RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.017581.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 juni 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2001,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. P.B.A. Acda, advocaat kantoorhoudende te Roermond.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 mei 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De slachtoffers [slachtoffer] en [aangeefster] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. Deze zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.016947.25 en [medeverdachte 2] met het parketnummer 03.017182.25.
2. De tenlastelegging
De – ter terechtzitting gewijzigde – tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1: in de periode van 11 januari 2025 tot en met 12 januari 2025 [slachtoffer] samen met anderen met voorbedachten rade zwaar heeft mishandeld (primair), dan wel deel uit heeft gemaakt van een groep die geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] (subsidiair);
Feit 2: op een of meer tijdstippen op 12 januari 2025 [aangeefster] samen met anderen van haar vrijheid heeft beroofd.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair tenlastegelegde feit en heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangever [slachtoffer] geloofwaardig en betrouwbaar is en steun vindt in de verklaring van [aangeefster] , de bevindingen over de locatiegegevens van de telefoons en de verklaringen van verdachten, waarin zij zichzelf op de plaats delict plaatsen. De ter zitting afgelegde getuigenverklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dienen ter zijde te worden geschoven. De afgelegen plek waar de verdachten [slachtoffer] naartoe hebben gelokt in combinatie met het – zonder dat [slachtoffer] daar aanleiding toe gaf – vrijwel direct gebezigde geweld én de gezamenlijke voortzetting van dat geweld tegen [slachtoffer] , maakt dat de voorbedachten rade bewezen kan worden. Het letsel dat [slachtoffer] heeft bekomen, is in de visie van het Openbaar Ministerie te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel gezien de combinatie van breuken en nu operatief ingrijpen noodzakelijk was om in ieder geval de verzakking van de oogspier te corrigeren om dubbelzien te herstellen en de genezingsduur meerdere weken was.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde feit en heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster [aangeefster] consistent, concreet en gedetailleerd is en steun vindt in de verklaring van [slachtoffer] , de bevindingen over de telefoongegevens, de verklaringen van de verdachten, waarin zij in de kern de feitelijke gang van zaken bevestigen, en de verklaring van de taxichauffeur die [aangeefster] naar het ziekenhuis heeft gebracht. De aard en duur van het handelen van de verdachten leveren het wederrechtelijk beroven van de vrijheid van [aangeefster] op. De verdachten hebben zich onmiskenbaar uiterst dwingend gedragen en hadden met hun handelen (tijdelijk) controle over het doen en laten van [aangeefster] . Dat de vrijheidsbeneming van relatief korte duur is geweest, doet hieraan niet af.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 primair vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat enig objectief bewijs voor een aandeel van de verdachte in de mishandeling in het dossier ontbreekt. Het enige dat objectief kan worden vastgesteld is dat verdachte op de plaats delict gebracht kan worden vanuit de telecomgegevens en dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de zware mishandeling. De verklaring van aangever bij de rechter-commissaris over de ‘rol’ van verdachte wijkt bovendien af van zijn eerste verklaringen bij de politie. De verdediging acht deze verklaring daarom niet betrouwbaar. Het dossier bevat ook geen objectief bewijs ter ondersteuning van een voorbedachte rade vanuit de verdachten om het slachtoffer te mishandelen.
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 subsidiair vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat er sprake dient te zijn van een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld. De verdachte ontkent stellig enig aandeel bij de mishandeling. De getuigen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat de verdachte er pas bij is gekomen nadat de mishandeling al had plaatsgevonden en dat de verdachte eerder geen wetenschap c.q. iets gezien heeft van die mishandeling. Aangever [slachtoffer] heeft bovendien op geen enkel moment uit zichzelf aangegeven dat verdachte geweld heeft gebruikt, terwijl hij wel heeft verklaard over voor hem onbekenden die hem zouden hebben geslagen. Dat aangever [slachtoffer] later bij de rechter-commissaris desgevraagd heeft verklaard dat verdachte hem heeft vastgehouden is daarom treffend voor de onbetrouwbaarheid van die verklaring.
De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat in het dossier de verklaring van [aangeefster] als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt en er ook geen ander objectief bewijs voorhanden is dat het scenario van [aangeefster] ondersteunt. De verklaring van de verdachte en de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] maken duidelijk dat de feiten anders hebben plaatsgevonden.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1 primair
Vrijspraak
Vaststaat dat aangever [slachtoffer] in de nacht van 11 en 12 januari 2025 is mishandeld en daarbij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij vooral is mishandeld door medeverdachte [medeverdachte 1] , dat medeverdachte [medeverdachte 2] hem ook in zijn gezicht heeft geslagen en dat de verdachte hem heeft vastgehouden.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat de verdachte opzet had – ook niet in voorwaardelijke zin – op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever. Reeds hierom kan de tenlastegelegde zware mishandeling niet bewezen worden verklaard, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Feit 1 subsidiair
Bewijsmiddelen
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 januari 2025 van [slachtoffer] , voor zover inhoudende:
Ik doe aangifte van poging moord en/of poging doodslag en/of zware mishandeling en/of openlijke geweldpleging tegen acht personen in totaal. Eén van deze personen is de broer van mijn verloofde, genaamd [medeverdachte 1] . De neef van [medeverdachte 1] was er ook bij, hij is genaamd [medeverdachte 2] . Ik weet dat er ook een ‘ [verdachte] ’ bij was en een jongen die ze ‘ [naam 1] ’ noemen. De andere vier jongens ken ik niet.
Afgelopen vrijdag 10 januari 2025 kreeg ik een Snapchat bericht van [medeverdachte 1] dat hij hulp nodig had. [medeverdachte 1] zei uiteindelijk dat hij zaterdag zou laten weten wanneer we erover zouden gaan praten. In de avond van 11 januari 2025 was ik thuis met mijn vader en moeder. Toen kreeg ik een bericht van [medeverdachte 1] dat hij wilde afspreken. Hij stuurde mij de locatie door. Ik moest naar Reuver rijden. De locatie betrof een donkere plek langs de snelweg. Het was op de Broekweg. Terwijl ik naar deze locatie reed was ik met [medeverdachte 1] aan het bellen via Snapchat. Tijdens het gesprek was [medeverdachte 1] heel normaal. Ik hoorde dat [medeverdachte 2] , de neef van [medeverdachte 1] , ook erbij was.
Ik kwam daar aan en zag zijn auto staan. Ik zag dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de auto zaten. [medeverdachte 1] achter het stuur en [medeverdachte 2] als bijrijder. Ik ging bij hun in de auto zitten, op de achterbank in het midden. [medeverdachte 1] vroeg om een aansteker en ik wist dat ik er eentje in mijn auto had liggen. Ik stapte weer uit en pakte een aansteker uit mijn auto. Ik ging weer in de auto zitten en gaf de aansteker aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] stak de joint niet aan, maar stapte uit en liep naar de bijrijderszijde. Mijn deur was op dat moment open en ik zag dat [medeverdachte 1] in de auto leunde en daarbij met zijn knieën tegen de achterbank steunde. [medeverdachte 1] keek mij recht in de ogen aan en ik hoorde dat hij zei: “Ik hoorde dat jij mijn zusje doet slaan.”. Ik vroeg aan hem: “Wat zeg jij allemaal? Dat klopt niet.”. Daarna zag en voelde ik dat [medeverdachte 1] mij met zijn rechtervuist met veel kracht sloeg en dat hij mij raakte tegen mij linkeroog. [medeverdachte 2] was uitgestapt en schold mij uit. Hij zei in het Arabisch tegen mij: “Hoerenzoon!”. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] trokken mij uit de auto.
Op het moment dat ik uit de auto getrokken werd zag ik dat er twee auto’s kwamen aanrijden, van allebei de kanten. Ik kon daardoor niet meer weg. Ik zag dat er in totaal 6 of 7 mannen uit de auto stapten. Uit een auto stapten 3 mannen. Uit de andere auto 3 of 4 mannen. Eén van de auto’s was een Renault. Dat is de auto die mij later achtervolgd heeft tot Venlo.
Toen ik uit de auto was, viel ik eerst bijna voorover. Toen pakte [medeverdachte 1] mij vast en trok mij naar de grond. [medeverdachte 1] bleef mij slaan tegen mijn hoofd en gezicht. Hij is niet gestopt met slaan. Hij sloeg continu met zijn vuisten. Toen ik op de grond lag heeft hij mij ook getrapt met zijn voeten. [medeverdachte 1] gaf mij ook kopstoten en knietjes. Hij heeft mij over het hele lichaam geraakt, maar bijna alle klappen, stoten en knietjes kwamen tegen mijn hoofd en gezicht. Ik zag, merkte en voelde dat er bloed uit mijn oren en gezicht kwam.
[medeverdachte 2] heeft mij ook geslagen. Ik hoorde dat [medeverdachte 1] zei: “Hij is van mij”. Hij bedoelde daarmee dat [medeverdachte 1] mij alleen wilde slaan. Anderen mochten mij niet slaan. De andere mannen die later kwamen aanrijden hebben mij ook mishandeld. Ik heb meerdere klappen van verschillende mensen gevoeld. Ik weet 1000 procent zeker dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] mij geslagen hebben. Van de andere mannen weet ik niet meer wie mij precies geslagen heeft.
Wat ik in ieder geval heel overtuigend weet is dat [medeverdachte 1] degene was die mij het vaakste geslagen, geschopt en getrapt heeft. [medeverdachte 1] heeft mij non-stop geslagen. Hij ging aan een stuk door. [medeverdachte 2] heeft mij dus ook zeker geslagen, ook tegen mijn hoofd. Ik heb tussendoor gehoord dat iemand zei dat [medeverdachte 1] moet stoppen. Ik weet niet wie dit gezegd heeft. Mijn gezicht was helemaal opgezwollen. Mijn zicht was weg en af en toe wazig. Alle geluiden hoorde ik heel ver weg. Ik was helemaal van de wereld.
Daarna gingen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wegvluchten met de auto van [medeverdachte 1] . Toen bleef ik daar achter met de rest. Ik hoorde dat [verdachte] aan mij vroeg of ik mijn verloofde echt geslagen had. Ik heb gezegd dat dit niet zo was en dat ik haar nooit geslagen heb. [verdachte] zei tegen mij dat ik moest stoppen met liegen en dat hij alles al wist. Daarna is [verdachte] naar de andere jongens gelopen. Ik ben achteruit gereden en weggereden. Dat rijden ging heel moeilijk. Ik zag bijna niks.
Het proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris, voor zover inhoudende:
Wat was de rol van [medeverdachte 2] ?
Hij heeft mij geslagen en hij heeft mij vastgegrepen, samen met [verdachte] . Ook de andere jongens hadden mij vast. [medeverdachte 1] bleef doorgaan met slaan. [medeverdachte 1] heeft het meeste gedaan. Ik kon wel voelen dat ik ook door anderen werd geslagen. Behalve [medeverdachte 2] en [verdachte] kende ik niemand van die groep. Ik kon ook bijna niks zien.
Zijn er anderen geweest die iets zeiden tegen jou?
[verdachte] zei dat ik een leugenaar was. Dat [naam 2] voor hem net een zusje was. Op het einde spuugde [medeverdachte 1] op mij. [medeverdachte 1] zei: je mag blij zijn dat ik geen mensen heb gestuurd uit Frankrijk om je dood te schieten. [medeverdachte 2] zei niks.
Kende u [verdachte] voorafgaand aan dit incident?
Nee. Mijn vrouw heeft wel over hem verteld. Ik heb een foto van hem gezien op Facebook. Ze zei: dat is de beste vriend van mijn broer. Ik wist dat al voor het incident. Ik herkende hem tijdens het incident. Ze riepen elkaar ook met namen. Er was niks te verbergen.
[medeverdachte 2] heeft u in het begin ook geslagen?
Ja. In het gezicht. 2 of 3 keer.
Waar was [medeverdachte 1] toen?
Ook naast hem. Ze stonden met z’n tweeën tegenover mij. Hij sloeg mij ook.
Je zei ook iets over het slaan van [verdachte] ?
[medeverdachte 2] sloeg mij in het begin. [verdachte] heeft mij vastgehouden, dat weet ik 100% zeker.
Of hij mij geslagen heeft, weet ik niet meer zeker.
De forensisch medische letselrapportage van [slachtoffer] , voor zover inhoudende :
Betrokkene: dhr. [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .
Datum incident: 11 januari 2025
Datum onderzoek: 14 januari 2025.
Conclusie. Er is sprake van bloeduitstortingen van beide ogen, van het hoofd, het gelaat en de linker hand, van kras- en schaafverwondingen van de rechter borst en linker hand, een breuk van de oogkas aan de linkerzijde met een afwijkende stand van de oogbol waarvoor een operatie nodig was. Daarnaast is er sprake van een traumatische bloeding tussen de hersenvliezen waarbij betrokkene op moment van ontslag uit het ziekenhuis nog licht- en geluidschuwheid ervoer en er sprak was van cognitieve problemen waaronder verminderde mentale belastbaarheid.
Bewijsoverweging
Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat de aangever in de nacht tussen 11 en 12 januari 2025 is mishandeld en daarbij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Aangever [slachtoffer] heeft over [medeverdachte 1] verklaard dat hij hem het vaakst en non-stop heeft geslagen, over [medeverdachte 2] dat hij hem in het begin twee of drie keer in zijn gezicht heeft geslagen en dat er nog andere mannen bij betrokken waren, waarvan sommigen hem ook hebben geslagen. Aangever [slachtoffer] heeft ook verklaard dat de verdachte één van die andere aanwezige mannen was en hij weet zeker dat verdachte hem heeft vastgehouden.
Voor een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging is vereist dat er openlijk en met verenigde krachten geweld is gepleegd tegen personen of goederen. Enig resultaat is vereist. Niet is vereist dat de dader zelf geweld heeft gepleegd. Het gebruik van ‘in vereniging’ geeft aan de voldoende is dat wordt bewezen dat betrokkene opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. In dit geval is de dader ook strafrechtelijk aansprakelijk voor het niet door hemzelf gepleegde, in de tenlastelegging vermelde, geweld.
Naast de verklaringen van de aangever en de letselrapportage zijn er geen objectieve bewijsmiddelen aanwezig, die het scenario van aangever (dat verdachte bij de geweldpleging betrokken was en hem in ieder geval heeft vastgehouden) dan wel het scenario van verdachte (dat hij er niet bij betrokken was) kunnen ondersteunen. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is welke verklaring zij aannemelijk en betrouwbaar acht.
De rechtbank acht de verklaringen van aangever [slachtoffer] geloofwaardig en betrouwbaar, nu hij op essentiële onderdelen gedetailleerd, consistent en concreet heeft verklaard over hetgeen hem is overkomen. Hij is voornamelijk mishandeld door medeverdachte [medeverdachte 1] , medeverdachte [medeverdachte 2] heeft hem in zijn gezicht geslagen, er waren nog andere mannen bij betrokken, waarvan sommigen hem ook hebben geslagen. De verdachte was daar één van en heeft hem tijdens die mishandeling in ieder geval vastgehouden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verklaringen van aangever in twijfel te trekken en zal hier dan ook vanuit gaan bij de vaststelling van wat er die avond is gebeurd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte daarmee een voldoende significante of wezenlijke bijdrage geleverd aan de openlijk geweld gepleegd tegen [slachtoffer] . De rechtbank acht dan ook het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Vrijspraak
Aangeefster [aangeefster] heeft meerdere verklaringen afgelegd, namelijk op 13 en 14 januari 2025 bij de politie en op 6 november 2025 bij de rechter-commissaris.
De rechtbank stelt vast dat aangeefster sterk wisselende verklaringen omtrent het hele verloop heeft afgelegd. Met name ten aanzien van essentiële onderdelen lopen haar verklaringen uiteen: dat er wel of niet aan de deur van haar auto werd getrokken, op welk moment haar sleutels zijn afgepakt en door wie, of ze wel of niet bij haar keel is vastgepakt en door wie en hoe ze precies werd gedwongen om in de woning te blijven.
Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van aangeefster onvoldoende betrouwbaar om als uitgangspunt te dienen voor de vaststelling van de feiten. Nu dit de kern van het verwijt betreft kan de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen wat er zich heeft afgespeeld. Daarom acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit feit heeft begaan en zal de verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
T.a.v. feit 1 subsidiair:
in de periode van 11 januari 2025 tot en met 12 januari 2025 te Reuver, in de gemeente Beesel, openlijk, te weten op/aan de [adres 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door
- meermaals (met een vuist) tegen het hoofd en/of gezicht, althans tegen het lichaam slaan, en/of
- meermaals tegen het hoofd en/of gezicht, althans tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen, en/of
- meermaals een knietje tegen het hoofd en/of het gezicht, althans tegen het lichaam te geven, en/of
- meermaals een kopstoot te geven;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
T.a.v. feit 1 subsidiair:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd een artikel 38v-maatregel op te leggen met een contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod voor de woonplaats van de slachtoffers in Duitsland; bij elke overtreding van de maatregel één maand hechtenis met een maximum van zes maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de betrekkelijk kleine rol die verdachte zou hebben gehad. De raadsman heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer op te leggen, maar enkel nog een voorwaardelijke strafmodaliteit te kiezen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft bij de confrontatie tussen aangever [slachtoffer] en medeverdachte [medeverdachte 1] een bijdrage geleverd aan het geweld dat tegenover aangever is geuit, door hem in ieder geval vast te houden. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] . [medeverdachte 1] heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit de slachtofferverklaring is gebleken dat het leven van [slachtoffer] door het extreme geweld – vooral door toedoen van de medeverdachte [medeverdachte 1] – volledig is veranderd en dat hij nog dagelijks klachten ervaart. De verdachte heeft hier echter met zijn handelen ook een bijdrage aan geleverd. Openlijke geweldpleging is een ernstig strafbaar feit dat niet alleen inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer, zijn familie en in de gehele samenleving veroorzaakt. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan een situatie die voor het slachtoffer bijzonder dreigend en intimiderend is geweest. Dat neemt de rechtbank de verdachte kwalijk.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. De rechtbank heeft ook acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 6 augustus 2025 en 4 mei 2026. Daaruit blijkt onder meer dat verdachte bij zijn ouders woont, dat hij werkt als zelfstandig zorgverlener binnen de jeugdhulp, dat hij geen schulden heeft, dat er geen signalen zijn van middelenproblematiek en dat er bij de politie geen aanwijzingen bekend zijn dat verdachte zich in een negatief sociaal netwerk begeeft. De reclassering kan het risico op recidive niet inschatten. Bij een veroordeling acht de reclassering het wenselijk dat er een delict-analyse plaatsvindt, zodat – indien nodig – gerichte behandeling kan worden ingezet. Gezien de ernst van de verdenking en omdat de risico’s niet kunnen worden ingeschat, acht de reclassering uit slachtofferbelang een reclasseringstoezicht geïndiceerd. Zij adviseren een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling en contactverbod met slachtoffers.
De rechtbank heeft acht geslagen op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank heeft gelet op de oriëntatiepunten voor openlijke geweldpleging, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend én openlijke geweldpleging, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende. Deze oriëntatiepunten gaan respectievelijk uit van een taakstraf voor de duur van 150 uren en een gevangenisstraf van 6 maanden. Dit vormt de bandbreedte waarin de rechtbank de straf heeft bepaald. De verdachte heeft een geringer aandeel gehad in het geweld dan [medeverdachte 1] en ook een geringer aandeel dan [medeverdachte 2] . Bovendien heeft hij er níet voor gezorgd dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft wel een bijdrage geleverd aan het openlijke geweld en heeft het slachtoffer daarna aan zijn lot overgelaten.
De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met aftrek van voorarrest passend en geboden. Dat betekent dat de verdachte zijn straf al heeft uitgezeten en niet meer terug naar de gevangenis hoeft. De rechtbank ziet daarnaast gelet op het voorgaande geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid (artikel 38v Sr) op te leggen.
7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vorderingen van de benadeelde partijen
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij vordert na vermindering van eis ter terechtzitting schadevergoeding tot een bedrag van € 74.651,32.
Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
ziekenhuisdaggeldvergoeding: € 760,-;
huishoudelijke hulp: € 2.796,-;
reiskosten revalidatie: € 478,89;
medische kosten (eigen risico): € 385,-;
kleding: € 150,-;
gederfde inkomsten: € 13.481,43;
studievertraging: € 21.600,-;
toekomstige medische schade: € 5.000,-;
immateriële schade: € 30.000,-
De benadeelde heeft verzocht om de vordering hoofdelijk toe te wijzen, vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij [aangeefster]
De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade. De benadeelde heeft verzocht om de vordering hoofdelijk toe te wijzen, vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
In de visie van het Openbaar Ministerie komt de vordering voor volledige toewijzing in aanmerking, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De onderbouwing is deugdelijk en met stukken: [slachtoffer] had deze kosten niet gehad als hij die avond/nacht met rust was gelaten. Het toe te wijzen bedrag dient hoofdelijk te worden opgelegd.
De vordering van de benadeelde partij [aangeefster]
In de visie van het Openbaar Ministerie komt de vordering voor volledige toewijzing in aanmerking, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De onderbouwing is deugdelijk en met stukken: [aangeefster] had deze kosten niet gehad als zij die avond/nacht met rust was gelaten. Het toe te wijzen bedrag dient hoofdelijk te worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij een complexe vordering op een zeer laat moment heeft ingediend. Binnen een civiele procedure zouden er vragen ten aanzien van het schulddeel opkomen. Vastgesteld kan immers worden dat de verdachte – bij een veroordeling – een wezenlijke andere rol heeft gehad dan de andere verdachten. Toepassing van een hoofdelijke aansprakelijkheid zou de verdachte dan aanzienlijk benadelen. Vanuit de benadeelde partij is hierin geen differentiatie aangebracht, hetgeen binnen een civiele procedure discussie zou zijn geweest. De raadsman verzoekt daartoe de vordering van de benadeelde partij integraal af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de posten studievertraging, toekomstige kosten en huishoudelijke hulp af te wijzen, nu deze posten onvoldoende onderbouwd zijn en voor de overige materiële posten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De vordering van de benadeelde partij [aangeefster]
De raadsman heeft aangevoerd dat de schade niet rechtstreeks te koppelen is met feit 2 en heeft verzocht de vordering integraal af te wijzen dan wel de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Op de verdachte rust een wettelijke verplichting tot schadevergoeding om degene aan wie hij rechtstreeks schade heeft toegebracht door zijn strafbare handelen. Hij is daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. De wet omlijnt deze schadevergoedingsplicht in artikel 6:95 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij strekt tot vergoeding van ‘vermogensschade’ (materiële schade) en van ‘ander nadeel dan vermogensschade’ (immateriële schade).
Materiële schade
Gederfde inkomsten, studievertraging, toekomstige schade en huishoudelijke hulp
De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de gemotiveerde betwisting door de verdediging onvoldoende is onderbouwd hoe de posten gederfde inkomsten, studievertraging, toekomstige schade en huishoudelijke hulp zijn aan te merken als rechtstreekse schade van het bewezenverklaarde feit. Nu het bieden van gelegenheid tot een nadere toelichting tot een onevenredige belasting van het strafgeding zou leiden is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet in de vordering van deze posten kan worden ontvangen. De benadeelde kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Kleding, ziekenhuisdaggeldvergoeding, reiskosten en eigen risico
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 BW, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De posten kleding (€ 150,-), ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 760,-), reiskosten (€ 478,89) en eigen risico (€ 385,-) zijn door de verdediging niet weersproken. Nu de gevorderde bedragen de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomen, acht de rechtbank deze posten toewijsbaar.
Immateriële schade
De wet regelt in artikel 6:106 BW de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 lid 1 BW komt in de volgende gevallen (samengevat) vergoeding van ander nadeel in aanmerking:
wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart);
ij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze;
bij aantasting van de nagedachtenis van de overledene.
De benadeelde partij baseert zijn vordering op het bepaalde in artikel 6:106 sub b BW. De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel opgelopen. Reeds om die reden kan de benadeelde aanspraak maken op smartengeld. Daarnaast heeft de benadeelde last van psychische klachten, waaronder angstklachten, slaapproblemen en psychosomatische klachten. De benadeelde is bij de GZ-psycholoog geweest en heeft de diagnose PTSS gesteld en EMDR-behandeling geadviseerd.
Op grond van de onderbouwing van de schade en hetgeen ter terechtzitting namens de benadeelde partij naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade gedeeltelijk kan worden toegewezen. Mede gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegewezen en bij de huidige onderbouwing, acht de rechtbank in dit geval een bedrag van € 15.000,- billijk. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade daarom gedeeltelijk toewijzen. Ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen
Hoofdelijkheid
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededaders (groepsaansprakelijkheid) aansprakelijk voor deze schade. Voor zover verdachte van mening is dat hij een geringer aandeel heeft in de ontstane schade dan een van zijn mededaders staat daarvoor het regresrecht ex artikel 6:10 van het BW open.
De vordering van de benadeelde partij [aangeefster]
Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1 primair en feit 2;
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
Voorlopige hechtenis
- heft op het (reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;
De benadeelde partij [slachtoffer] (t.a.v. feit 1 subsidiair):
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 16.773,89. Voormeld bedrag bestaat uit € 1.773,89 materiële schade en
€ 15.000,00 immateriële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
De benadeelde partij [aangeefster] (t.a.v. feit 2):
- bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Beije, voorzitter, mr. S.L.M. van Venrooij en mr. K. Mestrom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P.W.E. Bekkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juni 2026.
Buiten staat
Mr. K. Mestrom is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte – na toegestane wijziging – is ten laste gelegd dat
T.a.v. feit 1 primair:
hij in of omstreeks de periode van 11 januari 2025 tot en met 12 januari 2025 te Reuver, in de gemeente Beesel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenbloedingen, een gebroken kaak, een gebroken neus, (af)gebroken tanden en/of een breuk (fractuur) (in de bodem) van de (linker)oogkas en/of een verzakking van de (onderste rechte) oogspier heeft toegebracht door
- meermaals, althans eenmaal (met een vuist) tegen het hoofd en/of gezicht, althans tegen het lichaam te slaan, en/of
- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en/of gezicht, althans tegen het lichaam te schoppen en/of trappen, en/of
- meermaals, althans eenmaal een knietje tegen het hoofd en/of het gezicht, althans tegen het lichaam te geven, en/of
- meermaals, althans eenmaal een kopstoot te geven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 11 januari 2025 tot en met 12 januari 2025 te Reuver, in de gemeente Beesel, openlijk, te weten op/aan de [adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door
- meermaals, althans eenmaal (met een vuist) tegen het hoofd en/of gezicht, althans tegen het lichaam slaan, en/of
- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en/of gezicht, althans tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen, en/of
- meermaals, althans eenmaal een knietje tegen het hoofd en/of het gezicht, althans tegen het lichaam te geven, en/of
- meermaals, althans eenmaal een kopstoot te geven;
T.a.v. feit 2:
hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 12 januari 2025 te Venlo en/of Reuver (in de gemeente Beesel) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk [aangeefster] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
- die Belgham te achtervolgen, en/of
- ( vervolgens) die [aangeefster] de weg af te snijden en/of klem te rijden, en/of
- ( vervolgens) meerdere malen aan de deur van de auto van die [aangeefster] te trekken, en/of
- ( vervolgens) de sleutels van die [aangeefster] af te pakken, en/of
- ( vervolgens) in de auto van die [aangeefster] te stappen, en/of
- ( vervolgens) tegen de deur van de auto van die [aangeefster] aan gaan staan waardoor die [aangeefster] niet uit de auto kon stappen en/of die [aangeefster] tegen te houden, en/of
- ( vervolgens) de polsen van die [aangeefster] vast te pakken om te voorkomen dat die [aangeefster] kon uitstappen en/of te zeggen dat die [aangeefster] rustig moet blijven, en/of
- ( vervolgens) de deur van de auto van die [aangeefster] dicht te houden, en/of
- ( vervolgens) die [aangeefster] bij haar keel vast te pakken en/of dicht te knijpen, en/of
- ( vervolgens) die [aangeefster] naar een woning te brengen en/of te laten rijden, en/of
- ( vervolgens) die [aangeefster] te dwingen in deze woning te verblijven;