ECLI:NL:RBLIM:2026:5220

ECLI:NL:RBLIM:2026:5220

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 29-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 03.002892.26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Vrijspraak art 6 WVW. Eén kortdurend moment van onoplettendheid onvoldoende voor aanmerkelijke schuld. Schuldigverklaring zonder straf voor art 5 WVW.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03/002892-26

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 29 mei 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1978,

wonende te [adres]

De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A. van den Heuvel, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 mei 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Het slachtoffer [slachtoffer] is niet op zitting verschenen.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte (primair) als bestuurder van een motorvoertuig een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor een andere weggebruiker (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel (subsidiair) dat de verdachte gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. De verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig gereden als gevolg waarvan een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan [slachtoffer] letsel werd toegebracht waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat op basis van het dossier enkel kan worden vastgesteld dat bij de verdachte sprake is geweest van een kort moment van onoplettendheid en dat dit niet kan worden gekwalificeerd als schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).

Het oordeel van de rechtbank

De overwegingen van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

Voordat de rechtbank de bewijsbeslissingen nader bespreekt, zal zij weergeven van welke feiten en omstandigheden uit de verderop in dit vonnis weergegeven bewijsmiddelen zij uitgaat.

Op 9 maart 2025, omstreeks 09.33 uur, reed de verdachte als bestuurder van een personenauto op de Rijksweg N271 te Mook, gemeente Mook en Middelaar. Zij kwam vanuit de richting van Molenhoek en reed in zuidelijke richting. De zon stond erg laag en het zicht voor bestuurders rijdende in zuidelijke richting werd daardoor ernstig belemmerd. De verdachte reed iedere week rond hetzelfde tijdstip deze route en was bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. De verdachte was goed uitgerust, had goed geslapen en had geen haast. Uit onderzoek is tevens gebleken dat zij niet onder invloed was van stoffen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden.

Het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) reed op dat moment op zijn motor, op enige afstand voor de personenauto van de verdachte. Twee auto’s voor [slachtoffer] remde een auto af om linksaf richting tankstation te gaan. [slachtoffer] liet het gas los, maar trapte niet op de rem.

De verdachte kwam omstreeks dat moment – met een toegestane snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur – onder het spoorviaduct gereden en werd geconfronteerd met een felle, laagstaande zon. Ze was op enig moment ook afgeleid door een vlekje op de ruit. De verdachte zag het afremmende en snelheid minderende verkeer voor haar niet. Met haar auto is zij met onverminderde snelheid van achter tegen de motor met daarop [slachtoffer] aangereden. Ze remde naar eigen zeggen pas op het moment dat ze [slachtoffer] raakte.

Ten gevolge van de botsing heeft [slachtoffer] letsel opgelopen, in elk geval bestaande uit een breuk van de zevende ruggenwervel en een verwonding aan zijn pols.

De rechtbank ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of de verdachte zich zodanig onvoorzichtig of onoplettend heeft gedragen dat het ongeval aan haar schuld te wijten is in de juridische zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

Overtreding van artikel 6 WVW? Vrijspraak primair.

Of er sprake is van ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW hangt af van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding of verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte dusdanig onvoorzichtig of onoplettend heeft gehandeld, dat sprake is van schuld zoals hierboven bedoeld. De rechtbank baseert dit oordeel op het volgende.

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat er op die betreffende 9 maart 2025 sprake was een laagstaande zon die volgens het proces-verbaal van de politie zorgde voor een ernstige belemmering van het zicht voor bestuurders in zuidelijke richting, hetgeen wordt bevestigd door alle bevraagde getuigen. Een eind voor de plek van het ongeval bevindt zich een spoorviaduct, waar de verdachte onderdoor is gereden en waar het donker was. Toen zij onder het spoorviaduct vandaan kwam, werd zij kortdurend verblind door de felle zon.

Felle zon doet in principe nooit afbreuk aan de verantwoordelijkheid van iedere verkeersdeelnemer om zich veilig in het verkeer te gedragen. Felle zon is er wel of niet, en als er felle zon is, is eenieder gehouden zijn gedrag daarop af te stemmen en zo nodig aan te passen opdat verkeersveiligheid voldoende kan worden gewaarborgd.

Wanneer je door felle zon niet of nauwelijks ziet wat zich voor je op de weg afspeelt en ook niet of de weg vrij is, zou je bijvoorbeeld als bestuurder in het uiterste geval behoren te overwegen je snelheid te matigen of tot stilstand te komen. Daarbij mag die bestuurder overigens ook bezorgd zijn om het gevaar van eventueel achteropkomend verkeer dat met een gelijke mate van verblinding te maken kan krijgen. De rechtbank realiseert zich zonder enig voorbehoud dat een onvoorziene verblinding voor iedereen als verrassing kan komen, ook voor verkeersdeelnemers die verder voorzichtig en oplettend aan het verkeer deelnemen.

De verdachte heeft verklaard voor vertrek de voorruit van haar auto te hebben schoongemaakt en de rechtbank heeft geen reden daaraan te twijfelen. Dat kan in dit opzicht niet anders worden beschouwd dan als het zeer voorzichtig en oplettend nemen van adequate voorzorgsmaatregelen voorafgaand aan verkeersdeelname. Hetzelfde geldt in beginsel voor het feit dat de zonneklep van de verdachte - blijkens de foto’s uit het dossier van kort na de aanrijding - omlaag geklapt was, waarbij overigens geen duidelijkheid is ontstaan over het moment waarop de zonneklep omlaag geklapt was.

De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat zij op een moment voorafgaand aan de aanrijding gefocust was op een vies vlekje op haar voorruit. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte langer dan een kortdurend moment onoplettend is geweest. De ter zitting door de officier van justitie naar voren gebrachte redenering dat het na het uitkomen van de tunnel nog ongeveer 7 tot 8 seconden moet hebben geduurd voordat het ongeluk plaats zou vinden, maakt dat niet anders. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ook verblinding door de laagstaande zon heeft plaatsgevonden en dat evenmin is vast komen te staan dat de verdachte de hele tijd naar het vlekje op de ruit heeft gekeken. Een dergelijk mogelijk dus kort moment van onoplettendheid is, mede gelet op al het vorenstaande, in deze situatie niet zonder meer als aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 van de WVW te kwalificeren. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist en die zijn in deze zaak niet vast komen te staan.

De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde, nu onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat de verdachte schuld aan het ongeval heeft gehad als bedoeld in artikel 6 WVW.

Overtreding van artikel 5 WVW? Bewezenverklaring subsidiair

Wel acht de rechtbank de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW bewezen, namelijk dat de verdachte door haar rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt immers dat de verdachte de afremmende en snelheid minderende voertuigen voor haar niet tijdig heeft opgemerkt, terwijl die voertuigen (twee auto’s en één motorfiets) er wel degelijk waren, waardoor zij niet tijdig heeft geremd en waardoor zij tegen de motor van [slachtoffer] is aangereden. Zij had de voertuigen wel kúnnen waarnemen en naar het oordeel van de rechtbank ook moeten waarnemen. De verdachte heeft hierdoor gevaar op de weg veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW en dat gevaar heeft zich ook verwezenlijkt in het ontstane verkeersongeval. De rechtbank baseert zich daarbij op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat op 9 maart 2025 een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij de verdachte als bestuurder van een personenauto van achteren tegen een motorrijder is aangereden waardoor deze motorrijder letsel heeft opgelopen;

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting op 15 mei 2026.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

t.a.v. subsidiair:

op 9 maart 2025 te Mook, gemeente Mook en Middelaar als bestuurder van een voertuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg,

- haar aandacht niet, althans in onvoldoende mate op het overige verkeer en (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht of gehad en

- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van het door haar bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij die weg (de Rijksweg) kon overzien en waarover deze vrij was en

- vervolgens, toen het voor haar rijdende verkeer snelheid had verminderd, met het door haar bestuurde voertuig in aanrijding is gekomen met een voor haar uit langzamer rijdend ander motorrijtuig, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

t.a.v. subsidiair:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een geldboete ter hoogte van 750 euro.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat bij een bewezenverklaring kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft onder meer de motorrijder die voor haar reed en die snelheid minderde niet tijdig opgemerkt waardoor een aanrijding is ontstaan. De motorrijder is als gevolg van deze aanrijding ten val gekomen en heeft daarbij een ruggenwervel gebroken en zijn pols ernstig verwond, waardoor en waarna hij een hele tijd niet heeft kunnen werken en hij zijn normale bezigheden, onder meer als vader van jonge kinderen, niet heeft kunnen verrichten.

In het dossier bevindt zich een terugkoppeling van het mediationbureau waaruit blijkt dat de verdachte en het slachtoffer een succesvol mediationtraject hebben afgerond. Uit de terugkoppeling blijkt welke impact het ongeval op het slachtoffer heeft gehad, maar ook dat het slachtoffer vindt dat de verdachte geen straf opgelegd zou moeten krijgen. Een straf voor de verdachte helpt volgens het slachtoffer niet aan een sneller herstel. Het slachtoffer vindt dat de verdachte reeds genoeg gestraft is. De rechtbank hecht veel belang aan het geslaagde mediationtraject en houdt daar op grond van het bepaalde in artikel 51h van het Wetboek van Strafvordering in het voordeel van de verdachte rekening mee.

Strafoplegging dient niet alleen met inachtneming van de gevolgen van de gemaakte verkeersfout te geschieden, maar ook en vooral in verhouding te blijven met de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van de verdachte. In deze zaak acht de rechtbank niet bewezen dat de verkeersfout een misdrijf oplevert en moet er in de strafmaat rekening mee worden gehouden dat een verkeersfout in de vorm van een overtreding is gemaakt. Het verwijt dat de verdachte gemaakt kan worden is dus relatief gering, ook al is de impact van de aanrijding op het leven van het slachtoffer niet gering te noemen.

De rechtbank houdt tevens rekening met het feit dat de verdachte zich reeds vanaf het begin zeer schuldbewust heeft opgesteld. Ze heeft meermalen contact gezocht met (de partner van) het slachtoffer en ze heeft bloemen naar het slachtoffer gestuurd. Het ongeluk heeft negatieve gevolgen gehad die de verdachte zelf heeft ondervonden en waarvoor ze zich onder behandeling van een psycholoog heeft gesteld.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een straf geen meerwaarde heeft. Het opleggen van een straf in deze zaak streeft geen enkel strafdoel na en zou enkel dienen ter normstelling. De rechtbank acht dat in deze zaak – mede gelet op het geslaagde mediationtraject en de wensen hieromtrent van het slachtoffer – onnodig en niet passend.

De verdachte zal daarom wel schuldig worden verklaard, maar er zal geen straf of maatregel worden opgelegd, waarmee toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

7. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Strafoplegging

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.H.M. Geuns, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. K. Mestrom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A.J.A.P. Merk, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 mei 2026.

Buiten staat

De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. primair:

zij op of omstreeks 9 maart 2025 te Mook, gemeente Mook en Middelaar als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl zij plaatselijk bekend is,

- haar aandacht niet, althans in onvoldoende mate op het overige verkeer en/of (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en/of;

- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van het door haar bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij die weg (de Rijksweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- ( vervolgens) toen het voor haar rijdende verkeer snelheid had verminderd en/of tot stilstand was gekomen, met het door haar bestuurde voertuig gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor haar uit langzamer rijdend of stilstaand ander motorrijtuig,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

T.a.v. subsidiair:

zij op of omstreeks 9 maart 2025 te Mook, gemeente Mook en Middelaar als bestuurder van een voertuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg,

- haar aandacht niet, althans in onvoldoende mate op het overige verkeer en/of (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en/of;

- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van het door haar bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij die weg (de Rijksweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- ( vervolgens) is zij, verdachte, toen het voor haar rijdende verkeer snelheid had verminderd en/of tot stilstand was gekomen, met het door haar bestuurde voertuig gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor haar uit langzamer rijdend of stilstaand ander motorrijtuig, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand