RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de Minister van Justitie en Veiligheid
Samenvatting
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/2313
(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
en
(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).
1. Deze uitspraak gaat over de weigering om aan eiser een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit te verlenen. Eiser is het niet eens met de weigering en voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de weigering.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de weigering niet onevenredig is. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 11 maart 2025 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit. De korpschef heeft deze aanvraag met het besluit van 2 juni 2025 geweigerd.
Eiser heeft hiertegen administratief beroep ingesteld bij de minister van Justitie en Veiligheid. Met het besluit van 21 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het administratief beroep ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
3. Eiser heeft op 11 maart 2025 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit. De korpschef heeft besloten om de aanvraag te weigeren omdat uit de politiesystemen is gebleken dat eiser op 15 december 2023 een auto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van alcohol. Uit het proces-verbaal dat in dit verband is opgemaakt, blijkt dat de uitslag van de ademanalyse 380 ug/l bedroeg. Dat gehalte ligt hoger dan de toegestane 220 ug/l. Op 5 februari 2024 heeft de officier van justitie eiser ter zake een strafbeschikking aangeboden in de vorm van een geldboete en het moeten volgen van een cursus. Eiser heeft dit aanvaard, de boete betaald en de cursus gevolgd.
De minister heeft overwogen dat het rijden onder invloed van alcohol als een ernstige aantasting van de rechtsorde wordt beschouwd en dat de korpschef zich om die reden in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat wapens en munitie niet aan eiser kunnen worden toevertrouwd.
Is de weigering van de omgevingsvergunning evenredig?
4. Eiser betwist niet dat sprake is van vrees voor misbruik, maar stelt dat de korpschef in de omstandigheden van dit geval had moeten volstaan met een waarschuwing. Daartoe verwijst eiser naar twee uitspraken. Daarnaast wijst eiser op zijn persoonlijke omstandigheden. Hij beschikt al vijftig jaar over een rijbewijs, heeft een blanco strafblad, is al 45 jaar in dienst bij dezelfde werkgever en heeft de cursus ‘Educatieve Maatregel Alcohol’ met succes afgerond. Volgens eiser volgt uit deze omstandigheden, bezien in samenhang met de door hem aangehaalde uitspraken, dat in dit geval had moeten worden volstaan met een waarschuwing.
5. Omdat eiser niet betwist dat in zijn geval sprake is van vrees voor misbruik, beperkt het geschil zich tot de vraag of de minister, gelet op de door eiser aangevoerde omstandigheden, had moeten volstaan met een waarschuwing in plaats van de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren.
6. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Een waarschuwing wordt gebruikt in het kader van handhaving of voorafgaand aan een belastend besluit (zoals intrekking van een vergunning) waarbij een bestaande rechtspositie wordt aangetast. Bij een aanvraag is dit anders. Dan is er nog geen verleende vergunning en dus ook geen bestaande rechtspositie die door een waarschuwing (voorlopig) in stand kan worden gelaten. Er is dan ook nog geen situatie van handhaving tegen een overtreding van vergunningvoorschriften of als middel om misbruik te voorkomen, maar uitsluitend de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend. In dat kader dient uitsluitend te worden beoordeeld of de aanvrager van de bevoegdheid een wapen en/of munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen of van hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van populaties van in het wild levende dieren of het bestrijden van schadeveroorzakende dieren, misbruik zal maken of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen. Indien daarvan geen sprake is, komt de vergunning voor verlening in aanmerking. Indien daarvan wel sprake is, dient de vergunning te worden geweigerd. Omdat bij een aanvraag de vergunning of wordt verleend of wordt geweigerd, kan niet worden “volstaan” met een waarschuwing als alternatief voor een weigering. De door eiser aangehaalde uitspraken bevestigen het onderscheid dat de rechtbank hiervoor heeft gemaakt. In beide zaken ging het om intrekking van een verleende vergunning en dus om een situatie waarin handhavend werd opgetreden. In dat geval kan een waarschuwing, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, wel een alternatief zijn. Deze zaken zijn daarom niet vergelijkbaar met de zaak die hier voorligt en maken het oordeel van de rechtbank daarom niet anders. Ook de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. Als eenmaal vrees voor misbruik is ontstaan, kan die vrees niet worden weggenomen door andere positieve omstandigheden. Dat eiser al lang een rijbewijs heeft zonder problemen, al jarenlang werkt bij dezelfde werkgever en een cursus met succes heeft gevolgd, is op zichzelf positief. Maar deze omstandigheden veranderen niet dat in dit geval geen ruimte is voor een waarschuwing in plaats van een weigering. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de weigering van de aanvraag van de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom geen gelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van K. Timmermans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 5 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.