RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12117970 \ CV EXPL 26-837
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
TINNEMANS AUTOMATERIALEN B.V.,
te Weert,
eisende partij,
hierna te noemen: Tinnemans,
gemachtigde: Juridisch Advies- en Incassobureau Incasso Result B.V.,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [autobedrijf],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- het mondelinge antwoord,- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Tinnemans is grootleverancier van automaterialen. [gedaagde] exploiteert een onderneming in de automotive-sector en verricht algemene reparatiewerkzaamheden op motorvoertuigengebied en is een detailhandel in motorvoertuigen. [gedaagde] heeft in dat kader regelmatig onderdelen van Tinnemans afgenomen, waaronder 21 kannen olie.
Tinnemans heeft [gedaagde] over de periode 23 augustus 2025 tot en met 13 december 2025 een negental facturen gestuurd voor geleverde materialen van in totaal
€ 2.612,07 en twee creditfacturen van in totaal € 602,16. De facturen en een overzicht zijn overgelegd als productie 2 en 3 bij de dagvaarding.
De gemachtigde van Tinnemans heeft [gedaagde] bij brief van 7 januari 2026 gesommeerd tot betaling van € 2.009,91 (productie 7 bij de dagvaarding).
[gedaagde] heeft het bedrag van € 2.009,91 niet betaald.
3. Het geschil
Tinnemans vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.395,70, vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] betwist de vordering en verzoekt om veroordeling van Tinnemans in de volledige kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of [gedaagde] de gevorderde factuurbedragen ter hoogte van in totaal € 2.009,91 aan Tinnemans verschuldigd is. Tinnemans stelt daartoe dat [gedaagde] automaterialen van haar heeft gekocht, zoals gespecificeerd in de door haar overgelegde facturen. [gedaagde] heeft verweer gevoerd, dat hierna zal worden besproken.
Er is geen overeenkomst
[gedaagde] heeft tijdens de zitting van 4 maart jl. aangegeven dat er geen sprake is van een overeenkomst, maar wel van facturen. [gedaagde] heeft eveneens aangegeven dat alle facturen zijn betaald en dat partijen een afspraak hebben gemaakt over een creditnota die hij wil verrekenen. Deze stellingen stroken niet met elkaar. [gedaagde] kan zich niet beroepen op verrekening als hij de betwist dat er sprake is van een overeenkomst tussen partijen. Bovendien heeft [gedaagde] bij dupliek aangegeven dat er sprake is van een handelsrelatie tussen partijen, waarbij hij regelmatig onderdelen van Tinnemans heeft afgenomen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] erkent dat partijen een of meerdere overeenkomsten hebben gesloten waarbij Tinnemans automaterialen aan [gedaagde] heeft geleverd, waarvan zij in deze procedure betaling vordert.
Verrekening
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij niets meer aan Tinnemans verschuldigd is omdat hij 21 kannen olie mocht terugsturen, waarvoor hij een creditfactuur zou ontvangen. Nu er geen volledige creditering heeft plaatsgevonden, heeft [gedaagde] een factuur opgesteld ter hoogte van het te crediteren bedrag en beroept zich op verrekening van deze factuur met de vordering van Tinnemans, aldus [gedaagde] .
Tinnemans voert aan dat er geen rechtsgrond bestaat om de bestelde en geleverde goederen te retourneren. Omdat [gedaagde] had aangegeven over te willen stappen naar een andere leverancier van de olie is Tinnemans hem tegemoetgekomen door akkoord te gaan met een gedeeltelijke terugname van de olie, namelijk de MPM-olie met leveringsdatum vanaf het tweede kwartaal van 2025 en niet de olie die eerder door haar is geleverd. Dat heeft Tinnemans ook gedaan en hiervoor een creditfactuur opgemaakt. Voor de overige kannen olie heeft Tinnemans geen coulance verleend. Tinnemans verwijst naar de e-mailcorrespondentie in productie 2 bij de conclusie van repliek.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit het emailbericht van 18 augustus 2025 is aan [gedaagde] kenbaar gemaakt dat de kannen die geleverd zijn vanaf het tweede kwartaal van 2025 voor creditering in aanmerking komen en de rest van de kannen niet.
Uit het overzicht dat is aangehecht aan het emailbericht van 12 maart 2026 blijkt welke kannen olie [gedaagde] aan Tinnemans terug heeft teruggegeven.
Uit de creditfactuur van 23 augustus 2025 blijkt dat een viertal vanaf het tweede kwartaal van 2025 door Tinnemans geleverde kannen olie zijn gecrediteerd, die ook terug te zien zijn op het hiervoor genoemde overzicht.
[gedaagde] heeft bij dupliek tegen de nadere stellingen van Tinnemans over dit onderwerp geen verweer meer gevoerd. Dat betekent dat de stelling van [gedaagde] dat hij alle 18 kannen olie mocht retourneren niet is komen vast te staan. Bovendien heeft [gedaagde] niet concreet gemaakt hoe hoog zijn vordering is.
Uit artikel 6:136 BW volgt dat een beroep op verrekening wordt afgewezen als de gegrondheid van het verrekeningsverweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Daar is in dit geval sprake van. Het beroep op verrekening wordt afgewezen.
Tinnemans noemt in haar stellingen in de dagvaarding en in de conclusie van repliek een factuur van [gedaagde] van 16 oktober 2025 ad € 11.608,74, die [gedaagde] zou willen verrekenen met haar vordering. Volgens Tinnemans betreft dit een factuur die ziet op een fictieve schadevordering van [gedaagde] , die enkel is opgesteld in reactie op het niet crediteren van alle door [gedaagde] retour geleverde kannen olie.
[gedaagde] heeft hier tijdens de zitting van 4 maart 2026 niets over gezegd, behalve dat er nog een factuur openstaat die ziet op de hiervoor onder overweging 4.5. genoemde creditering. Bij conclusie van dupliek noemt [gedaagde] deze factuur eveneens niet.
[gedaagde] stelt bij conclusie van dupliek slechts in zijn algemeenheid dat er sprake is geweest van onder meer onjuistheden in leveringen, ontbrekende specificaties en dat hij herhaaldelijk bezwaren heeft geuit tegen de afzonderlijke factuurposten.
[gedaagde] heeft niet gemotiveerd gesteld dat er sprake is van een opeisbare vordering ter hoogte van € 11,608,74 en bovendien heeft Tinnemans dit gemotiveerd betwist. De vordering is dan ook niet op eenvoudige wijze vast te stellen.
Dat betekent dat, voor zover het beroep op verrekening door [gedaagde] eveneens ziet op zijn factuur van € 11.608,74, dit ook niet kan slagen.
Opschorting
[gedaagde] beroept zich bij de conclusie van dupliek op opschorting ex artikel 6:52 BW. Het beroep op opschorting is in deze stand van de procedure te laat, aangezien Tinnemans hier niet meer op heeft kunnen reageren. Bovendien kan een beroep op opschorting niet slagen nu niet vaststaat dat er sprake is van een (opeisbare) vordering van [gedaagde] .
Hoofdsom en wettelijke rente.
Nu de verweren van [gedaagde] niet slagen, ligt de hoofdsom voor toewijzing gereed. De wettelijke handelsrente tot 28 januari 2026 ad € 84,30 en vanaf 28 januari 2026 tot aan de dag van volledige voldoening, is eveneens toewijsbaar.
Buitengerechtelijke kosten
Tinnemans vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Tinnemans heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Tinnemans heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 301,49 worden toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Tinnemans worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
129,54
- griffierecht
€
397,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.069,04
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Tinnemans te betalen een bedrag van
€ 2.395,70, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 2.009,91 vanaf 28 januari 2026 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.069,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.