ECLI:NL:RBLIM:2026:5169

ECLI:NL:RBLIM:2026:5169

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer 03.221777.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Hij is veroordeeld voor het voorhanden hebben van een geïmproviseerd explosief (IED), zijnde een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie en het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne. Hij is vrijgesproken van het voorbereiden van het teweegbrengen van een ontploffing. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren (en aftrek van het voorarrest). De in beslag genomen verdovende middelen zullen worden onttrokken aan het verkeer en de in beslag genomen telefoon zal worden teruggegeven aan de veroordeelde.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03.221777.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 26 mei 2026

in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] 1991,

thans gedetineerd [detentieadres verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.H.L. Antonides, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 mei 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 8 augustus 2025 te Roermond:

Feit 1: een ontploffing heeft voorbereid door een geïmproviseerd explosief ( [type explosief] ) (vuurwerkbom), voorhanden te hebben;

Feit 2: een geïmproviseerd explosief ( [type explosief] ) (vuurwerkbom), zijnde een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad;

Feit 3: ongeveer 10,35 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten, waarbij er sprake is van eendaadse samenloop bij feit 1 en feit 2. Daartoe heeft ze ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat het zelf gefabriceerde explosief (de [type explosief] ) was bestemd voor het teweegbrengen van een ontploffing, aangezien er geen alternatieve toepassing mogelijk is. Verdachtes opzet was ook hierop gericht. Blijkens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie is het verder geen vereiste dat uit het dossier volgt waar of wanneer de verdachte de ontploffing wilde laten plaatsvinden.

Wat betreft feit 3 heeft de officier van justitie gesteld dat de verdachte de wetenschap van en beschikkingsmacht had over de aangetroffen cocaïne, zowel wat betreft de hoeveelheid in de kluis als in de printerlade.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor feit 1 vrijspraak bepleit en heeft daartoe verwezen naar het alternatieve scenario van de verdachte. De verdachte heeft immers verklaard dat de vuurwerkbom niet van hem is, maar door iemand anders onder zijn auto is geplaatst naar aanleiding van een conflict met een buurvrouw. Dit alternatieve scenario kan niet worden uitgesloten op basis van het dossier en wordt zelfs ondersteund door bewijsmiddelen, zoals de aangifte van de desbetreffende buurvrouw.

In het geval van feit 3 heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit voor de hoeveelheid drugs die is aangetroffen in de printerlade. De wetenschap en beschikkingsmacht daarvan volgen namelijk niet uit het dossier.

Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De vrijspraakoverweging t.a.v. feit 1

De rechtbank komt, op andere gronden dan door de verdediging naar voren gebracht, tot vrijspraak voor het onder 1 tenlastegelegde feit. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Voor een strafbare voorbereiding van een misdrijf, waar een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld, is vereist dat er sprake is van een daadwerkelijke voorbereiding. In lijn met de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 46 Wetboek van Strafrecht moet worden voorkomen dat de strafbaarheid zich uitstrekt over gevallen waarin enkel sprake is van een misdadige intentie. Dat noopt tot terughoudendheid in gevallen waarin nog veel onduidelijk is, bijvoorbeeld met betrekking tot welk misdrijf wordt voorbereid en op welke wijze daar uitvoering aan zou worden gegeven, door wie en met behulp van welke voorwerpen dit zou moeten worden uitgevoerd. Voor die terughoudendheid is minder aanleiding naarmate de voorbereiding concreter wordt en het beoogde misdrijf en de wijze van uitvoering duidelijker. Bij deze, sterk op de te beslissen zaak toegesneden, waardering spelen de aard van de in de tenlastelegging opgenomen (combinatie van) voorwerpen en wat is komen vast te staan over de intentie van de verdachte een belangrijke rol. Van betekenis kan daarbij zijn wat de verdachte met de voorwerpen heeft gedaan en welke conclusie de uiterlijke verschijningsvorm van een en ander rechtvaardigt.

De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende gang van zaken vast. De verdachte heeft in de nacht van 8 augustus 2025 ruzie met zijn vriendin. Vervolgens stelt hij in het zicht van zijn vriendin een geïmproviseerd explosief ( [type explosief] ) samen door aan meerdere stukken vuurwerk een gasfles en een blik met schroeven vast te maken. Deze goederen had verdachte op dat moment al op zijn kamer. De verdachte dreigt hierbij dat als zijn vriendin naar huis gaat, hij het explosief bij haar huis of woongroep zal plaatsen. Zijn vriendin ontvlucht het huis en alarmeert de politie. Het geïmproviseerd explosief wordt nog diezelfde dag aangetroffen, opgeborgen in een doos met piepschuim, op de overloop van de etage waar onder andere de (huur)kamer van de verdachte is gelegen.

De rechtbank is van oordeel dat deze handelwijze van de verdachte onvoldoende materieel gewicht heeft om te spreken van een daadwerkelijke concrete voorbereiding en overweegt daarover het volgende.

De verdachte heeft binnen een kort tijdsbestek een explosief samengesteld met goederen die hij op dat moment al voorhanden had. Daarna heeft hij het explosief opgeborgen. Het dossier bevat geen bewijs of aanwijzingen waaruit blijkt dat de verdachte na de ruzie vervolgstappen heeft ondernomen. Zo bevat het dossier geen bewijs dat verdachte een begin van een plan voor het plaatsen van het explosief heeft gemaakt of op enig moment bijvoorbeeld een route heeft gereden om te bezien waar hij het explosief zou willen plaatsen. Op basis van deze feiten en omstandigheden kan door de rechtbank niet worden uitgesloten dat de verdachte het explosief in een boze opwelling heeft samengesteld, zonder daadwerkelijk gebruik ervan voor ogen te hebben, afgezien van het feit om het als chantagemiddel te gebruiken om zijn vriendin te dwingen bij hem te blijven.

De officier van justitie heeft verwezen naar jurisprudentie waaruit blijkt dat voor een strafbare voorbereiding niet vereist is dat tijd, plaats en wijze van uitvoering vaststaan. Dit neemt naar het oordeel van de rechtbank echter niet weg dat er wel sprake moet zijn van een bepaalde mate van voorbereiding, waarbij het materiële gewicht daarvan groter moet zijn naarmate de wijze van de uitvoering onduidelijker is. De rechtbank merkt daarbij op dat in de aangehaalde arresten de voorbereiding concreter en omvangrijker was dan in het onderhavige feitencomplex. Zo ging het in de door de officier van justitie genoemde uitspraken onder andere om maandenlange werkzaamheden aan een explosief en herhaalde voorverkenningen van een locatie voor een geschikte uitvoering van het delict, in onderhavig feitencomplex ontbreekt dit volledig.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Het voorgaande laat onverlet dat de gedragingen van de verdachte bedreigend kunnen zijn, maar dat verwijt is niet ten laste gelegd waardoor de rechtbank daar niet over dient te oordelen.

De bewijsoverweging t.a.v. feit 2

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de verdediging, bewezen dat de verdachte op 8 augustus 2025 een geïmproviseerd explosief ( [type explosief] ), zijnde een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad in zijn woning. Omdat de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen integrale vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;

de getuigenverklaring van [naam getuige] ;

- het resultaat van het DNA-onderzoek.

De bewijsmiddelen t.a.v. feit 3

Verbalisanten hebben op 8 augustus 2025 de woning van de verdachte aan [woonadres verdachte] doorzocht en hebben daarover – voor zover relevant en zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op vrijdag 8 augustus 2025, was ik, [naam verbalisant 1] , belast met een onderzoek in een

woning aan [woonadres verdachte] waar een zelf gefabriceerd explosief was

aangetroffen. [woonadres verdachte] betreft een tussenwoning in een woonwijk, er staan 4

personen ingeschreven, waaronder de verdachte. De woning is ingericht voor

kamerverhuur, er zijn meerdere kamers aanwezig in de woning die verhuurd worden.

De kamer van de verdachte is gelegen op de tweede verdieping aan de achterzijde

van de woning. Te 18.43 uur, zijn we gestart met de doorzoeking waarbij

onderstaande werd aangetroffen.

Te 18.50 uur, werd door collega [naam verbalisant 2] een kluis (klein formaat) aangetroffen in een open kledingkast. Tevens werd er een glazen potje in de kluis aangetroffen, in het potje zat een doorzichtig plastic zakje met daarin een hoeveelheid wit poeder.

Te 19.19 uur, werd door mij, [naam verbalisant 1] , een printer aangetroffen in een TV-kastje. In de papierlade onderaan de printer werd door mij een doorzichtig plastic zakje met daarin een hoeveelheid wit poeder aangetroffen. Tevens werd een klein digitaal weegschaaltje aangetroffen in de papierlade. Ik, [naam verbalisant 1] , zag dat er resten van

wit poeder op het weegschaaltje zaten.

De aangetroffen verdovende middelen zijn vervolgens onderzocht, waarbij het volgende is geconcludeerd:

Het dichtgeknoopte transparante kunststof zakje met daarin wit gekleurd poeder ( [goednummer 1] ) en een netto gewicht van 6,78 gram is positief getest op cocaïne.

Het dichtgeknoopte transparante kunststof zakje met daarin wit gekleurd poeder ( [goednummer 2] ) en een netto gewicht van 1,34 gram is positief getest op cocaïne.

De bewijsoverweging t.a.v. feit 3

De rechtbank acht op grond van de voorgaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 8 augustus 2025 opzettelijk ongeveer 8,12 gram cocaïne aanwezig heeft gehad in zijn woning. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij alleen afwist van de verdovende middelen in de kluis, maar niets wist van andere verdovende middelen in de printer. Deze moeten er door iemand anders, waarschijnlijk zijn ex-vriendin, zijn neergelegd.

De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is of de verdachte ook wetenschap had ten aanzien van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de printerlade en of hij deze in zijn machtssfeer had. De verdachte heeft ter terechtzitting wisselend verklaard over het gebruik van de printer. Desgevraagd heeft hij eerst verklaard dat hij de printer gebruikt voor zijn werk, waar hij vervolgens direct op terugkomt zodra hij wordt geconfronteerd met het gegeven dat uit het dossier blijkt dat er geen papier in de printer zat. Ook heeft de verdachte verklaard dat zijn ex-vriendin de ruimte waar de printer zich bevond altijd heeft schoongemaakt, waardoor hij niet vaak bij de printer kwam. Het alternatieve scenario van de verdachte is op grond van het dossier en gelet op het hiervoor overwogene niet aannemelijk geworden, waardoor de rechtbank het als hoogst onwaarschijnlijk terzijde schuift. De rechtbank is dientengevolge van oordeel dat de verdachte de wetenschap en beschikkingsmacht had van zowel de verdovende middelen in de kluis als in de printerlade.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

T.a.v. feit 2:

op 8 augustus 2025 te Roermond een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerd explosief ( [type explosief] ), in elk geval een explosief, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;

T.a.v. feit 3:

op 8 augustus 2025 te Roermond opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8,12 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

T.a.v. feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De GZ-psycholoog/psychotherapeut drs. A. van der Geize heeft over de geestvermogens van de verdachte op 14 december 2025 een rapport uitgebracht. De rechtbank komt op basis van de in dat rapport vervatte bevindingen en het daarin vervatte advies niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten.

6. De straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.. Deze voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. Daarnaast heeft zij gevorderd aan de verdachte op te leggen een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM-maatregel) op basis van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het voorarrest niet overschrijdt het meest passend is. De verdachte staat open voor hulp en begeleiding, waardoor een deels voorwaardelijke straf met de oplegging van voorgaande bijzondere voorwaarden voor de hand ligt. De raadsman heeft hierbij echter voorgesteld om géén klinische behandeling op te leggen, aangezien de psychiater van Stevig heeft geconcludeerd dat een intensieve ambulante behandeling voor de verdachte volstaat. Verder blijkt de noodzaak voor een GVM-maatregel niet en heeft de raadsman de rechtbank daarom gevraagd om de oplegging van deze GVM-maatregel achterwege te laten.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Op 8 augustus 2025 stuitte de politie tijdens een doorzoeking van de woning van de verdachte in de gezamenlijke hal op een zelf gefabriceerde geïmproviseerd explosief ( [type explosief] ), dat van dien aard was dat de Explosieven Opruimingsdienst ter plaatse moest komen. De verdachte woonde midden in een woonwijk in een tussenwoning die uit vier zelfstandig verhuurde kamers bestond, waardoor ook de omgeving gevaar liep. Het ging om zeer zware en gevaarlijke voorwerpen die heel gemakkelijk kunnen ontploffen en dat met de nodige vernietigingskracht. Uit de bevindingen in het dossier volgt immers dat een explosie een enorme drukgolf zou hebben veroorzaakt, waardoor wanden, muren, ruiten en voorwerpen (zelfs van de woningen aan de overkant van de straat) met grote kracht naar buiten worden gedrukt en weggeslingerd. Het is dan ook algemeen bekend dat wanneer een explosief tot ontploffing wordt gebracht dit tot grote schade leidt aan de gebouwen in de omgeving en dat dit dodelijk is indien het in de nabijheid van personen gebeurd. De verdachte heeft niet stilgestaan bij deze risico’s waar dat wel had gemoeten.

Daarnaast is tijdens deze doorzoeking ook ongeveer 8,12 gram cocaïne in de woning van de verdachte aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat met name harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van (zware) criminaliteit, waardoor de samenleving in ernstige mate schade wordt berokkend.

Het behoeft geen nader betoog dat, gelet op het voorgaande, uit oogpunt van maatschappelijke veiligheid streng moet worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van een dergelijk explosief en het aanwezig hebben van verdovende middelen. Het opleggen van een gevangenisstraf voor dit soort feiten is de enige passende reactie.

Voor het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is blijkens zijn strafblad niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk delict, maar wel vaker veroordeeld voor geweldsmisdrijven. De verdere persoonlijke omstandigheden van de verdachte blijken onder meer uit de Pro Justitia-rapportage van de psycholoog op 14 december 2025 en het reclasseringsadvies van 7 mei 2025. Uit deze rapporten volgt dat op grond van de delictsgeschiedenis van de verdachte alsmede de bij hem vastgestelde psychische problematiek, de risico’s (waaronder het recidiverisico) hoog worden ingeschat. De psycholoog heeft derhalve geconcludeerd dat enkel de oplegging van ambulante hulpverlening onvoldoende is en adviseert een klinische behandeling binnen een voorwaardelijk strafdeel. De reclassering heeft grote twijfels over de kans van slagen van een klinisch traject gelet op het gebrek aan intrinsieke motivatie van verdachte. Zonder een klinische opname ziet de reclassering geen mogelijkheid meer om tot een gedragsverandering te kunnen komen en adviseren zij in dat geval om een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden en zonder reclasseringstoezicht.

De rechtbank zal, in aansluiting op het advies van de reclassering, géén bijzondere voorwaarden opleggen aan de verdachte, aangezien hij ter zitting wederom heeft aangegeven dat hij een klinische behandeling zal ondergaan ‘wanneer dit moet’, maar hiermee naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden gesproken van enige intrinsieke motivatie bij de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is een voorwaardelijk gedeelte naast een onvoorwaardelijke straf wel van wezenlijk belang gelet op het recidiverisico. Op die manier heeft de verdachte een spreekwoordelijke stok achter de deur om hem ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen. De rechtbank acht hierbij een proeftijd van 3 jaren noodzakelijk gelet op de vele geconstateerde risicofactoren bij de verdachte.

Alles afwegende zal de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht.

7. Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen verdovende middelen worden onttrokken aan het verkeer. De rechtbank zal de hierna in de beslissing genoemde verdovende middelen onttrekken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Daarnaast heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat, in het geval dit nog niet is gebeurd, de in beslag genomen telefoon dient te worden teruggegeven aan de beslagene. De rechtbank zal derhalve ten aanzien van de telefoon (nogmaals) de teruggave aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon gelasten, te weten de verdachte.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet en artikel 26 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1;

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Beslag

- onttrekt aan het verkeer het volgende in beslag genomen voorwerp:

7 gram verdovende middelen (Omschrijving: PL2300-2025133068-G1828608);

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de veroordeelde:

1 gsm (Omschrijving: PL2300-2025132605-G1828602, Oranje, merk: Motorola).

Dit vonnis is gewezen door mr. C.P.W. van Well, voorzitter, mr. drs. J.M.A. van Atteveld en mr. L.M.W. Peters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M.A. Curfs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2026.

Buiten staat

mr. drs. J.M.A. van Atteveld is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Roermond, althans in Nederland

ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweeg brengen van een ontploffing terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten is (strafbaar gesteld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers en/of vervoermiddelen, te weten

- een of meer explosieve stoffen, te weten een of meer stuks black Thunder en/of een of meer stuks Cobra 8 en/of

- een brandversneller, te weten een bus met gas en/of

- een geledigd drinkblik (deels) gevuld met schroeven

althans één of meer materia(a)len geschikt om, al dan niet in combinatie met elkaar, een ontploffing teweeg te brengen,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf,

heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;

T.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Roermond

een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,

te weten een geïmproviseerd explosief ( [type explosief] ), in elk geval een explosief,

zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door

vuur of door middel van ontploffing

voorhanden heeft gehad;

T.a.v. feit 3:

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Roermond

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10,35 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand