RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/350448 / HA ZA 26-106
Vonnis in incident (bij vervroeging) van 3 juni 2026
in de zaak van
[persoon A] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon A] ,
advocaat: mr. R.H.J.G. Borger,
tegen
1. [persoon B] ,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna: [persoon B] ,
advocaat: mr. G.E.R. Ummelen,2. [makelaarsbedrijf],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
hierna: [makelaarsbedrijf] ,
advocaat: mr. M.B. Esseling.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 11,
- de conclusie van antwoord van [persoon B] , tevens houdende incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring van [makelaarsbedrijf] ,
- de conclusie van antwoord in het incident.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. Het geschil
in de hoofdzaak
[persoon A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
de tussen hem en [persoon B] gesloten koopovereenkomst van 1 juli 2024 ter zake van het perceel grond met woning gelegen aan [adres 1] gedeeltelijk ontbindt, althans op de voet van artikel 6:228 BW juncto artikel 6:230 BW wijzigt tot opheffing van het nadeel;
[persoon B] en [makelaarsbedrijf] (hoofdelijk) veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [persoon A] te voldoen:
- € 44.523,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026,
- € 811,99 aan taxatiekosten, en
- € 1.220,23 aan buitengerechtelijke incassokosten,
3. [persoon B] en [makelaarsbedrijf] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis zijn voldaan.
in het incident
[persoon B] vordert dat het hem wordt toegestaan gedaagde sub 2 in de hoofdzaak, [makelaarsbedrijf] , in vrijwaring op te roepen. Hij stelt daartoe dat tussen hem en [makelaarsbedrijf] een overeenkomst tot dienstverlening is gesloten op grond waarvan [makelaarsbedrijf] onder meer heeft bemiddeld bij de verkoop en levering van de woning aan [adres 1] van [persoon B] aan [persoon A] . Volgens [persoon B] heeft [makelaarsbedrijf] in het kader van de uitvoering van die opdracht onjuiste informatie verstrekt door in de vragenlijst te vermelden dat de aanbouw van de woning vergunningsvrij was gerealiseerd. [makelaarsbedrijf] heeft daarom de voor hem geldende norm van een redelijk bekwaam en redelijk handelend makelaar overtreden en in strijd gehandeld met de op hem rustende zorgplicht. Gelet op deze tekortkoming is [makelaarsbedrijf] gehouden om [persoon B] te vrijwaren voor de gevolgen van het vonnis in de hoofdzaak, aldus [persoon B] .
[persoon A] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3. De beoordeling in het incident
Gelet op de door [persoon B] aangevoerde gronden voor de oproeping in vrijwaring van [makelaarsbedrijf] , valt naar het oordeel van de rechtbank op voorhand niet uit te sluiten dat [persoon B] geheel of gedeeltelijk regres zal kunnen nemen op [makelaarsbedrijf] . Dat is voor toewijzing van het verzoek voldoende. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.
Omdat geen van partijen als in het ongelijk gesteld kan worden beschouwd, zullen de proceskosten in het incident tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident
staat toe dat [makelaarsbedrijf] , gevestigd aan [adres 2] , door [persoon B] wordt gedagvaard tegen de rolzitting van woensdag 15 juli 2026 om 10:00 uur,
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
verstaat dat de zaak is verwezen naar de rol van 10 juni 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [makelaarsbedrijf] ,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.