RECHTBANK LIMBURG
[naam bedrijf] , uit Venray, eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/828 en 25/2309
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. M.R.A. Arntz),
en
(gemachtigde: mr. A. Verkooyen).
Procesverloop
1. Op 21 oktober 2024 heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd vanwege illegale bebouwing op het perceel [adres] in Venray, kadastraal bekend als perceel VRY00A2786 (hierna: het perceel) en het huisvesten van personen op het perceel. Met het besluit van 1 april 2025 (het primaire besluit) heeft het college besloten tot het invorderen van de verbeurde dwangsommen op basis van voornoemde last.
2. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar met het bestreden besluit van 19 augustus 2025 ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Omdat het college niet bereid is om met de invordering te wachten totdat op het beroep van eiseres is beslist, heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] , [naam] en [naam] namens eiseres, de gemachtigde van het college en N. Wouters namens het college.
4. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het bestreden besluit en standpunten van partijen
5. Het college heeft op 4 juli 2024 aan eiseres kenbaar gemaakt voornemens te zijn om handhavend op te treden tegen een aantal op het perceel gebouwde loodsen en stacaravans en het huisvesten van personen daarin, in strijd met het omgevingsplan gemeente Venray.
6. Bij besluit van 21 oktober 2024 is het college overgegaan tot handhavend optreden. Het college heeft eiseres gelast om voor 21 januari 2025 het huisvesten van personen op het perceel te staken en gestaakt te houden. Daarnaast heeft het college eiseres gelast om negen bouwwerken op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Daarbij heeft het college bepaald dat eiseres per bouwwerk dat niet voor 21 januari 2025 is verwijderd een eenmalige dwangsom van € 10.000,- verbeurt. Daarnaast verbeurt eiseres per bouwwerk waar personen na 21 januari 2025 in strijd met het omgevingsplan worden gehuisvest ook een eenmalige dwangsom van € 10.000,-.
7. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom, die dus onherroepelijk is geworden. Op 12 februari 2025 heeft het college aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om over te gaan tot het invorderen van de verbeurde dwangsommen. Alle bouwwerken die in de last onder dwangsom zijn omschreven, zijn volgens het college nog op het perceel aanwezig. Twee van de bouwwerken worden nog bewoond. Volgens het college heeft eiseres in totaal € 110.000,- aan dwangsommen verbeurd.
8. Met het primaire besluit van 1 april 2025 heeft het college besloten tot het invorderen van de verbeurde dwangsommen. Het college heeft geconstateerd dat aan de last ten aanzien van het huisvesten van personen inmiddels is voldaan. Gelet op afspraken die het college met eiseres heeft gemaakt, de verwijdering van een van de bijgebouwen na afwijzing van het daarvoor door eiseres ingediende principeverzoek en omdat eiseres voor het overige wel aan de lastgeving heeft voldaan, heeft het college de in te vorderen dwangsom gematigd tot € 60.000,-.
9. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij aangevoerd dat zij niet als overtreder aangemerkt kan worden en geen financiële draagkracht te hebben. Het invorderen van de verbeurde dwangsommen zal volgens eiseres leiden tot haar faillissement. Zij stelt dat de invordering daarom onevenredig is en verzoekt het college om van de invordering af te zien. Per juli 2025 zijn volgens eiseres bovendien alle bouwwerken afgebroken.
10. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het in te vorderen bedrag is in het bestreden besluit niet gewijzigd ten opzichte van het primaire besluit. Wel heeft het college de berekening die aan het bedrag ten grondslag ligt aangepast, in lijn met het advies van de bezwaarschriftencommissie.
11. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening totdat op haar beroep is beslist. Eiseres stelt dat zij evident niet over financiële draagkracht beschikt en dat zij dit heeft onderbouwd aan de hand van haar jaarrekeningen van 2023 en 2024. Het college is daarentegen van mening dat deze jaarrekeningen onvoldoende zijn om het financieel onvermogen van eiseres te onderbouwen en ziet daarin geen reden om van de invordering af te zien. Desgevraagd heeft het college ermee ingestemd verdere invorderingsmaatregelen op te schorten tot na deze uitspraak.
Toetsingskader
12. Tussen partijen is in beroep enkel nog in geschil of het college van invordering had moeten afzien gelet op de beperkte financiële draagkracht van eiseres.
13. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) moet bij een besluit over het invorderen van verbeurde dwangsommen aan het belang van de invordering veel gewicht worden toegekend. Dit betekent dat alleen in bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van invordering kan worden afgezien.
14. Een bijzondere omstandigheid zoals hiervoor bedoeld kan worden aangenomen indien evident is dat de overtreder, in dit geval eiseres, gezien haar financiële draagkracht niet in staat is om de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. Eiseres moet aannemelijk maken dat dit het geval is. Zij moet daarvoor informatie verstrekken die een betrouwbaar en volledig inzicht geeft in haar financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben.
Heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij evident niet over financiële draagkracht beschikt?
15. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij geen financiële draagkracht heeft, heeft eiseres de jaarrekeningen van haar onderneming over de jaren 2023 en 2024 ingebracht. Volgens eiseres blijkt uit deze jaarrekeningen dat zij geen activa of passiva meer bezit. Zij heeft in dit verband ook (bij haar verzoek aan het college tot verlenging van de termijn van invordering) een bankafschriften overgelegd, laten zien dat zij een belastingschuld heeft en dat zij ontslagverzoeken heeft gedaan bij het UWV voor personeelsleden, die zijn toegekend. Uit deze stukken blijkt volgens eiseres dat de invordering tot haar faillissement zal leiden.
16. Het college stelt dat de jaarrekeningen onvoldoende zijn om te onderbouwen dat eiseres geen financiële draagkracht heeft. Het college verlangt van eiseres dat zij hiervoor een accountantsverklaring overhandigt. Eiseres heeft dit niet gedaan, omdat zij niet beschikt over voldoende financiële middelen om die verklaring te bekostigen. Andere mogelijkheden om de financiële draagkracht van eiseres inzichtelijk te maken heeft het college niet benoemd. Het college stelt dat uit eigen onderzoek blijkt dat er wel voldoende eigen vermogen is. Ten aanzien van de overige stukken stelt het college dat de belastingschuld van een andere rechtspersoon is, dat de toegewezen ontslagverzoeken ook zien op een andere rechtspersoon en dat het bankafschrift een momentopname is.
17. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het overhandigen van een accountantsverklaring niet de enige manier is voor eiseres om een betrouwbaar en volledig inzicht te verschaffen in haar financiële situatie. Wel is het, zoals hiervoor overwogen, aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij geen financiële draagkracht heeft. Met de door eiseres ingediende jaarrekeningen over de jaren 2023 en 2024 is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende inzichtelijk geworden dat eiseres geen financiële draagkracht heeft c.q. had ten tijde van het nemen van het primaire besluit op1 april 2025. Uit de jaarrekeningen blijkt onvoldoende dat de invordering voor eiseres de doorslaggevende factor zal zijn in een eventueel faillissement, nog los van de vraag of een faillissement überhaupt aan de orde is. Ook blijkt onvoldoende dat een betalingsregeling geen oplossing kan bieden.
18. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat het aan eiseres is om haar financiële draagkracht inzichtelijk te maken en dat het college niet gehouden is om eiseres, verdergaand dan gedaan, in deze bewijslevering te ondersteunen. Ter zitting heeft het college aangegeven dat het eiseres vrij staat om haar financiële draagkracht op andere wijze inzichtelijk te maken, maar dat de tot dusver overhandigde stukken hiertoe onvoldoende zijn. Dat eiseres geen accountantsverklaring heeft aangeleverd vanwege de kosten hiervan, laat onverlet dat het aan eiseres is om op andere wijze een betrouwbaar en volledig inzicht te verschaffen van haar financiële situatie. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat eiseres hier niet in is geslaagd.
19. Gelet op het gebrek aan inzicht in de financiële situatie van eiseres ten tijde van het primaire en het bestreden besluit en de gevolgen die het invorderen van de verbeurde dwangsommen voor eiseres heeft, concludeert de voorzieningenrechter dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege gebrek aan financieel draagkracht niet in staat is om de verbeurde dwangsommen te voldoen. Van bijzondere omstandigheden om van de invordering af te zien is daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Het college is dus terecht overgegaan tot het invorderen van de verbeurde dwangsommen. Hoewel de voorzieningenrechter er begrip voor heeft dat dit nadelig is voor eiseres, rust op haar als professionele onderneming toch enerzijds de verantwoordelijkheid om de wet- en regelgeving na te leven en overtredingen daarvan tijdig te beëindigen nadat zij daarop gewezen is, en anderzijds het risico om de financiële gevolgen te dragen als zij dit niet doet.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter direct op het beroep beslist, is een voorlopige voorziening (die zou gelden tot op het beroep wordt beslist) niet aan de orde. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 9 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 9 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.