RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11987071 \ CV EXPL 25-4911
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
AUDAX RENEWABLES NEDERLAND B.V., tevens handelend onder de naam MAIN ENERGIE,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Audax,
gemachtigde: Trust Krediet Beheer B.V.,
tegen
1. de vennootschap onder firma [gedaagde partij 1] ,
te [plaats] , gemeente Eijsden- [plaats] ,2. [gedaagde partij 2], in hoedanigheid van vennoot van gedaagde sub 1,
te [plaats] , gemeente Eijsden- [plaats] ,3. [gedaagde partij 3],
in hoedanigheid van vennoot van gedaagde sub 1,
te [plaats] , gemeente Eijsden- [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] ,
gemachtigde: mr. ing. J.G. van Ek.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 24 november 2025 met producties 1 tot en met 9;
- de verstekverlening tegen de niet verschenen [gedaagde partijen] ;
- de zuivering van het aan [gedaagde partijen] verleende verstek;
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2;- de conclusie van repliek met producties 10 tot en met 14;- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde partijen] heeft op 22 juli 2024 een volmacht verleend aan Procent Energie (hierna: Procent). Op grond hiervan was Procent gerechtigd om namens [gedaagde partijen] rechtshandelingen te verrichten waaronder het ondertekenen van opgevraagde en (uit)onderhandelde offertes, aanbiedingen, verklaringen en bestelopdrachten.
Procent heeft namens [gedaagde partijen] en andere deelnemers met Audax een collectieve leveringsovereenkomst gesloten.
Bij e-mail van 31 juli 2024 heeft Audax een contractbevestiging en de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden aan [gedaagde partijen] toegestuurd. Audax heeft vervolgens van 1 september 2024 tot en met 16 oktober 2024 energie aan [gedaagde partijen] geleverd en hiervoor facturen gestuurd.
Per 17 oktober 2024 is [gedaagde partijen] overgestapt naar een andere energieleverancier. Audax heeft vervolgens een opzegvergoeding bij [gedaagde partijen] in rekening gebracht.
[gedaagde partijen] heeft de facturen en de opzegvergoeding niet betaald.
3. Het geschil
Audax vordert – samengevat – dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partijen] hoofdelijk zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting € 23.219,74 te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 20.326,82, en in de proceskosten.
Audax legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat zij met [gedaagde partijen] een overeenkomst heeft gesloten op grond waarvan zij energie heeft geleverd. Audax heeft hiervoor meerdere facturen aan [gedaagde partijen] gestuurd die zij niet heeft betaald. Ook legt Audax aan haar vordering de stelling ten grondslag dat [gedaagde partijen] de overeenkomst voortijdig heeft beëindigd en dat zij daarom een opzegvergoeding verschuldigd is.
[gedaagde partijen] voert verweer. [gedaagde partijen] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Audax, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Audax, kosten rechtens.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het verzoek tot het bevelen van een mondelinge behandeling
[gedaagde partijen] verzoekt in de conclusie van antwoord om een mondelinge behandeling te houden om te bezien of in gezamenlijk overleg een minnelijke oplossing kan worden gezocht. Er zal geen mondelinge behandeling worden bevolen omdat er in deze procedure inmiddels al twee schriftelijke rondes hebben plaatsgevonden en de kantonrechter geen openstaande (rechts)vragen meer heeft. Gelet hierop zou het gelasten van een mondelinge behandeling leiden tot vertraging, die naar het oordeel van de kantonrechter onredelijk is. Daarnaast kunnen partijen ook zonder tussenkomst van de kantonrechter een minnelijke oplossing zoeken. Dit maakt dat het houden van een mondelinge behandeling in deze zaak zich naar het oordeel van de kantonrechter niet laat verenigen met de eisen van een goede procesorde. De kantonrechter zal dan ook uitspraak doen op basis van het dossier zoals dat nu voorligt.
De beoordeling van het geschil
De vorderingen van Audax worden toegewezen, waarna [gedaagde partijen] wordt veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter licht dat hieronder toe.
De uitgeschreven vof en vennoten zijn in rechte betrokken
[gedaagde partijen] brengt naar voren dat gedaagde sub 1 per 10 september 2025 is uitgeschreven uit het Handelsregister. Voor zover [gedaagde partijen] hiermee bedoelt dat Audax niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten opzichte van gedaagde sub 1 overweegt de kantonrechter dat uit artikel 51 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat ook de ontbonden vennootschap onder firma als partij kan optreden.
De hoofdsom
De door Audax gevorderde hoofdsom van € 20.326,82 bestaat uit het energieverbruik over de maanden september en oktober 2024 en een opzegvergoeding.
Ten aanzien van het energieverbruik overweegt de kantonrechter dat [gedaagde partijen] het bestaan van de overeenkomst tussen haar en Audax en de daaruit voortvloeiende verbintenissen niet heeft betwist. Ook heeft [gedaagde partijen] de hoogte van het in rekening gebrachte gas- en elektriciteitsverbruik niet betwist, evenals de daaraan gekoppelde tarieven. Dit betekent dat de vordering van Audax zal worden toegewezen voor zover het gaat om het energieverbruik van september en oktober 2024.
Met betrekking tot de opzegvergoeding stelt [gedaagde partijen] zich op het standpunt dat zij de opzegboete niet verschuldigd is omdat de algemene voorwaarden – waaruit de opzegboete voortvloeit – vernietigbaar zijn omdat zij pas na het sluiten van de overeenkomst aan [gedaagde partijen] zijn verstrekt en op meerdere momenten, met verschillende sets. Dit verweer slaag niet. De overeenkomst tussen Audax en [gedaagde partijen] is namelijk tot stand gekomen via een volmacht die [gedaagde partijen] aan Procent heeft verleend. Onderdeel van deze volmacht is het – zonder voorafgaand schriftelijk akkoord van [gedaagde partijen] – ondertekenen van opgevraagde en (uit)onderhandelde offertes, aanbiedingen, verklaringen en bestelopdrachten. Of, wanneer en welke set van de algemene voorwaarden door Audax aan [gedaagde partijen] zijn gestuurd, is dan ook niet relevant. Voldoende is dat Audax onweersproken heeft gesteld dat de toepasselijke algemene voorwaarden bij het sluiten van de overeenkomst van toepassing zijn verklaard en aan Procent ter hand zijn gesteld.
Ook stelt [gedaagde partijen] zich op het standpunt dat het beding waaruit de opzegboete voortvloeit vernietigbaar is omdat het een onredelijk bezwarend beding is. Ook dit verweer slaagt niet. De reden daarvoor is dat [gedaagde partijen] geacht moet worden te hebben gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De overeenkomst met Audax ziet immers op het leveren van energie aan het cafetaria. Dat het volgens [gedaagde partijen] gaat om een rechtspersoon van tussenniveau die niet groot genoeg is om in de praktijk op een gelijk niveau te onderhandelen als een grote onderneming, maar die ook geen natuurlijke persoon is, maakt dat niet anders. Hetzelfde geldt voor de stelling dat [gedaagde partijen] een kleine ondernemer was, met weinig tot geen personeel en beperkte ervaring met dit soort overeenkomsten. De door [gedaagde partijen] aangevoerde omstandigheden, zoals gestelde onvrede over dienstverlening, het om die reden aangaan ven een overeenkomst met een andere leverancier en bedrijfsbeëindiging, worden echter niet of nauwelijks onderbouwd en kunnen er dan ook niet toe leiden dat zij aanspraak kan maken op consumentenbescherming en de reflexwerking van de grijze lijst van artikel 6:237 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Tot slot stelt [gedaagde partijen] zich op het standpunt dat de bedingen in artikelen 3.8 en 3.15 van de algemene voorwaarden, en in het bijzonder de daarin opgenomen opzegvergoeding, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Ook dit verweer slaagt niet. In de door [gedaagde partijen] aangevoerde omstandigheden ziet de kantonrechter namelijk geen reden daarvoor. De achtergrond waartegen is opgezegd, de beëindiging van het bedrijf kort daarna en de persoonlijke situatie van gedaagden sub 2 en 3 behoren tot de risicosfeer van [gedaagde partijen] Daarnaast heeft [gedaagde partijen] dezelfde omstandigheden aan dit verweer ten grondslag gelegd als de omstandigheden die zijn beoordeeld in rov. 4.7.
Omdat de verweren van [gedaagde partijen] niet slagen en zij niet heeft betwist dat zij de overeenkomst met Audax tussentijds heeft beëindigd, is [gedaagde partijen] een opzegvergoeding aan Audax verschuldigd. Dit betekent dat de vordering van Audax ook wat betreft de opzegvergoeding zal worden toegewezen.
De hoogte van het door [gedaagde partijen] te betalen bedrag
Partijen zijn het er in ieder geval over eens dat de facturen 5581386, 5585998 en 5625651 van in totaal € 4.949,93 zijn gecorrigeerd via factuur [nummer 1] van - € 3.208,27. Het restant van € 1.741,66 zal worden toegewezen omdat niet is vast komen te staan dat [gedaagde partijen] dit bedrag heeft betaald. [gedaagde partijen] stelt weliswaar dat zij alleen factuur [nummer 2] niet heeft betaald en dus – zo begrijpt de kantonrechter – het restant van € 1.741,66 wel, maar heeft die stelling niet onderbouwd met stukken, zoals bijvoorbeeld bankafschriften, waar dat uit kan blijken. Dat had wel op haar weg gelegen om te doen aangezien zij zich beroept op het rechtsgevolg van de door haar gedane betaling, het tenietgaan van de betalingsverplichting, en Audax betwist dat [gedaagde partijen] heeft betaald.
Ten aanzien van facturen [nummer 2] en [nummer 3] stelt [gedaagde partijen] zich op het standpunt dat factuur [nummer 2] betrekking heeft op de hele maand oktober 2024, terwijl zij in die maand is overgestapt naar een andere energieleverancier en dat uit factuur [nummer 3] niet blijkt dat er een correctie heeft plaatsgevonden op de factuur van oktober. Hoewel het juist is dat [gedaagde partijen] slechts over de periode tot en met 16 oktober 2024 een betalingsverplichting heeft tegenover Audax, maakt dat geen verschil voor het totaal door haar te betalen bedrag. Indien Audax namelijk een lager bedrag had verrekend met hetgeen [gedaagde partijen] nog aan haar zou moeten betalen, dan zou het te betalen bedrag op basis van factuur [nummer 3] hoger worden. Het verweer van [gedaagde partijen] slaagt daarom niet.
Over de hoogte van de opzegvergoeding die Audax in factuur [nummer 3] in rekening heeft gebracht, verschillen partijen van mening. Audax vordert een opzegvergoeding van € 18.390,69 inclusief btw en onderbouwt dit met factuur [nummer 3] en de daaraan ten grondslag liggende berekening. Volgens [gedaagde partijen] bedraagt de opzegvergoeding € 16.852,33 inclusief btw omdat dit volgt uit factuur [nummer 3] . Het verweer van [gedaagde partijen] slaagt niet. In factuur [nummer 3] is namelijk niet alleen een opzegvergoeding in rekening gebracht van in totaal € 18.390,70 inclusief btw (€ 9.590,50 inclusief btw voor het gas en € 8.800,20 inclusief btw voor de elektriciteit), maar het betreft ook een eindafrekening over de periode 1 september 2024 tot en met 16 oktober 2024 waarop de eerder in rekening gebrachte termijnbedragen van september en oktober 2024 in mindering zijn gebracht. Bovendien heeft [gedaagde partijen] de berekening van de opzegvergoeding door Audax niet betwist.
De conclusie is dat de door Audax gevorderde hoofdsom van € 20.326,82 zal worden toegewezen.
De wettelijke handelsrente
Audax vordert € 1.914,66 aan wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW tot en met 11 november 2025 en de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding. [gedaagde partijen] betwist de gevorderde wettelijke handelsrente omdat zij de hoofdsom ook betwist. Omdat de door Audax gevorderde hoofdsom wordt toegewezen, slaagt dit verweer niet. De contractuele betalingstermijn is verstreken zodat de wettelijke handelsrente zal worden toegewezen zoals gevorderd.
De buitengerechtelijke incassokosten
Audax vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Omdat met hetgeen Audax naar voren heeft gebracht in randnummer 5 van de dagvaarding en productie 5 bij dagvaarding voldoende vast staat dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, zullen de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen volgens het wettelijk tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe Audax wordt veroordeeld. Dit betekent dat een bedrag van € 978,26 zal worden toegewezen aan buitengerechtelijke incassokosten.
De proceskosten
[gedaagde partijen] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Audax worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,11
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.884,11
Hoofdelijkheid
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde partijen] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Audax te betalen een bedrag van € 23.219,74, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 20.326,82, met ingang van 24 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partijen] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.884,11, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.