RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.016947.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 juni 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2001,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A. Dronkers, advocaat kantoorhoudende te Roermond.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 mei 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De slachtoffers [Aangeefster] en [slachtoffer ] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. Deze zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.017182.25 en [medeverdachte 2] met het parketnummer 03.017581.25.
2. De tenlastelegging
De – ter terechtzitting gewijzigde – tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1: in de periode van 11 januari 2025 tot en met 12 januari 2025 [Aangeefster] samen met anderen met voorbedachten rade zwaar heeft mishandeld (primair), dan wel deel uit heeft gemaakt van een groep die geweld heeft gepleegd tegen [Aangeefster] terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad (subsidiair);
Feit 2: op een of meer tijdstippen op 12 januari 2025 [slachtoffer ] samen met anderen van haar vrijheid heeft beroofd.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair tenlastegelegde feit en heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangever [Aangeefster] geloofwaardig en betrouwbaar is en steun vindt in de verklaring van [slachtoffer ] , de bevindingen over de locatiegegevens van de telefoons en de verklaringen van verdachten, waarin zij zichzelf op de plaats delict plaatsen. De afgelegen plek waar de verdachten [Aangeefster] naartoe hebben gelokt in combinatie met het – zonder dat [Aangeefster] daar aanleiding toe gaf – vrijwel direct gebezigde geweld én de gezamenlijke voortzetting van dat geweld tegen [Aangeefster] , maakt dat de voorbedachten rade bewezen kan worden. Het letsel dat [Aangeefster] heeft bekomen, is in de visie van het Openbaar Ministerie te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel gezien de combinatie van breuken en nu operatief ingrijpen noodzakelijk was om in ieder geval de verzakking van de oogspier te corrigeren om dubbelzien te herstellen en de genezingsduur meerdere weken was.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde feit en heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer ] consistent, concreet en gedetailleerd is en steun vindt in de verklaring van [Aangeefster] , de bevindingen over de telefoongegevens, de verklaringen van de verdachten, waarin zij in de kern de feitelijke gang van zaken bevestigen, en de verklaring van de taxichauffeur die [slachtoffer ] naar het ziekenhuis heeft gebracht. De aard en duur van het handelen van de verdachten leveren het wederrechtelijk beroven van de vrijheid van [slachtoffer ] op. De verdachten hebben zich onmiskenbaar uiterst dwingend gedragen en hadden met hun handelen (tijdelijk) controle over het doen en laten van [slachtoffer ] . Dat de vrijheidsbeneming van relatief korte duur is geweest, doet hieraan niet af.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 primair bepleit dat de tenlastegelegde bestanddelen ‘met voorbedachten rade’ en ‘medeplegen’ niet bewezen kunnen worden en heeft verzocht de verdachte daarvan partieel vrij te spreken. De verdachte heeft erkend dat hij het slachtoffer heeft mishandeld en dit feit kan worden gekwalificeerd als een, weliswaar alleen door verdachte gepleegde, zware mishandeling.
De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 vrijspraak bepleit. Er is – zelfs in belangrijke mate gesteund door [slachtoffer ] zelf – geen belastend bewijs voor vrijheidsberovende handelingen die aan [verdachte] toe te rekenen zijn en er is geen bewijs van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en zijn medeverdachten en/of anderen om [slachtoffer ] wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1 primair
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 11 januari 2025 tot en met 12 januari 2025 aan [Aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.
Nu de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv):
- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van
20 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte door [Aangeefster] d.d. 15 januari 2025;
- de forensisch medische letselrapportage van [Aangeefster];
- de aanvullende medische stukken uit de vordering tot schadevergoeding van [Aangeefster].
Partiële vrijspraak voorbedachte raad
Het begrip voorbedachte raad wordt in beginsel geobjectiveerd ingevuld; niet van belang is dat de verdachte zich daadwerkelijk heeft beraden, maar dat hij hier tijd en gelegenheid toe heeft gehad. Het beoordelingskader van de Hoge Raad vereist dat moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
Dat de verdachte het slachtoffer in de avond/nacht naar een afgelegen, en voor het slachtoffer onbekende, plek heeft laten komen om hem te confronteren, dat de verdachte daar met een aantal vrienden aanwezig was en uiteindelijk ‘gezamenlijk’ geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer, zijn omstandigheden die voor het bewezen verklaren van voorbedachte raad van zware mishandeling zouden kunnen pleiten. Echter, uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt ook dat er in eerste instantie een gesprek plaatsvond tussen aangever en slachtoffer en dat verdachte heeft verklaard dat hij met het slachtoffer wilde praten, maar de emoties bij hem uiteindelijk hoog zijn opgelopen waardoor de confrontatie geëscaleerd is in een gevecht en uiteindelijk in zwaar letsel bij het slachtoffer. Uit de overige bewijsmiddelen, zoals de onderzoeken aan de telefoons, is niet van concrete aanwijzingen van een vooropgezet plan om het slachtoffer zwaar te mishandelen gebleken.
De rechtbank ziet onvoldoende omstandigheden om tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad van zware mishandeling te komen. De rechtbank zal de verdachte om die reden in zoverre partieel vrijspreken.
Partiële vrijspraak medeplegen
De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de zware mishandeling tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. De rechtbank zal de verdachte om die reden in zoverre partieel vrijspreken.
Feit 2
Vrijspraak
Aangeefster [slachtoffer ] heeft meerdere verklaringen afgelegd, namelijk op 13 en 14 januari 2025 bij de politie en op 6 november 2025 bij de rechter-commissaris.
De rechtbank stelt vast dat aangeefster sterk wisselende verklaringen omtrent het hele verloop heeft afgelegd. Met name ten aanzien van essentiële onderdelen lopen haar verklaringen uiteen: dat er wel of niet aan de deur van haar auto werd getrokken, op welk moment haar sleutels zijn afgepakt en door wie, of ze wel of niet bij haar keel is vastgepakt en door wie en hoe ze precies werd gedwongen om in de woning te blijven.
Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van aangeefster onvoldoende betrouwbaar om als uitgangspunt te dienen voor de vaststelling van de feiten. Nu dit de kern van het verwijt betreft kan de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen wat er zich heeft afgespeeld. Daarom acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit feit heeft begaan en zal de verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
T.a.v. feit 1 primair:
in de periode van 11 januari 2025 tot en met 12 januari 2025 te Reuver, in de gemeente Beesel, aan [Aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding, een gebroken neus, een breuk (fractuur) (in de bodem) van de (linker)oogkas en een verzakking van de (onderste rechte) oogspier heeft toegebracht door
- meermaals (met een vuist) tegen het hoofd en/of gezicht te slaan, en
- meermaals tegen het hoofd en/of gezicht, te schoppen en/of trappen, en
- meermaals een knietje tegen het hoofd en/of het gezicht te geven, en
- meermaals een kopstoot te geven.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
T.a.v. feit 1 primair:
zware mishandeling
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en daaraan gekoppeld een contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod voor de woonplaats van de slachtoffers in Duitsland. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd een artikel 38v-maatregel op te leggen met een contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod voor de woonplaats van de slachtoffers in Duitsland; bij elke overtreding van de maatregel één maand hechtenis met een maximum van zes maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting uitgebreid heeft verklaard over zijn rol, dat hij zijn verantwoordelijkheid neemt, dat hij het geweldsincident in hoge mate betreurt en dat hij hoopt op herstel en normalisering van de relatie met zijn zus en haar vriend. De verdachte is zelfstandig ondernemer en de reclassering ziet geen zorgpunten. De raadsman heeft verzocht de bijzondere last van de elektronische enkelband gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis bij de straftoemeting mee te wegen. De raadsman heeft concluderend verzocht te volstaan met een straf die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, met inbegrip van de overleveringsdetentie, daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur en een locatieverbod voor de woonplaats van zijn zus en haar vriend.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De precieze aanleiding voor de confrontatie en de excessieve geweldsuitbarsting van de verdachte is de rechtbank onduidelijk gebleven. Wat wel vast is komen te staan, is dat de verdachte zijn schoonbroer [Aangeefster] zwaar heeft mishandeld, waarbij [Aangeefster] onder meer een bloeding tussen de hersenvliezen, een gebroken neus, een breuk van de oogkas en een verzakking van de oogspier heeft opgelopen. [Aangeefster] heeft daarvoor een operatie ondergaan, hij heeft 20 dagen in het ziekenhuis gelegen en heeft daarna nog een lange tijd moeten revalideren. Uit de slachtofferverklaring is gebleken dat het leven van [Aangeefster] door het extreme geweld volledig is veranderd en dat hij nog dagelijks klachten ervaart. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit, waarbij de verdachte inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer en, ondanks zijn ervaring in de vechtsport, geen rekenschap heeft gegeven voor de ingrijpende gevolgen ervan. Dat neemt de rechtbank de verdachte behoorlijk kwalijk.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten (in 2018 voor mishandeling en openlijke geweldpleging en in 2016 door de kinderrechter voor uitgaansgeweld). In de afgelopen vijf jaar is er echter geen sprake van relevante recidive.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 4 augustus 2025, 6 november 2025 en 8 mei 2026. Daaruit blijkt onder meer dat de verdachte zijn leven in het algemeen grotendeels op orde heeft: een stabiele huisvesting, een diploma, geen schulden, hij heeft onlangs een eigen bedrijf opgezet en er is geen sprake van middelenproblematiek. De verdachte is op 14 november 2025 geschorst met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht en een contact- en locatieverbod (met een enkelband). De verdachte houdt zich goed aan de voorwaarden en de afspraken met zijn toezichthouder. De verdachte heeft geen hulpvraag en de reclassering ziet weinig aanknopingspunten c.q. noodzaak om de meldplicht en elektronische monitoring voort te zetten dan wel aanvullende interventies of behandeling te adviseren. De reclassering schat het risico op recidive in als laag-gemiddeld.
De rechtbank heeft acht geslagen op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel, zonder gebruik te maken van een wapen, gelet op het vastgestelde letsel, de gevolgen en de revalidatieperiode. Dit oriëntatiepunt gaat uit van een gevangenisstraf van 8 maanden onvoorwaardelijk. De verdachte heeft een groot aandeel gehad in de mishandeling van [Aangeefster] en er is door de verdachte een bijzonder ernstige mate van geweld gebruikt. De verdachte heeft zich daarnaast laten ‘bijstaan’ door zijn vrienden, terwijl ze op een afgelegen plek waren en het slachtoffer vervolgens aan zijn lot is overgelaten. Dit alles acht de rechtbank strafverzwarend.
De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest (inclusief de overleveringsdetentie in Spanje) passend en geboden. Dat betekent dat de verdachte zijn straf al heeft uitgezeten en niet meer terug naar de gevangenis hoeft. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid (artikel 38v Sr) op te leggen.
7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vorderingen van de benadeelde partijen
De vordering van de benadeelde partij [Aangeefster]
De benadeelde partij vordert na vermindering van eis ter terechtzitting schadevergoeding tot een bedrag van € 74.651,32.
Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
ziekenhuisdaggeldvergoeding: € 760,-;
huishoudelijke hulp: € 2.796,-;
reiskosten revalidatie: € 478,89;
medische kosten (eigen risico): € 385,-;
kleding: € 150,-;
gederfde inkomsten: € 13.481,43;
studievertraging: € 21.600,-;
toekomstige medische schade: € 5.000,-;
immateriële schade: € 30.000,-
De benadeelde heeft verzocht om de vordering hoofdelijk toe te wijzen, vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ]
De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade. De benadeelde heeft verzocht om de vordering hoofdelijk toe te wijzen, vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij [Aangeefster]
In de visie van het Openbaar Ministerie komt de vordering voor volledige toewijzing in aanmerking, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De onderbouwing is deugdelijk en met stukken: [Aangeefster] had deze kosten niet gehad als hij die avond/nacht met rust was gelaten. Het toe te wijzen bedrag dient hoofdelijk te worden opgelegd.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ]
In de visie van het Openbaar Ministerie komt de vordering voor volledige toewijzing in aanmerking, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De onderbouwing is deugdelijk en met stukken: [slachtoffer ] had deze kosten niet gehad als zij die avond/nacht met rust was gelaten. Het toe te wijzen bedrag dient hoofdelijk te worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij [Aangeefster]
De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering bijzonder laat is ingediend en dat de korte voorbereidingstijd niet in redelijke verhouding staat tot de hoogte van de vordering en de juridische en feitelijke complexiteit van de geclaimde schadeposten. De gang van zaken is onzorgvuldig, in strijd met het beginsel van hoor- en wederhoor en daarmee in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege onevenredige belasting van het strafgeding, in ieder geval ten aanzien van de posten gederfde inkomsten, studievertraging en toekomstige medische kosten, omdat deze nader onderzoek vergen.
Voor het geval de rechtbank de vordering inhoudelijk zal beoordelen heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de post gederfde inkomsten heeft de raadsman primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering en subsidiair toewijzing tot een bedrag dat uitsluitend ziet op de periode 13 tot 31 januari 2025, na verrekening van eventueel ontvangen uitkeringen. De raadsman heeft verzocht de post studievertraging integraal af te wijzen, nu de post in causaal opzicht onhoudbaar is, maar ook in omvang in zijn geheel niet onderbouwd is. De raadsman heeft verzocht de post toekomstige medische kosten af te wijzen dan wel de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk te verklaren wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. Ten aanzien van de post huishoudelijke hulp heeft de raadsman verzocht deze post af te wijzen wegens het ontbreken van iedere onderbouwing. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de post kleding, ondanks dat er geen sprake is van onderbouwing. De raadsman heeft verzocht de post ziekenhuisdaggeld af te wijzen, ofwel – indien deze post zou worden toegewezen – de beweerdelijk gederfde inkomsten dienovereenkomstig te corrigeren door de ziekenhuisdagen daarop in mindering te brengen. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de post reiskosten voor zover de reisbewegingen aansluiten op de medische stukken vermelde controleafspraken en de berekening voor zover deze daarvan afwijkt betwist. De verdediging erkent de schadepost eigen risico.
Gelet op (i) het feit dat het hematoom binnen twee dagen evident is afgenomen, (ii) de gebrekkig onafhankelijke vaststelling van duurzaam cognitief letsel, (iii) de onvoldoende onderbouwde causaliteit van de posttraumatische stressstoornis (PTSS), (iv) de schending van de schadebeperkingsplicht en (v) de niet-onderbouwde cumulatie en opzet-verhoging, heeft de raadsman een toewijzing van het smartengeld bepleit tot een bedrag van maximaal
€ 7.500,-. De raadsman heeft ook verzocht de proceskosten te compenseren, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen kostenveroordeling uit te spreken.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ]
De raadsman heeft gelet op de bepleite vrijspraak primair verzocht de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen. De raadsman heeft subsidiair afwijzing dan wel forse matiging van het toe te wijzen bedrag van de vordering bepleit, nu de gestelde schade niet het gevolg is van de beweerlijke vrijheidsberoving. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van lichamelijk letsel noch van objectief vastgesteld psychisch letsel.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij [Aangeefster]
Op de verdachte rust een wettelijke verplichting tot schadevergoeding om degene aan wie hij rechtstreeks schade heeft toegebracht door zijn strafbare handelen. Hij is daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. De wet omlijnt deze schadevergoedingsplicht in artikel 6:95 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij strekt tot vergoeding van ‘vermogensschade’ (materiële schade) en van ‘ander nadeel dan vermogensschade’ (immateriële schade).
Materiële schade
Gederfde inkomsten, studievertraging, toekomstige schade en huishoudelijke hulp
De rechtbank is in het licht van de gemotiveerde betwisting door de verdediging van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd hoe de posten gederfde inkomsten, studievertraging, toekomstige schade en huishoudelijke hulp zijn aan te merken als rechtstreekse schade van het bewezenverklaarde feit. Nu het bieden van gelegenheid tot een nadere toelichting tot een onevenredige belasting van het strafgeding zou leiden, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet in de vordering van deze posten kan worden ontvangen. De benadeelde kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Kleding, ziekenhuisdaggeldvergoeding, reiskosten en eigen risico
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 BW, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De posten kleding (€ 150,-), reiskosten (€ 478,89) en eigen risico (€ 385,-) zijn door de verdediging niet weersproken. Nu de gevorderde bedragen de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomen, acht de rechtbank deze posten toewijsbaar.
In de Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding is gekozen voor een vast bedrag van € 38,00 per dag bij opname in een ziekenhuis. De daggeldvergoeding is bedoeld ter dekking van kosten van de aanschaf van bed- en/of ziekenhuiskleding en kosten om het tijdelijk verblijf in het ziekenhuis te veraangenamen. De verdachte heeft 20 dagen in het ziekenhuis gelegen en daarom acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 760,- (20 x € 38,-) toewijsbaar.
Immateriële schade
De wet regelt in artikel 6:106 BW de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 lid 1 BW komt in de volgende gevallen (samengevat) vergoeding van ander nadeel in aanmerking:
wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart);
ij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze;
bij aantasting van de nagedachtenis van de overledene.
De benadeelde partij baseert zijn vordering op het bepaalde in artikel 6:106 sub b BW. De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel opgelopen. Reeds om die reden kan de benadeelde aanspraak maken op smartengeld. Daarnaast heeft de benadeelde last van psychische klachten, waaronder angstklachten, slaapproblemen en psychosomatische klachten. De benadeelde is bij de GZ-psycholoog geweest en heeft de diagnose PTSS gesteld en EMDR-behandeling geadviseerd.
Op grond van de onderbouwing van de schade en hetgeen ter terechtzitting namens de benadeelde partij naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade gedeeltelijk kan worden toegewezen. Mede gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegewezen en bij de huidige onderbouwing, acht de rechtbank in dit geval een bedrag van € 15.000,- billijk. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade daarom gedeeltelijk toewijzen. Ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Hoofdelijkheid
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededaders (groepsaansprakelijkheid) aansprakelijk voor deze schade.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ]
Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 2;
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
Voorlopige hechtenis
- heft op het (reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;
De benadeelde partij [Aangeefster] (t.a.v. feit 1 primair):
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 16.773,89. Voormeld bedrag bestaat uit € 1.773,89 materiële schade en
€ 15.000,00 immateriële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
De benadeelde partij [slachtoffer ] (t.a.v. feit 2):
- bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Beije, voorzitter, mr. S.L.M. van Venrooij en mr. K. Mestrom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P.W.E. Bekkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juni 2026.
Buiten staat
Mr. K. Mestrom is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na toegestane wijziging – ten laste gelegd dat
T.a.v. feit 1 primair:
hij in of omstreeks de periode van 11 januari 2025 tot en met 12 januari 2025 te Reuver, in de gemeente Beesel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen aan [Aangeefster] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenbloedingen, een gebroken kaak, een gebroken neus, (af)gebroken tanden en/of een breuk (fractuur) (in de bodem) van de (linker)oogkas en/of een verzakking van de (onderste rechte) oogspier heeft toegebracht door
- meermaals, althans eenmaal (met een vuist) tegen het hoofd en/of gezicht, althans tegen het lichaam te slaan, en/of
- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en/of gezicht, althans tegen het lichaam te schoppen en/of trappen, en/of
- meermaals, althans eenmaal een knietje tegen het hoofd en/of het gezicht, althans tegen het lichaam te geven, en/of
- meermaals, althans eenmaal een kopstoot te geven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 11 januari 2025 tot en met 12 januari 2025 te Reuver, in de gemeente Beesel, openlijk, te weten op/aan de [adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [Aangeefster] , door- meermaals, althans eenmaal (met een vuist) tegen het hoofd en/of gezicht, althans tegen het lichaam slaan, en/of- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en/of gezicht, althans tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen, en/of- meermaals, althans eenmaal een knietje tegen het hoofd en/of het gezicht, althans tegen het lichaam te geven, en/of- meermaals, althans eenmaal een kopstoot te geven, heeft toegebrachtterwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten hersenbloedingen, een gebroken kaak, een gebroken neus, (af)gebroken tanden en/of een verbrijzelde oogkas voor die [Aangeefster] tegen gevolge heeft gehad;
T.a.v. feit 2:
hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 12 januari 2025 te Venlo en/of Reuver (in de gemeente Beesel), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk [slachtoffer ] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
- die [slachtoffer ] te achtervolgen, en/of
- ( vervolgens) die [slachtoffer ] de weg af te snijden en/of klem te rijden, en/of
- ( vervolgens) meerdere malen aan de deur van de auto van die [slachtoffer ] te trekken, en/of
- ( vervolgens) de sleutels van die [slachtoffer ] af te pakken, en/of
- ( vervolgens) in de auto van die [slachtoffer ] te stappen, en/of
- ( vervolgens) tegen de deur van de auto van die [slachtoffer ] aan gaan staan waardoor die [slachtoffer ] niet uit de auto kon stappen en/of die [slachtoffer ] tegen te houden, en/of
- ( vervolgens) de polsen van die [slachtoffer ] vast te pakken om te voorkomen dat die [slachtoffer ] kon uitstappen en/of te zeggen dat die [slachtoffer ] rustig moet blijven, en/of
- ( vervolgens) de deur van de auto van die [slachtoffer ] dicht te houden, en/of
- ( vervolgens) die [slachtoffer ] bij haar keel vast te pakken en/of dicht te knijpen, en/of
- ( vervolgens) die [slachtoffer ] naar een woning te brengen en/of te laten rijden, en/of
- ( vervolgens) die [slachtoffer ] te dwingen in deze woning te verblijven;