had aangetroffen tijdens onderzoek in deze opberg box. Dit onderzoek had hij ingesteld naar aanleiding een afgelegde verklaring van één van de verdachten. Wij zagen in deze opberg box, ter hoogte van een kwast, een flessenhals liggen. In deze flessenhals zat een verbrande lap stof.

Verbalisant [naam verbalisant 3] relateerde – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

Onderzoek: In het proces-verbaal voorzien van het proces-verbaalnummer 2025172539-53 blijkt dat er een flessenhals werd aangetroffen met in deze flessenhals een (lap)stof (lont). Deze onderdelen werden door de verbalisanten fotografisch vastgelegd en beschreven.

Categorisering: Tot Molotovcocktail wordt ook gerekend: "een fles gevuld met een licht ontvlambare vloeistof (bijvoorbeeld benzine), met in de flessenhals een (provisorische) lont die de vloeistof, na het breken van de fles, tot ontbranding brengt". (tekst uit het "meertalig verklarend woordenboek wapens en munitie").

De bestemming van een molotovcocktail, betreft het treffen van personen of zaken door middel van vuur. Artikel 2 lid 1, categorie II sub 7, van de Wet wapens en munitie. Voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of doormiddel van ontploffing, met uitzondering van explosieven voor civiel gebruik indien met betrekking tot deze explosieven erkenning is verleend overeenkomstig de Wet explosieven voor civiel gebruik.

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte met twee andere jongens op 11 oktober 2026 te Baarlo gezamenlijk een drietal zogenaamde molotovcocktails heeft gemaakt. Ze hebben gezamenlijk de drie flessen die ze daarvoor bij zich hadden met benzine gevuld, het T-shirt van [verdachte] kapot gescheurd en in de fles gestopt bij wijze van lont. Die aldus geprepareerde flessen zijn onmiskenbaar geschikt en bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur. Sterker nog: zo zijn ze uiteindelijk in feite ook alle drie gebruikt, door ze brandend stuk te gooien. Daarmee hebben ze een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie gemaakt en dus ook voorhanden gehad.

Op het moment dat de verdachte samen met die twee jongens deze drie molotovcocktails gemaakt had, hadden zij per persoon zowel de wetenschap van de aanwezigheid van als de beschikkingsmacht over alle drie de molotovcocktails. Het verweer van de verdediging dat de verdachte slechts de beschikking had over één molotovcocktail en dat het voorhanden hebben van drie molotovcocktails dus niet bewezen kan worden, wordt dan ook verworpen. Dat de in totaal erbij betrokken drie jongens (de verdachte en de beide anderen) na het op enig moment uiteengaan ieder een eigen molotovcocktail meenamen, doet niets af aan het feit dat ze deze drie molotovcocktails daarvoor samen vervaardigd en toen dus allemaal samen voorhanden hadden waarbij zij elk de beschikkingsmacht hadden over alle drie de molotovcocktails. Het tweede tenlastegelegde feit kan daarmee wettig en overtuigend worden bewezen en de aangebrachte wijziging van de tenlastelegging was voor de rechtbank niet nodig geweest. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de deelnemingsvorm van medeplegen zich bij dit feit 2 nadrukkelijk aandient, maar niet is verweten; naast medeplegen is evenwel zonder enig voorbehoud (ook) sprake van het per persoon plegen van dit feit ten aanzien van alle drie de wapens..

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

t.a.v. feit 1:

op 11 oktober 2025 te Baarlo opzettelijk brand heeft gesticht door een zogenoemde molotovcocktail aangestoken tegen een woning gelegen aan de [adres] te Baarlo te gooien, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en de inboedel/inrichting van die woning aan de [adres] te Baarlo en een of meer omliggende woning(en) en de inboedel/inrichting van die omliggende woning(en) en

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de [adres] te Baarlo te duchten was;

t.a.v. feit 2:

op 11 oktober 2025 te Baarlo een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten drie molotovcocktails (te weten glazen flessen gevuld met brandstof en een lap stof welke deels uit de flessen hingen), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

t.a.v. feit 1: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

t.a.v. feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7°, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, dat aan deze proeftijd de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering worden verbonden en dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd, zijnde een contactverbod met [naam 4] en een locatieverbod voor de woning van diezelfde [naam 4] .

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat, indien beide tenlastegelegde feiten bewezen worden verklaard, de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 of 3 jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden als door de reclassering geadviseerd.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brandstichting en heeft drie molotovcocktails voorhanden gehad. Dit zijn wapens waarbij, indien ze bijvoorbeeld tegen personen of woningen worden gebruikt, het risico op het ontstaan van levensgevaar zeer aannemelijk is.

De verdachte heeft dit gevaar ook daadwerkelijk verwezenlijkt, door één van deze molotovcocktails in de nachtelijke uren tegen de woning van het slachtoffer aan te gooien. Bewoners in die woning, onder wie een kind, lagen te slapen en hadden van de brandstichting zelf niks gemerkt. Het is enkel aan de oplettendheid van omstanders – en niet door ingrijpen van de verdachte, die zich namelijk direct uit de voeten maakte en terug naar huis ging – te danken dat de brand die hierbij ontstond niet verder is geëscaleerd. De gevolgen van het handelen van de verdachte hadden aanzienlijk anders kunnen zijn als de ontstane brand niet zo vroeg was ontdekt. Door een ontstane ruzie op deze manier te proberen te beslechten heeft de verdachte aan een idiote vorm van eigenrichting gedaan, wat nooit de oplossing mag zijn. Degene op wie de verdachte kennelijk de focus had, was zelf niet eens thuis, de eigenrichting was dus ook nog eens zeer ondoordacht uitgevoerd.

Een dergelijke brandstichting door middel van het gooien van en brandende molotovcocktail is in dit geval een laffe daad in de nacht, waarbij de verdachte als dader relatief weinig risico loopt maar waarbij de consequenties niet te overzien zouden zijn geweest wanneer de brand zich ongestoord zou hebben kunnen ontwikkelen. Dat de verdachte precies wist waar hij mee bezig was, leidt de rechtbank af uit diens eigen verklaring dat hij de fles tegen de muur of de latei wilde gooien. Door dusdoende te mikken op steen of metaal is de kans het grootst dat de fles met benzine ook echt breekt, waarmee de molotovcocktail zijn verderfelijke effect het beste krijgt. Dat de ruit van de woonkamer was vervangen door een houten plaat, brandbaar materiaal, heeft de verdachte gezien. Dat had hem alsnog moeten weerhouden van de brandstichting.

De rechtbank acht een dergelijke brandstichting enkel te bestraffen met een gevangenisstraf. Een andere of lichtere straf zou volstrekt onvoldoende tot uitdrukking brengen wat de ernst van feit 1 is.

Het voorhanden hebben en gebruiken van molotovcocktails vormt naast gebruik van explosief vuurwerk een steeds groter wordend probleem binnen de maatschappij. Dit soort wapens staat veelal in direct verband met ernstige geweldsmisdrijven en werkt ontwrichtend voor de maatschappij. Dat de verdachte deze wapens heeft gemaakt om anderen af te schrikken, draagt dan ook bij aan het gevoel van onveiligheid in de maatschappij. Overigens schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte dat de molotovcocktails bedoeld waren om anderen in een confrontatie mee te bedreigen bij wijze van verdediging terzijde. Een molotovcocktail is een aanvalswapen.

Op het voorhanden hebben van een dergelijk wapen van categorie II, onderdeel 7°, verboden in artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld in artikel 55, lid 7 van die wet staat een maximale gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. Het geldt dus zonder meer als een ernstig misdrijf. De rechtbank realiseert zich vanzelfsprekend dat onder deze verbodsbepaling ook wapens vallen zoals vlammenwerpers, bommen en granaten of andere vormen van explosieven, maar dit neemt niet weg dat ook een wapen als een molotovcocktail dus door de wetgever wordt aangemerkt als zwaarder aanvalswapen.

De officier van justitie heeft in haar requisitoir verwezen naar de strafvorderingsrichtlijnen van het openbaar ministerie, waar voor één molotovcocktail een gevangenisstraf van 4 maanden als eis benoemd staat. Het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht kent voor het bezit van een molotovcocktail als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, wat in essentie geen groot verschil in benadering oplevert. Met de officier van justitie acht de rechtbank het reëel om die straf in principe per wapen te bezien; bij voorhanden hebben van twee of drie vuurwapens of handgranaten wordt immers doorgaans ook hoger gestraft dan bij voorhanden hebben van één enkel vuurwapen of één enkele handgranaat.

De reclassering heeft in haar advies overwogen of het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast, maar heeft hier negatief over geadviseerd. De rechtbank ziet, samen met de officier van justitie en de verdediging, geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Wel houdt de rechtbank bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de jonge leeftijd van de verdachte. Daarnaast weegt de rechtbank in positieve zin mee dat de verdachte geen strafblad heeft en dat hij oprecht berouw heeft getoond.

Alles overwegend veroordeelt de rechtbank de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan deze proeftijd zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht, het volgen van een ambulante behandeling, begeleid wonen, een contactverbod met [naam 4] , het vinden van dagbesteding en de beheersing van zijn middelengebruik.

Artikel 38v van het Wetboek van strafrecht houdt in, voor zover hier aan de orde, dat de rechter in geval van een veroordeling ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten een contact- en/of een locatieverbod kan opleggen. De rechter kan bovendien bij zijn uitspraak bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.

De rechtbank zal aan de verdachte, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, geen maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen. De rechtbank betrekt daarbij in haar oordeel dat de verdachte geen strafblad heeft, dat met de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf nog een aantal maanden gemoeid zal zijn, dat hij na zijn invrijheidsstelling voornemens is naar Nijmegen te verhuizen en dat hij oprecht berouw heeft getoond en in lijkt te zien dat dergelijk handelen niet meer aan de orde mag zijn. Bovendien zal de verdachte in verband met de door de rechtbank aan de voorwaardelijke gevangenisstraf te verbinden bijzondere voorwaarden begeleid gaan wonen en een contactverbod met [naam 4] hebben. De rechtbank oordeelt dan ook dat een afzonderlijk contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht niet nodig is.

Om dezelfde redenen zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, aangezien niet aannemelijk is geworden dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 4.752,47 ter zake van feit 1. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

kosten camera’s en abonnement beveiligingsdienst huis: € 2.837,32;

kosten opbergkist met spullen: € 471,20;

reparatiekosten schutting: € 69,00;

reparatiekosten buitenlamp: € 99,95;

immateriële schade: € 675,00.

De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich wat betreft de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt het volgende voorop. Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van gemotiveerde betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In het geval de verdachte, zoals in casu, de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. artikel 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het geval voordoet waarin de rechter zich er door de beperkingen van het strafproces niet van verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen.

In casu is de vordering van de materiële schade door de verdediging niet weersproken. Nu de verdediging voldoende in de gelegenheid is gesteld om op de vordering te reageren en de vordering de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de gevorderde materiële schade toewijsbaar.

De vordering van de immateriële schade op basis van artikel 6:106 onder b BW is gebaseerd op de aantasting van de persoon op andere wijze. Uit de stukken is genoegzaam gebleken dat hiervan sprake is. Bij brandstichting is er sprake van een ernstige normschending en een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Het slachtoffer en haar familie zijn daarmee door het handelen van de verdachte in een dusdanig gevaarlijke situatie gebracht dat dit moet beschouwd als een aantasting van de persoon. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld acht geslagen op de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. Tevens stelt de rechtbank vast dat de verdediging de gevorderde immateriële schadevergoeding niet heeft betwist. De rechtbank acht het gevorderde smartengeld niet buiten proportie en zal dit bedrag daarom volledig toewijzen.

De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen en de wettelijke rente zoals gevorderd.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

- Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.A. Ferwerda, voorzitter, mr. L.H.M. Geuns en mr. D.W.H.M. Wolters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.V. Haring, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 april 2026.

Buiten staat

Mr. L.H.M. Geuns en mr. D.W.H.M. Wolters zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 11 oktober 2025 te Baarlo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zogenoemde molotovcocktail, althans een met brandbare vloeistof gevulde fles met een lap stof, aangestoken, althans in aanraking gebracht met open vuur tegen een woning gelegen aan de [ [adres] te Baarlo] te gooien, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en/of de inboedel/inrichting van die woning aan de [adres] te Baarlo en/of een of meer omliggende woning(en) en/of de inboedel/inrichting van die omliggende woning(en) en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de [adres] te Baarlo en/of de bewoner(s) van omliggende woning(en) te duchten was;

T.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 11 oktober 2025 te Baarlo, althans in Nederland, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten drie, in elk geval, één molotovcocktail(s) (te weten glazen flessen gevuld met brandstof en een lap stof welke deels uit de flessen hingen, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand