RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.103705.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 juni 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de [P.I.] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. K. Moors, advocaat te Nuth.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 mei 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De benadeelde partij [slachtoffer] is op de zitting gehoord. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er feitelijk weergegeven op neer dat de verdachte:
op 3 april 2025 heeft gepoogd [slachtoffer] van het leven te beroven door hem in zijn buik te steken (primair), dan wel dat hij hiermee heeft gepoogd hem zwaar te mishandelen (subsidiair).
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood, aangezien de verdachte met een roestige en vervuilde dolk met een lemmet van 23 centimeter het slachtoffer in zijn buik heeft gestoken. Daardoor bestond de reële, niet onwaarschijnlijke, kans dat het slachtoffer het leven zou laten, welke kans de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging heeft aanvaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer. De verdachte heeft namelijk maar één keer gestoken en heeft het slachtoffer niet achtervolgd. Verder is ook niet zo diep in de buik gestoken dat dodelijk letsel viel te verwachten. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen – primair
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 3 april 2025, onder meer inhoudende:
Op 3 april 2025, was ik in de woning van mijn vriendin, gelegen aan [adres] in Maastricht. Wij hoorden meerdere keren de bel van de voordeur afgaan. Ik ging met de lift naar beneden en ik deed de voordeur van de woning open. Ik zag dat [verdachte] naar binnen inliep en gelijk de lift inliep. Vervolgens liep ik de lift in. Vervolgens ging de lift dicht en ging deze omhoog naar de eerste etage. Ik zag dat [verdachte] een dolk pakte uit een slede. Ik dacht dat hij deze in zijn rechter hand had. Ik weet dit niet zeker. Ik weet niet waar hij het mes vandaan had gepakt. Ik zag dat hij een stekende beweging richting mijn buik maakte. Toen het mes mijn buik raakte, voelde ik een ontzettende scherpe pijn. Ik voelde dat [verdachte] het mes uit mijn buik trok.
Het proces-verbaal van bevindingen van 25 april 2025, onder meer inhoudende:
De inbeslaggenomen bajonet aan mij overgedragen om deze te beschrijven. Ik stelde het volgende vast:
Ik zag:
- en voelde dat beide snijkanten van de bajonet waren geslepen. Beide snijkanten voelde scherp aan;
- dat het lemmet een lengte had van ongeveer 23,5 centimeter;
- dat de totale lengte van de bajonet ongeveer 36,5 centimeter was
De forensisch medische letselrapportage van 3 februari 2026, onder meer inhoudende:
Betrokkene: [slachtoffer]
Relevante medische informatie: Dhr. had een steekwond in de buik, waarbij in de wond vetweefsel zichtbaar was. De steekwond liep door de peesplaat onder de buikhuid met een ophoping van bloed in de schede rond de rechte buikspier.
Conclusie: steekwond in de buikwand door de peesplaat van de buikwand met een ophoping van bloed in de schede van de buikspier.
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 mei 2026, onder meer inhoudende:
Op 3 april 2025 ben ik vanuit huis met een mes naar mijn moeder gegaan. Ik belde aan en [slachtoffer] deed open. Toen ging het mis en heb ik hem gestoken. Het mes dat ik gebruikte is het mes dat in het dossier wordt beschreven.
Bewijsoverwegingen
De verdachte heeft met een dolk met een lemmet van 23,5 centimeter in de buik van het slachtoffer gestoken. Een dergelijk wapen is naar zijn aard geschikt om dodelijk letsel te veroorzaken. De buik is bovendien een kwetsbaar deel van het lichaam, waarin zich vitale organen en grote bloedvaten bevinden. Door met ’een dergelijk wapen in dat lichaamsdeel te steken, heeft de verdachte een aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat het slachtoffer zou overlijden. Gezien het letsel, onder andere doorboring van de peesplaat, concludeert de rechtbank dat dit steken met enige kracht gepaard is gegaan.
Dat dodelijk letsel uiteindelijk is uitgebleven vanwege de plaats van de steekwond, maakt dit niet anders. Juist het ongecontroleerd steken met een groot steekwapen in de buikstreek brengt het reële risico mee dat vitale delen worden geraakt. Door desondanks in het wilde weg op het slachtoffer in te steken, heeft de verdachte die aanmerkelijke kans, naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien, bewust aanvaard.
Dat de verdachte slechts eenmaal heeft gestoken en ook meteen is weggegaan, zoals de verdediging heeft betoogd, door aan het voorgaande niet af. Het handelen van de verdachte na het steken is voor de beoordeling van het opzet immers niet bepalend. Die beoordeling ziet op het moment waarop de verdachte stak.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank acht bewezen dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, in voorwaardelijke zin.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
primair
op 3 april 2025 te Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, (met kracht) met een dolk in de buik van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
primair
poging tot doodslag.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden, aangezien hij volledig ontoerekeningsvatbaar was tijdens het plegen van het feit. Hij verkeerde namelijk in een psychose als gevolg van het gebruik van harddrugs. Dit drugsgebruik kan de verdachte niet worden toegerekend, vanwege zijn verslavingsziekte en het uitblijven van adequate zorg, waar de verdachte wel om had verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte, overeenkomstig de rapportages en adviezen van de gedragsdeskundigen, verminderd toerekeningsvatbaar is. Ondanks de wetenschap dat gebruik van harddrugs in het verleden bij de verdachte tot psychoses heeft geleid, is de verdachte desondanks meermalen, ook na een langere periode van abstinentie, opnieuw daarmee begonnen.
Het oordeel van de rechtbank
Uit de rapportages van de gedragsdeskundigen volgt dat bij de verdachte sprake is van psychiatrische en verslavingsproblematiek en dat deze problematiek van invloed is geweest op zijn gedragskeuzes ten tijde van het bewezenverklaarde. De deskundigen adviseren om het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De rechtbank onderschrijft de bevindingen en conclusies van de gedragsdeskundigen en maakt die tot de hare.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte gedurende enige tijd abstinent is geweest van verdovende middelen. Op enig moment heeft hij, terwijl niet is gebleken dat hij toen in een psychose verkeerde of anderszins niet helder van geest was, bewust de keuze gemaakt om opnieuw harddrugs te gebruiken. De verdachte wist uit eerdere eigen ervaring welke risico’s dat middelengebruik voor hem en zijn omgeving met zich konden meebrengen. De verdachte is eerder veroordeeld wegens een geweldsmisdrijf en hem is in dat verband destijds een tbs-maatregel met voorwaarden opgelegd. Tegen die achtergrond moet de verdachte zich bewust zijn geweest van het verband tussen middelengebruik, ontregeling en gewelddadig gedrag.
Dat bij de verdachte sprake is van een verslaving en dat de door hem gewenste zorg volgens de verdediging is uitgebleven, neemt niet weg dat hem in de hiervoor beschreven keuze om opnieuw harddrugs te gebruiken een verwijt kan worden gemaakt. Die omstandigheden kunnen wel bijdragen aan een verminderde toerekening, maar leiden in dit geval niet tot het oordeel dat iedere strafrechtelijke verantwoordelijkheid ontbreekt.
De rechtbank acht de verdachte daarom strafbaar, nu ook geen andere omstandigheid aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.
6. De straf en de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest, een niet gemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat dient te worden volstaan met de oplegging van een zorgmachtiging, zodat de verdachte de zorg krijgt die hij nodig heeft. Subsidiair heeft de raadsman verzocht af te zien van een tbs-maatregel met dwangverpleging, maar in plaats daarvan een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Tegen een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel heeft de raadsman geen bezwaren geuit.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een dolk in de buik te steken. Daarmee heeft hij een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft daar langere tijd lichamelijke klachten door ondervonden. Daarnaast is ter terechtzitting, bij de uitoefening van het spreekrecht, duidelijk geworden dat het incident ook emotioneel tot op de dag van vandaag nog altijd grote impact op hem heeft en nog niet is verwerkt.
De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Daarbij weegt mee dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een ernstig geweldsmisdrijf en dat toen aan hem een tbs-maatregel met voorwaarden is opgelegd. Desondanks heeft de verdachte er op enig moment voor gekozen opnieuw harddrugs te gebruiken, terwijl hij wist dat hij daardoor ernstig ontregeld kon raken, met alle gevolgen van dien.
De rechtbank acht de verdachte, gezien het vorenoverwogene, echter wel in verminderde mate toerekeningsvatbaar. Daarom zal de gevangenisstraf lager dienen te zijn dan bij volledige toerekening het geval zou zijn geweest. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren passend, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Tbs-maatregel
Uit de rapportages van de gedragsdeskundigen volgt dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat het recidiverisico hoog is. De rechtbank neemt deze conclusies over. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de problematiek van de verdachte en het hoge recidiverisico eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd.
De rechtbank ziet geen ruimte voor een tbs-maatregel met voorwaarden. Uit de rapportages blijkt dat onvoldoende vertrouwen bestaat dat de verdachte zich binnen een voorwaardelijk kader aan de noodzakelijke voorwaarden zal kunnen houden. Daarbij betrekt de rechtbank dat eerder al een tbs-maatregel met voorwaarden aan de verdachte is opgelegd en dat dit hem er niet van heeft weerhouden opnieuw harddrugs te gebruiken, met ontregeling en ernstig geweld tot gevolg. Een minder dwingend kader biedt daarom onvoldoende bescherming tegen herhaling.
Ook een zorgmachtiging, zoals door de raadsman is bepleit, acht de rechtbank niet passend en toereikend. Een zorgmachtiging is gericht op verplichte zorg ter stabilisatie van de geestelijke toestand van de betrokkene en biedt niet het forensische kader dat nodig is om het hoge recidiverisico langdurig en effectief te beperken. De bescherming van de samenleving vereist daarom dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd binnen een tbs-kader.
De rechtbank zal dan ook de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten en bevelen dat hij van overheidswege wordt verpleegd. Omdat het bewezenverklaarde een misdrijf betreft dat een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, is de duur van deze maatregel niet gemaximeerd.
Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Daarmee kan, na beëindiging van de tbs-maatregel, zo nodig nog toezicht op de verdachte worden gehouden. De noodzaak daarvan blijkt in het bijzonder uit het feit dat de verdachte eerder een tbs-maatregel is opgelegd, dat deze maatregel op enig moment is beëindigd en dat de verdachte daarna toch opnieuw in herhaling is gevallen.
De verdachte verblijft tijdens de executie van de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, tot het moment dat de tbs-maatregel zal aanvangen.
7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij vordert, na wijziging, schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 341,07, bestaande uit de volgende posten:
Materieel
eigen risico zorg € 315,65
medicatie € 24,42
Immaterieel € 1,-.
De benadeelde heeft tevens verzocht om vermeerdering van de toe te wijzen bedragen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de posten aan materiële schade en toekenning van een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding. Bij repliek heeft zij, conform de gewijzigde vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting, geconcludeerd tot toekenning van een bedrag van € 1,- aan immateriële schadevergoeding.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de vordering in zoverre die ziet op materiële schade niet betwist. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW), voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde materiële schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd.
Deze vordering is door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar tot een totaalbedrag van € 340,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2025 tot de dag van volledige betaling.
Immateriële schade
De wet voorziet in artikel 6:106 BW in de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106, eerste lid, aanhef en sub b, BW komt de benadeelde partij voor vergoeding van ander nadeel onder andere in aanmerking in het geval dat lichamelijk letsel is ontstaan.
Op grond van de inhoud van het dossier, de bijlagen bij het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting door de benadeelde partij naar voren is gebracht, stelt de rechtbank vast dat bij de benadeelde partij sprake is van lichamelijk letsel, waardoor hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij heeft € 1,- aan immateriële schade gevorderd. Dit bedrag is gezien de inhoud van het dossier voldoende onderbouwd. Gelet daarop zal de rechtbank een bedrag van € 1,- toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 april 2025 tot de dag van volledige betaling.
De rechtbank zal aan de verdachte ten aanzien van de toegewezen posten aan materiële en immateriële schade de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat de benadeelde partij wordt gevrijwaard van inning van dit bedrag.
8. Het beslag
De rechtbank zal de in beslag genomen dolk conform de vordering van de officier van justitie onttrekken aan het verkeer, omdat het een voorwerp betreft waarmee het bewezenverklaarde feit is begaan en het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
Maatregel van terbeschikkingstelling
- legt aan de verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Beslag
- onttrekt aan het verkeer het volgende in beslag genomen voorwerp:
- een dolk (goednummer G1794072).
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E.M. Hendriks, voorzitter, mr. M.M. Beije en mr. J. Linders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H.R.G. van Kerkhof, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 juni 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
primair
hij, op of omstreeks 3 april 2025 te Maastricht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, (met kracht) met een dolk en/of mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik, althans het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair
hij, op of omstreeks 3 april 2025 te Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (met kracht) met een dolk en/of mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik, althans het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )