RECHTBANK LIMBURG
[naam] , uit Maastricht, eiseres,
Samenvatting
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/271 en ROE 26/932
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juni 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, het college,
(gemachtigde: mr. C. Opbroek-Erdkamp).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam] , uit Maastricht, vergunninghouder,
(gemachtigde: mr. R. Ramakers).
1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het legaliseren van een nieuwe poort op het adres [adres] in Maastricht. Eiseres is niet eens met de verlening van deze omgevingsvergunning. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert in haar beroepschrift een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen, althans of het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond mocht verklaren.
2. De voorzieningenrechter beslist direct op het beroep van eiseres en komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Het voorgaande betekent dat het beroep van eiseres ongegrond is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter direct uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af; er valt immers geen voorlopige voorziening meer te treffen als al een definitieve beslissing genomen wordt.
Procesverloop
3. Met het primaire besluit van 10 december 2025 heeft het college aan vergunninghouder de omgevingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit van
9 maart 2026 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen de verleende omgevingsvergunning ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het hiermee samenhangende verzoek en beroep van eiseres tegen het besluit tot de gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek om handhaving. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college, D. Körver namens het college, de derde-partij en zijn gemachtigde.
6. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet aan de beoordeling van de zaak kan bijdragen, beslist hij ook direct op het beroep van eiseres.
Totstandkoming van het bestreden besluit
7. Eiseres woont in een bovenwoning aan de [adres] in Maastricht. Zij heeft bij brief van 3 juli 2025 het college verzocht om ten aanzien van de begane grond van het pand aan de [adres] handhavend op te treden tegen (onder meer) vervanging van de garagepoort omdat daarbij sprake is van een illegale gevelwijziging en overlast door een nieuw motorisch systeem. Naar aanleiding van dat handhavingsverzoek heeft een toezichthouder van de gemeente Maastricht op 20 augustus 2025 een controle ter plaatste uitgevoerd. Daarbij is geconstateerd dat zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning een wijziging aan de garagepoort heeft plaatsgevonden.
8. Naar aanleiding van de constatering van de toezichthouder en het handhavingstraject dat vervolgens is gestart, heeft vergunninghouder op 7 oktober 2025 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om de nieuwe poort te legaliseren. Uit de aanvraag blijkt dat de oude poort door een verkeersongeluk is beschadigd, waardoor die vervangen moest worden.
9. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsplanactiviteit voor bouwen als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) en een activiteit gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a en b, van de Erfgoedverordening. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op een advies van de Welstands-en monumentencommissie.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het toetsingskader
- Omgevingsplanactiviteit voor bouwen
10. Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente.
11. De omgevingsvergunning is verleend voor een omgevingsplanactiviteit. Onder een omgevingsplanactiviteit wordt onder meer verstaan een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan. Dit wordt de binnenplanse omgevingsplanactiviteit genoemd.
12. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit beoordeelt. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. In artikel 22.29 van het omgevingsplan staat het toetsingskader voor een omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken. Uit die bepaling volgt dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met de in het omgevingsplan gestelde regels en ook niet in strijd mag zijn met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Daarbij is sprake van een limitatief/imperatief stelsel: als de aangevraagde activiteit niet in strijd is met deze weigeringsgronden, dan moet de vergunning verleend worden. In dat geval is dus sprake van een gebonden beschikking.
13. Het Omgevingsplan gemeente Maastricht (het omgevingsplan) bestaat voor nu uit een tijdelijk deel. Het plaatsen van een nieuwe poort is op grond van artikel 22.26 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan verboden zonder omgevingsvergunning. De regels van het voormalige bestemmingsplan ‘Centrum’ (het bestemmingsplan) maken van rechtswege onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan. Volgens het bestemmingsplan gelden – voor zover hier van belang – op het perceel de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Waarde - Maastrichts Erfgoed’ met de specifieke bouwaanduiding ‘kenmerkend bouwwerk’.
- Activiteit gemeentelijk monument
14. Uit artikel 22.4 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 2.8, onder B, van de Invoeringswet Omgevingswet en het Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van onder meer de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat een gemeentelijke erfgoedverordening (wat betreft regels over de fysieke leefomgeving) van kracht blijft zolang de betreffende regeling niet is opgenomen in het omgevingsplan.
15. In artikel 3, tweede lid, van de Erfgoedverordening staat dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 2 van deze verordening te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen (onder a), of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht (onder b).
16. Uit artikel 2, aanhef en onder b van de Erfgoedverordening volgt dat als een gemeentelijk monument wordt aangemerkt een zaak en/of terrein als bedoeld in artikel 1, sub a van deze verordening die en/of dat in een vigerend omgevingsplan en de daarbij behorende planverbeelding is bestemd tot “Maastrichts Erfgoed” met daarbij de nadere aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - kenmerkend bouwwerk’.
Mocht het college de omgevingsvergunning verlenen?
17. Eiseres voert aan dat uit de verleende omgevingsvergunning onvoldoende duidelijk volgt wat daar onder valt. Zij vraagt zich af of het gemotoriseerde gedeelte aan de binnenzijde van de poort ook onder de omgevingsvergunning valt. Het college had moeten motiveren hoe de legalisatie van de poort zich tot het gemotoriseerde gedeelte verhoudt. Daarnaast voert eiseres aan dat in het bestreden besluit onvoldoende is ingegaan op de feitelijke situatie zoals de afbakening van het vergunde object en de voorgeschiedenis van de zaak. Nu wordt er vooral ingegaan op het technische en monumentale aspect. Over de voorgeschiedenis van de zaak en in dat kader ingediende handhavingsverzoek voert eiseres aan dat het college deze omgevingsvergunning heeft verleend zonder eerst duidelijkheid te verschaffen over de feitelijke gevolgen van de poort en het gemotoriseerde gedeelte. Haar belangen zijn dan ook bij de verlening van deze omgevingsvergunning onvoldoende betrokken. Daarnaast voert eisers aan dat zij geluidsoverlast heeft van de poort.
De voorzieningenrechter stelt vast dat eiseres geen gronden heeft ingediend ten aanzien van de activiteit gemeentelijk monument. In geschil is daarom of het college een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwwerk mocht verlenen. Zoals onder 12 weergegeven, moet het college, gelet op het limitatief-imperatief stelsel, de omgevingsvergunning voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit verlenen als zich geen weigeringsgrond uit artikel 22.29 van het omgevingsplan voordoet. Eiseres heeft niet aangevoerd dat het plaatsen van de nieuwe poort in strijd is met de regels van het omgevingsplan - waaronder de regel dat de bestaande cultuurhistorische waardestelling niet mag worden aangetast - of met de redelijke eisen van welstand (de weigeringsgronden). Omdat niet is gebleken dat deze weigeringsgronden zich voordoen, moest het college de omgevingsvergunning verlenen. Of het gemotoriseerde deel van de poort onderdeel uitmaakt van de vergunning is in dit verband niet relevant.
Dat het college volgens eiseres haar belangen bij de verlening van de omgevingsvergunning onvoldoende heeft betrokken, waaronder met name de door haar ondervonden geluidsoverlast, maakt niet dat de omgevingsvergunning geweigerd had moeten worden. Een belangenafweging is geen onderdeel van het toetsingskader en kan dus ook niet bij de beoordeling van de vergunningverlening worden betrokken.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning aan vergunninghouder mocht verlenen en dat eiseres geen gelijk krijgt.
19. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
20. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.