RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers
het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, het waterschap
Samenvatting
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23 / 2773
en
(gemachtigde: mr. M. Buitenhuis en mr. T. Raaijmakers).
1. Deze uitspraak gaat over het handhavingsverzoek van eisers in verband met wateroverlast van de Gulp. Het waterschap heeft dit verzoek deels niet-ontvankelijk verklaard en deels afgewezen. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt en in het besluit op bezwaar (bestreden besluit) is het waterschap hierbij gebleven. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het waterschap al dan niet handhavend had moeten optreden tegen de door eisers gestelde overtredingen. Eisers hebben ook gevraagd om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep (deels) gegrond is met name op het punt dat het waterschap eisers ten aanzien van een aantal voorzieningen niet als belanghebbend heeft aangemerkt. De rechtbank volstaat niet met een vernietiging van het bestreden besluit maar voorziet zelf in de zaak ten aanzien van die belanghebbendheid en het afwijzen van het handhavingsverzoek. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn toegewezen, maar het te betalen bedrag op nihil gesteld omdat in een aantal (samenhangende) zaken al een schadevergoeding is toegekend.
Procesverloop
Op 5 december 2022 hebben eisers een handhavingsverzoek ingediend bij het waterschap ten aanzien van voorzieningen / werkzaamheden in verband met (wateroverlast van) de Gulp, die volgens hen zonder vergunning of in strijd met wettelijke voorschriften zijn uitgevoerd.
Het waterschap heeft bij besluit van 3 maart 2023 (het primaire besluit) dit handhavingsverzoek van eisers grotendeels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen. Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 6 september 2023 (het bestreden besluit) heeft het waterschap dit bezwaar ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het waterschap heeft een verweerschrift ingediend.
Eisers hebben hun beroepschrift meermaals aangevuld.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het waterschap en [naam 1] en
[naam 2] namens het waterschap, de gemachtigde van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem, mr. E.M.G. Haagmans, en [naam 3] en [naam 4] namens dit college.
Naar aanleiding van de zitting heeft het waterschap bij schrijven van
19 september 2025 een aantal vragen van de rechtbank beantwoord en informatie aangeleverd.
Op 24 september 2025 heeft er een onderzoek ter plaatse plaatsgevonden. Daarbij waren naast voornoemde personen ter zitting ook eisers aanwezig. Afgesproken is om de hydroloog van het waterschap een aantal vragen te laten beantwoorden.
Naar aanleiding van het onderzoek ter plaatse heeft het waterschap bij schrijven van 22 oktober 2015 informatie toegezonden alsmede de rapportage van de hydroloog van het waterschap met antwoorden op de gestelde vragen.
Eisers hebben op 3 november 2025 schriftelijk gereageerd op de brieven / informatie van het waterschap van 19 september en 22 oktober 2025. Van de geboden mogelijkheid daarop te reageren heeft het waterschap geen gebruik gemaakt.
Partijen hebben van een nadere zitting afgezien en het onderzoek is gesloten op
15 januari 2026.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Feiten en omstandigheden
2. Aan deze uitspraak is een schematische weergave van de locatie met de van belang zijnde voorzieningen / werkzaamheden gevoegd (bijlage 1 en 2). Daarnaast gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3. Eisers zijn woonachtig aan de [adres] te [woonplaats] . Achter hun woning stroomt de Gulp (snelstromende beek). Bij woningen in het stroomgebied van de Gulp / in de directe omgeving van eisers trad in het verleden water- en modderoverlast op. Het waterschap is daarom in 1999 begonnen met het treffen van maatregelen om dit tegen te gaan.
In 2003, in navolging van een besluit van 7 februari 2000, wilde het waterschap overgaan tot het verbreden van het profiel van de Gulp over een lengte van zo’n 160 meter aan de achterkant van de woning van eisers. Daarvoor moest het wegprofiel van de [straatnaam 1] aangepast worden. De bedoeling was dat met het kantelen van de weg het water dat uit het landelijke gebied de weg op stroomde de Gulp in zou stromen voordat er wateroverlast kon optreden bij (lager gelegen) woningen aan de [straatnaam 1] , waaronder de woning van eisers.
De hiervoor bedoelde verbreding van de Gulp heeft echter nooit plaatsgevonden vanwege weerstand in de buurt. Het aanpassen van het wegprofiel van de [straatnaam 1] is wel uitgevoerd. Het waterschap heeft daartoe in 2010 in verband met het project ‘Wegaanpassing Beutenaken’ een ander gedeelte van de Gulp over een lengte van ongeveer 20 meter verbreed. Het rioleringsstelsel is aangepast en het deel van de [straatnaam 2] dat nabij de voorde van de Gulp ligt is verlaagd. Voorts is de [straatnaam 1] bij de woning van eisers verlaagd en gekanteld en is er een nieuwe voetgangersbrug over de Gulp geplaatst. Daarnaast zijn er bij het verbrede gedeelte van de Gulp twee stapelmuren (hierna ook: keermuren) geplaatst, één ter voorkoming van het verzakken van de nieuwe voetgangersbrug en één ter voorkoming van profielvernauwing, verzakken en wegspoelen van die brug en afkalving van de oever. Desondanks was er daarna sprake van wateroverlast.
Op 28 juli 2012 heeft er een overstroming plaatsgevonden van de Gulp. Volgens het waterschap is dit een omstandigheid die één keer in de 150 jaar voorkomt en was er op grond van de Omgevingsverordening Limburg 2014 geen beschermingsniveau voor het gebied bij de woning van eisers van toepassing. Er is alsnog gekeken naar het verbeteren van de maatregelen tegen wateroverlast ter plaatse door het waterschap.
De te nemen maatregelen zijn op 23 oktober 2018 vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst ‘Aanpak wateroverlast in het Gulpdal’. De daarin afgesproken maatregelen zijn in de notitie ‘Verbreden Gulp en aanpassen wegprofiel [straatnaam 1] te Waterop / Beutenaken’ (hierna: de notitie Beutenaken), door partijen ondertekend op
3 december 2019, nogmaals opgenomen. Gebleken is dat bepaalde maatregelen niet haalbaar / effectief waren.
Het waterschap heeft ervoor gekozen om een muurtje te plaatsen aan de voorzijde van de woning van eisers langs de [straatnaam 1] om wateroverlast vanuit die weg te voorkomen. Dit muurtje was tijdens de werkzaamheden in 2010 verwijderd en door eisers zelf teruggeplaatst. Het waterschap heeft in overleg met eisers het muurtje nadien verstevigd.
Hoewel er veel werkzaamheden zijn uitgevoerd om de wateroverlast van de Gulp te beperken, is niet alles op de juiste manier vergund. Afgesproken is - dat is vastgelegd in de notitie Beutenaken - om alsnog een vergunning aan te vragen voor het ophogen van de stapelmuren en het achtergelegen wandelpad. Daarnaast moest er een vergunning worden aangevraagd voor een overstortput die geplaatst is op de hoek van de [straatnaam 2] en de [straatnaam 1] , die dient ter vervanging van de oude overstortput. Voor het aanleggen van deze put en de uitmonding daarvan in de Gulp is op 5 januari 2010 en 27 april 2011 een gemeentelijke aanlegvergunning verleend. Het waterschap heeft op 25 mei 2021 hiervoor een lozingsvergunning verleend. De put is echter groter dan 15 vierkante meter gebleken, waardoor alsnog een bouwvergunning nodig was. Deze is bij gemeentelijke omgevingsvergunning van 22 februari 2023 verleend.
In juli 2021 is de Gulp nogmaals overstroomd. Volgens het waterschap is dit een omstandigheid die één keer in de 500 jaar voorkomt. De wateroverlast was zodanig dat er water in de woning (met name de keuken) van eisers terecht is gekomen. Tijdens deze overstroming kwam het water niet via de [straatnaam 1] de woning van eisers in. Het water stroomde via de achterzijde van het perceel naar voren en is uiteindelijk via de voorkant van de woning (onderkant van de voordeur) naar binnen gestroomd. Het muurtje, zoals onder 3.5 beschreven, heeft het water vanuit de [straatnaam 1] tegengehouden. Dat is daarna nog verhoogd.
Handhavingsverzoek
Op 5 december 2022 hebben eisers een handhavingsverzoek ingediend bij het waterschap. Eisers hebben in dat verzoek om handhaving van de volgende, door hen gestelde, overtredingen verzocht:
Het achterwege blijven van toegezegde maatregelen tegen wateroverlast in strijd met het vertrouwensbeginsel;
Het verbreden van de Gulp over een lengte van 20 meter zonder vooraf vastgesteld projectplan op grond van de Waterwet en zonder leggerbesluit;
Het verlagen van het talud van de Gulpzonder projectplan op grond van de Waterwet en zonder aanlegvergunning;
Het verlagen van de [straatnaam 1] aan de voorzijde van het huis van eisers, in strijd met de zorgplicht van de Keur van het waterschap en in strijd met de in 1998 aan de gemeente Wittem verleende watervergunning;
Het bouwen van twee keermuren (A en B) inclusief ophogingen van achter de keermuren gelegen gronden zonder projectplan, zonder leggerbesluit, in strijd met de Beleidsregels Oeverbescherming en de Keur 2019 betreffende Bouwen in de Meanderzone en zonder bouwvergunning;
Het aanpassen van de openbare leggerkaart zonder leggerbesluit.
Daarnaast hebben zij het waterschap in voormeld handhavingsverzoek verzocht om een vergunning van 1998 voor het behouden van de voorde te herzien of in te trekken, gelet op het volgens eisers aan hen toegezegde beschermingsniveau 1:25. Ook hebben zij het waterschap verzocht om handhavend op te treden tegen een in 1959 opgerichte keermuur, waarvoor volgens eisers geen geldige watervergunning aanwezig is. Ten slotte hebben zij in het handhavingsverzoek verzocht om intrekking van watervergunningen voor volgens hen illegale lozingen die in de omgeving plaatsvinden.
Op 30 januari 2023 hebben eisers hun handhavingsverzoek nader schriftelijk toegelicht. Daarin hebben zij, voor zover relevant, aangegeven dat zij handhavend optreden wensen tegen een derde keermuur die voor de brug gelegen is (hierna: keermuur C).
Het primaire besluit
4. Bij het primaire besluit heeft het waterschap het handhavingsverzoek van eisers grotendeels niet-ontvankelijk verklaard namelijk ten aanzien van de voorzieningen / werkzaamheden, [straatnaam 2] , de voorde, de keermuur uit 1959, de riooloverstortput en keermuur B. Alleen ten aanzien van het verbreden van de Gulp, keermuur A en het verlagen van de [straatnaam 1] zijn eisers door het waterschap als belanghebbend aangemerkt. Ten aanzien van deze onderdelen heeft het waterschap besloten dat er geen sprake is van een overtreding dan wel dat handhaving onevenredig zou zijn. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt.
Het bestreden besluit
5. Bij het bestreden besluit heeft het waterschap het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Daarbij is het waterschap gebleven bij het standpunt in het primaire besluit.
Beroepsgronden en reactie waterschap
6. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Samengevat weergegeven luiden hun beroepsgronden als volgt:
Het waterschap handelt in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het vertrouwensbeginsel omdat er toezeggingen zijn gedaan die niet worden nagekomen, met name ten aanzien van het bieden van een bepaald beschermingsniveau tegen wateroverlast en het uitvoeren van maatregelen;
Het waterschap handelt vooringenomen, onder andere vanwege een brief die aan eisers is gestuurd waarin werd aangegeven dat berichten van eisers niet meer zouden worden beantwoord;
Het advies van de bezwaarschriftencommissie is onduidelijk;
Eisers zijn ten onrechte grotendeels niet-ontvankelijk verklaard in hun handhavingsverzoek, omdat zij, in tegenstelling tot het standpunt van het waterschap, wel feitelijke gevolgen van enige betekenis ervaren ten aanzien van de onderwerpen in het handhavingsverzoek;
De verlaging van de [straatnaam 2] is zonder vergunning uitgevoerd en zorgt voor wateroverlast;
De vergunning van 16 februari 1998 voor het behouden van de voorde moet worden herzien of ingetrokken;
Het waterschap moet handhavend optreden tegen de restanten van de keermuur uit 1959 door deze muur af te breken;
Er vinden illegale lozingen plaats via de riooloverstortput. De vergunning die hiervoor in 2021 is verleend dient volgens eisers herzien of ingetrokken te worden.
7. Het waterschap heeft met een verweerschrift gereageerd op de beroepsgronden van eisers. Ten aanzien van de wateroverlast in 2012 en 2021 stelt het waterschap dat het om zeer uitzonderlijke situaties ging, en dat zelfs bij een beschermingsniveau van 1:25 of 1:100 van wateroverlast sprake zou zijn geweest. Voor het intrekken van de vergunningen van 16 februari 1998 (voorde) en 25 mei 2021 (lozingsvergunning) ziet het waterschap geen aanleiding.
8. Eisers hebben vervolgens hun beroepschrift meermaals aangevuld en wel op de volgende momenten: 9 mei 2025, 12 mei 2025, 8 juli 2025, 25 juli 2025,
18 augustus 2025, 1 en 2 september 2025 en 3 november 2025.
Zitting en vervolg
Naar aanleiding van de zitting heeft het waterschap bij schrijven van
19 september 2025 nog een aantal vragen beantwoord en informatie aangeleverd. Op 24 september 2025 heeft er een onderzoek ter plaatse plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft het waterschap bij schrijven van 22 oktober 2015 informatie toegezonden alsmede de rapportage van de hydroloog van het waterschap met antwoorden op tijdens het onderzoek ter plaatse gestelde vragen. Eisers hebben op 3 november 2025 schriftelijk een reactie gegeven op de brieven / informatie van het waterschap van 19 september en 22 oktober 2025. Het waterschap heeft daarop niet meer inhoudelijk gereageerd.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding
9. Tijdens het onderzoek ter plaatse is er met partijen gesproken over de kern van het door eisers ingediende beroep. Er is gebleken dat het water van de Gulp bij zeer uitzonderlijke waterstanden via de achterkant van het perceel naar voren is gelopen en zo in 2021 de woning van eisers (via kieren bij / onder de voordeur) binnen is gekomen. Door eisers wordt niet weersproken dat het in 2021 en in 2012 over (zeer) uitzonderlijke situaties ging. Over het algemeen functioneren de (water)voorzieningen naar behoren.
Aan de rechtbank ligt een gedeeltelijk afgewezen en een gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard handhavingsverzoek ter toetsing voor. De rechtbank kan en mag alleen een oordeel geven over of de vraag of het waterschap wel of niet van handhaving mocht afzien, gelet op de gronden die eisers daartegen hebben aangevoerd. Een algemeen oordeel over het uitgevoerde project (in 2010) kan / zal de rechtbank dus niet geven.
Hoewel goed invoelbaar voor de rechtbank, is de enkele wens van eisers voor betere bescherming tegen het water van de Gulp, in (zeer) uitzonderlijke situaties op zichzelf geen grondslag voor handhavend optreden. Daarvoor is overtreding van wetgeving nodig.
De rechtbank zal hierna per vermeende overtreding bespreken (onder 18 e.v.) of eisers als belanghebbenden aangemerkt kunnen worden, of er sprake is van een overtreding van wettelijke voorschriften en, zo ja, of het waterschap van handhavend optreden mocht afzien.
Voordat de rechtbank ingaat op de meer inhoudelijke beroepsgronden, zal zij eerst een oordeel geven over de door eisers gestelde vooringenomenheid van het waterschap (onder 10 en 11), of er sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel (onder 12 t/m 14), wanneer er in algemene zin sprake is van het zijn van belanghebbende (onder 15 e.v.) en wat het toepasselijke recht is (onder 17).
Heeft het waterschap vooringenomen gehandeld?
10. Volgens eisers heeft het waterschap vooringenomen gehandeld, omdat het waterschap op 8 maart 2022 aan eisers een brief heeft gestuurd waarin werd aangegeven dat niet meer gereageerd zou worden op berichten van eisers. Naast deze brief hebben er andere misverstanden plaatsgevonden waardoor eisers het vertrouwen in het waterschap hebben verloren. Volgens eisers is dit in strijd met artikel 2.4 van de Awb, waardoor het bestreden besluit vernietigd zou moeten worden.
11. Uit de gedingstukken volgt volgens de rechtbank dat het waterschap in de afgelopen jaren heel veel mails en brieven van eisers heeft ontvangen in verband met (het voorkomen van) wateroverlast bij hun woning. De rechtbank stelt vast dat in de brief van het waterschap aan eisers van 8 maart 2022 wordt vermeld (mede namens andere bestuursorganen) dat het beantwoorden daarvan en het voeren van gesprekken daarover nu niet meer zinvol is.
Op basis van de zitting en hetgeen besproken is tijdens het onderzoek ter plaatse, is de rechtbank gebleken dat eisers niet zijn uitgesloten van procesrechtelijke mogelijkheden, zoals bezwaar en dergelijke, en het waterschap beslist heeft op onderhavig handhavingsverzoek en zal blijven beslissen op formele (handhavings)verzoeken. Het is de rechtbank ook gebleken dat het waterschap zich na de brief van 8 maart 2022 is blijven inspannen om meer voor eisers te doen dan waartoe het waterschap verplicht is. De rechtbank verwijst in dit verband naar de bereidheid van het waterschap om nog steeds het bestaande muurtje te vervangen door een deugdelijk muurtje, hetgeen ook gebeurd is. Eisers zijn al jarenlang in overleg met het waterschap over de wateroverlast die zij ervaren en naar het oordeel van de rechtbank heeft het waterschap altijd meegedacht met eisers ook nog ter zitting en het onderzoek ter plaatse. In het licht van het vorenstaande is er allerminst aanleiding voor het oordeel van de rechtbank dat het waterschap vooringenomen / in het nadeel van eisers heeft gehandeld bij de besluitvorming naar aanleiding van onderhavig handhavingsverzoek. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er door het waterschap toezeggingen gedaan omtrent het waarborgen van beschermingsniveau 1:25?
12. Eisers stellen dat het waterschap hen heeft toegezegd, ondanks het ontbreken van een geldend beschermingsniveau, om maatregelen te treffen zodat beschermingsniveau 1:25 kon worden geboden. Eisers menen dat zij aan deze toezegging het gerechtvaardigde vertrouwen mochten ontlenen dat een beschermingsniveau van 1:25 zou worden geboden ter hoogte van hun perceel / woning.
13. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) hanteert bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel een vast stappenplan. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en / of gedraging waarop eisers zich beroepen, namelijk de vraag of die uitlating en / of gedraging kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen en, zo ja, wat de betekenis daarvan is voor de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.
14. Volgens eisers heeft het waterschap in een brief van 5 december 2012 en in de Notitie Beutenaken toegezegd om een beschermingsniveau van 1:25 te bieden. De rechtbank overweegt hierover als volgt. In de brief van 5 december 2012 wordt door het waterschap aangegeven dat door de uitgevoerde maatregelen de waterstaatkundige situatie ter hoogte van de woning van eisers voldoet aan het beschermingsniveau dat door het waterschap op deze locatie geboden moet worden zijnde een afvoersituatie die statisch gezien 1 keer per 25 jaar voorkomt. Later is gebleken (zie onder 12) dat ter plaatse van de woning van eisers geen normering geldt en deze mededeling dus niet juist is. De rechtbank stelt vast dat het waterschap in de notitie Beutenaken heeft vermeld te onderzoeken of aanvullende en kosteneffectieve maatregelen kunnen worden getroffen ter voorkoming van wateroverlast bij de woning van eisers ongeacht de geldende normering. Dat het waterschap meer heeft willen doen dan nodig, maakt volgens de rechtbank niet dat hieraan het gerechtvaardigde vertrouwen kon worden ontleend door eisers van een beschermingsniveau van 1:25. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat in de brief van 26 juni 2024 van het waterschap aan eisers is bericht dat het feitelijke beschermingsniveau (tenminste) 1:25 is, maar dat dat uitgaande van nieuwe toetsing wellicht niet meer helemaal gehaald wordt. Daarbij zal in een nieuw project om wateroverlast vanaf de hellingen te voorkomen worden onderzocht welke maatregelen mogelijk zijn om wel aan een 1:25 beschermingsniveau te voldoen. Hier is volgens de rechtbank sprake van een inspanning van het waterschap ten aanzien van beschermingsniveau 1:25 en de in dat verband te nemen maatregelen, en niet van een toezegging. Aan de voormelde tweede en derde stap komt de rechtbank dus niet toe. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Voor zover eisers later in de beroepsfase nog hebben betoogd te stellen dat er op basis van (provinciale) regelgeving een bepaald (hoger) beschermingsniveau ter plaatse van het perceel van eisers zou gelden, dan is de rechtbank daarvan (ten tijde van de besluitvorming) niet gebleken.
Het zijn van belanghebbende en het toepasselijke recht
15. Hierna (zie onder 9.3) zal de rechtbank per vermeende overtreding beoordelen of eisers belanghebbenden zijn, of er sprake is van een overtreding van wettelijke voorschriften en, zo ja, of het waterschap van handhavend optreden mocht afzien (onder 18 t/m 41). In dat verband wordt eerst in algemene zin ingegaan op artikel 1:2 van de Awb (onder 16) en het hier toepasselijke recht (onder 17).
16. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb staat dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een eventueel overtreden voorschrift, is in beginsel belanghebbende bij het al dan niet handhavend optreden daartegen. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor eisers zijn, kijkt de rechtbank, gelet op jurisprudentie van de Afdeling, onder andere naar de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen. Uiteraard is ook de afstand van het perceel van eisers tot de voorzieningen van belang en of zij daar zicht op hebben.
De rechtbank verwijst in dit verband naar bijlage 1 en 2 bij deze uitspraak en merkt alvast op dat veel van de voorzieningen ter plaatse in onderlinge samenhang moeten worden gezien in het licht van de vraag of er gevolgen van enige betekenis zijn.
17. De rechtbank stelt vast dat het handhavingsverzoek dat ten grondslag ligt aan deze procedure dateert van voor 1 januari 2024. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat dit geschil beoordeeld moet worden aan de hand van het voor
1 januari 2024 geldende recht. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom beoordelen aan de hand van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Waterwet, alsmede andere relevante wet- en regelgeving, die voor 1 januari 2024 gold. Voor zover eisers verwijzen naar wet- en regelgeving die na het bestreden besluit tot stand is genomen, zal de rechtbank daar niet op in gaan. Dit geldt onder andere voor de Waterschaps-verordening 2024.
Zijn eisers belanghebbenden, is er sprake van overtredingen en, zo ja, kon het waterschap van handhaving afzien?
De keermuur uit 1959
18. Eisers hebben het waterschap verzocht om handhavend op te treden ten aanzien van de restanten van een keermuur uit 1959 die voorbij de brug langs de Gulp staan. Het waterschap stelt dat eisers geen belanghebbenden zijn bij het verwijderen van deze keermuur.
Naar het oordeel van de rechtbank ondervinden eisers geen feitelijke gevolgen van enige betekenis van de restanten van de keermuur uit 1959. Het is de rechtbank niet gebleken dat de restanten van invloed zijn op de waterstand van de Gulp en al helemaal niet dat deze keermuur bijdraagt aan de wateroverlast die eisers ervaren. Het waterschap heeft eisers daarom terecht niet als belanghebbenden aangemerkt wat de restanten van deze muur betreft. Omdat eisers niet als belanghebbenden aangemerkt kunnen worden bij deze keermuur, hebben zij ook geen belang bij het intrekken van de vergunning die hiervoor is verleend, en heeft het waterschap deze onderdelen van het handhavingsverzoek terecht niet-ontvankelijk en de bezwaren daartegen terecht ongegrond verklaard. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De verlaging van de [straatnaam 2]
19. De rechtbank stelt vast dat de [straatnaam 2] in 2010 met 40 centimeter is verlaagd en hiervoor geen vergunning is aangevraagd of verleend. Eisers stellen dat de (talud)verlaging wateroverlast heeft veroorzaakt. Omdat er ten onrechte geen vergunning is verleend, hebben eisers om handhaving verzocht.
20. Het waterschap heeft eisers in het primaire besluit niet als belanghebbenden aangemerkt, omdat zij geen zicht hebben op de verlaagde weg en omdat hun perceel niet aan het verlaagde gedeelte van de weg grenst.
21. Tussen partijen staat vast dat het verlagen van de [straatnaam 2] de waterstand van de Gulp kan beïnvloeden en de Gulp daardoor ook eerder de weg op kan op stromen richting de [straatnaam 1] en dus richting de woning / het perceel van eisers. Hoewel partijen het niet eens zijn over wat het (precieze) gevolg is van de verlaging, heeft de verlaging wel (enig) effect op de waterstand van de Gulp, die grenst aan het perceel van eisers. Naar het oordeel van de rechtbank ervaren eisers, in tegenstelling tot hetgeen het waterschap heeft gesteld, feitelijke gevolgen van enige betekenis van het verlagen van de [straatnaam 2] althans zijn die gevolgen (niet alleen in zeer uitzonderlijke situaties) niet uitgesloten, en had het waterschap hen als belanghebbenden aan moeten merken. Deze beroepsgrond slaagt.
22. Ondanks dit gebrek in de besluitvorming, is de rechtbank van oordeel dat de uitkomst voor eisers niet verandert. De rechtbank vindt dat handhaving door het waterschap niet aan de orde is. Het waterschap heeft immers in het verweerschrift terecht gesteld dat de gemeente Gulpen-Wittem bevoegd is om handhavend op te treden tegen het ontbreken van de vereiste aanlegvergunning. Dit blijkt ook uit het feit dat eisers in de handhavingszaak tegen de gemeente (ROE 23 / 2234) de gemeente hebben verzocht om tegen dezelfde overtreding handhavend op te treden en daarop besloten is. Het is de rechtbank niet gebleken dat het waterschap op enige manier bevoegd is om tot handhaving over te gaan tegen het zonder aanlegvergunning verlagen van de [straatnaam 2] . Het waterschap had daarom het handhavingsverzoek van eisers op dit onderdeel niet niet-ontvankelijk moeten verklaren maar af moeten wijzen. De rechtbank zal in het licht hiervan niet volstaan met het bestreden besluit op dit onderdeel te vernietigen, maar zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog gegrond te verklaren en het handhavingsverzoek af te wijzen (zie onder 50).
De voorde
23. Op 16 februari 1998 is er door het waterschap aan de gemeente Gulpen-Wittem een vergunning verleend voor het behouden van de voorde. Eisers hebben het waterschap in het handhavingsverzoek verzocht om deze vergunning in te trekken of te herzien. Eisers wensen daarbij dat het waterschap de vergunning in overeenstemming brengt met een te bieden beschermingsnorm van 1:25. Het waterschap heeft eisers niet als belanghebbenden aangemerkt en dit onderdeel van het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
24. De rechtbank is van oordeel dat eisers ook hier belanghebbenden zijn. De verleende vergunning voor het behouden van de voorde heeft feitelijke gevolgen van enige betekenis voor eisers althans dat is niet uitgesloten, omdat het behouden en aanpassen van de voorde op grond van de vergunning invloed kan hebben op de waterstand van de Gulp en daarmee op mogelijke wateroverlast op of in de directe nabijheid van het perceel van eisers. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar oordeel over de belanghebbendheid ten aanzien van het verlagen van de [straatnaam 2] aangezien de [straatnaam 2] overgaat in de voorde (zie onder 21). Het zou onlogisch zijn hier tot een ander oordeel te komen. Het waterschap had daarom het verzoek tot herziening van de vergunning in ieder geval ontvankelijk moeten verklaren. Deze beroepsgrond slaagt.
Zoals hiervoor overwogen (onder 14) is de rechtbank van oordeel dat het waterschap niet gehouden is om een beschermingsniveau van 1:25 te bieden. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat het waterschap gehouden was om de bedoelde vergunning in te trekken of te herzien. De uitkomst van het bestreden besluit verandert daarom niet voor eisers: hoe dan ook heeft het waterschap de vergunning terecht niet ingetrokken. De rechtbank zal daarom ook hier niet volstaan met het bestreden besluit op dit onderdeel te vernietigen maar zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog gegrond te verklaren en het handhavingsverzoek af te wijzen (zie onder 50).
De riooloverstortput
25. Eisers hebben het waterschap verzocht om handhavend op te treden ten aanzien van (lozingen die plaatsvinden vanuit) de riooloverstortput die naast hun perceel is gerealiseerd in 2010.
Aanleggen / bouwen
26. Voor zover dit onderdeel van het handhavingsverzoek verband houdt met het aanleggen en / of bouwen van de riooloverstortput, overweegt de rechtbank het volgende. Het waterschap heeft in het primaire besluit eisers ten aanzien van deze put niet als belanghebbenden aangemerkt. In lijn met de overwegingen van de rechtbank over de belanghebbendheid bij de andere voorzieningen (zie onder 21 en 24), is de rechtbank van oordeel dat eisers wel als zodanig aangemerkt hadden moeten worden, omdat de lozingen die plaatsvinden via deze put gevolgen (van enige betekenis) kunnen hebben voor de waterstand van de Gulp / wateroverlast ter plaatse van het perceel van eisers. Bovendien grenst de locatie van deze put aan het perceel van eisers. Deze beroepsgrond slaagt.
Net als in het geval van het verlagen van de [straatnaam 2] is de rechtbank van oordeel dat de gemeente Gulpen-Wittem bevoegd is om handhavend op te treden tegen vermeende overtredingen ten aanzien van het bouwen en aanleggen van deze put en niet het waterschap. Daarbij merkt de rechtbank op dat eisers in hun beroepsprocedure tegen de gemeente Gulpen-Wittem hun handhavingsverzoek in dezen hebben laten vallen, nu hiervoor een legalisatievergunning is verleend waartegen zij eveneens beroep hebben ingesteld (ROE 23 / 2355). Uit het voorgaande volgt dat het waterschap ook dit onderdeel van het handhavingsverzoek af had moeten wijzen in plaats van niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank zal (zie eerder onder 22 en 24.1) ook hier niet volstaan met het bestreden besluit op dit onderdeel te vernietigen maar zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog gegrond te verklaren en het handhavingsverzoek af te wijzen (zie onder 50).
Lozingen
27. Ten aanzien van het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen de lozingen die vanaf de riooloverstortput in de Gulp plaatsvinden, overweegt de rechtbank allereerst dat het waterschap eisers ook hier ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun handhavingsverzoek, gelet op hetgeen hiervoor onder 26 is overwogen. Deze beroepsgrond slaagt dus.
28. Op 25 mei 2021 is er door het waterschap een vergunning verleend aan de gemeente Gulpen-Wittem voor, kort gezegd, het lozen van afstromend hemelwater vanaf verhard oppervlak en het lozen van overstortwater in de Gulp. Eisers hebben geen rechtsmiddel aangewend tegen deze vergunning. Zij stellen echter dat de vergunning ingetrokken moet worden, omdat de vergunning in strijd is met artikel 6.2 van de Waterwet. Daarnaast stellen zij dat er zonder vergunning vanaf onverhard oppervlak wordt geloosd.
29. Artikel 6.2 van de Waterwet bepaalt, voor zover relevant, dat het verboden is om stoffen te brengen in een oppervlaktewaterlichaam, tenzij een daartoe strekkende vergunning is verleend door het bestuur van het betrokken waterschap in het geval van regionale wateren.
Artikel 3.4 van het Besluit lozen buiten inrichtingen (BLBI) bepaalt dat het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening en dat geen afvalwater is op of in de bodem, in een oppervlaktewaterlichaam, voor zover relevant, is toegestaan.
Uit artikel 3.14 van het BLBI volgt dat het lozen in een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem van afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel is toegestaan, indien het stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan opgenomen overzicht van:
a. de in de gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, bedoeld in artikel 3.5 van de Waterwet;
b. de maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, bedoeld in artikel 3.6 van de Waterwet;
en het stelsel overeenkomstig het gemeentelijk rioleringsplan is uitgevoerd en wordt beheerd.
In het BLBI worden dus twee soorten lozingen onderscheiden: afvloeiend hemelwater van onverhard oppervlak (artikel 3.4 van het BLBI) en afvalwater afkomstig van een openbaar ontwateringsstelsel of openbaar hemelwaterstelsel (artikel 3.14 van BLBI). Het eerste mag rechtstreeks op grond van het BLBI worden geloosd, het tweede enkel als dit in lijn is met het gemeentelijk rioleringsplan.
Artikel 3.1 van de Keur 2019 van het waterschap bepaalt, voor zover van belang, het volgende:
1. Het is toegestaan om handelingen in het watersysteem en de bijbehorende beschermingszones, in een meanderzone en in een inundatiegebied, als ook in het door het dagelijks bestuur aan te wijzen profiel van vrije ruimte, te verrichten of te laten verrichten mits voldaan wordt aan de in dit hoofdstuk opgenomen zorgplichtbepalingen.
2. Degene die de in lid 1 toegestane handelingen verricht of laat verrichten en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door die handeling nadelige effecten voor het watersysteem ontstaan of kunnen ontstaan, voorkomt die effecten voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verwacht.
30. Op voorhand overweegt de rechtbank dat er geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat de vergunning had moeten worden ingetrokken omdat de vergunning in strijd is met artikel 6.2 van de Waterwet. In dit artikel is juist bepaald dat er een vergunning nodig is om stoffen in een oppervlaktewaterlichaam te mogen lozen. In dat verband is de vergunning terecht verleend. Ook is de rechtbank niet gebleken / is onvoldoende onderbouwd door eisers dat hier niet voldaan is aan de andere wettelijke voorschriften. De rechtbank is daarom van oordeel dat het waterschap de vergunning terecht niet heeft ingetrokken.
De zorgplicht zoals deze geformuleerd is in artikel 3.1 van de Keur 2019 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Deze zorgplicht bevat geen verbods- of gebodsbepaling op grond waarvan de lozingen (die moeten zien op nadelige effecten voor het watersysteem), die plaatsvinden als overtreding aangemerkt zouden moeten worden. Anderszins is het de rechtbank ook niet gebleken dat het waterschap in strijd met de Keur 2019 heeft gehandeld.
Wat het water vanuit onverhard oppervlak betreft, overweegt de rechtbank nog als volgt. Eisers hebben niet weersproken dat dit hemelwater (van akkers en velden) betreft. Naar het oordeel van de rechtbank vallen deze lozingen daarom dus ook onder de reikwijdte van artikel 3.4 van het BLBI en zijn ze daarom vergunningvrij. Het overige afgevoerde water, afkomstig van verhard oppervlak, is vergund en daarom ook toegestaan. Het is de rechtbank ook in dit geval anderszins niet gebleken dat het waterschap in strijd met de Keur 2019 heeft gehandeld.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat er illegale lozingen plaatsvinden of dat de onherroepelijk verleende vergunning ingetrokken of herzien zou moeten worden. De rechtbank vindt dat het gebrek in het bestreden besluit, namelijk het ongegrond verklaren van het bezwaar omdat eisers niet belanghebbend zijn bij het handhavingsverzoek voor deze put, niet tot een andere uitkomst leidt, omdat gebleken is dat het handhavingsverzoek tot intrekking van de lozingsvergunning / het toestaan van de lozingen moest worden afgewezen. De rechtbank zal in het licht hiervan niet volstaan met het bestreden besluit op dit onderdeel te vernietigen maar zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog gegrond te verklaren en het handhavingsverzoek af te wijzen (zie onder 50).
Keermuren
31. Eisers hebben het waterschap verzocht om handhavend op te treden tegen het bouwen van twee oever verdedigende muren, tussen partijen bekend als keermuur A en B, zonder bouwvergunning, zonder leggerbesluit, in strijd met de Beleidsregels Oeverbescherming en de Keur 2019 betreffende Bouwen in de Meanderzone.
Keermuur B
32. Het waterschap heeft eisers in het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard in hun handhavingsverzoek ten aanzien van keermuur B. In het bestreden besluit is het waterschap daarvan niet terug gekomen.
33. De rechtbank vindt dat standpunt van het waterschap onjuist. Eisers hebben (enig) zicht vanaf hun perceel op deze keermuur en ook deze voorziening is van enige invloed op het waterpeil / stroming ter plaatse. In die muur bevindt zich bovendien een afvoerpijp voor de riooloverstortput (zie ook onder 26.1).
Tijdens het onderzoek ter plaatse hebben eisers aangegeven dat zij geen problemen hebben met keermuur B. Zij zijn het echter oneens met de uitgevoerde grondophogingen, omdat deze aan de achterkant van het perceel van eisers hadden moeten plaatsvinden en niet ter plaatse van keermuur B.
De rechtbank is niet gebleken dat er sprake is van een overtreding van enig wettelijk voorschrift waarvoor het waterschap bevoegd is om handhavend op te treden. Ten aanzien van het ontbreken van een bouwvergunning voor deze keermuur, wijst de rechtbank erop dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem het bevoegd gezag is om tegen een eventuele overtreding handhavend op te treden. Voor het overige overweegt de rechtbank dat het waterschap niet handhavend kan optreden ten aanzien van de wens van eisers om de grondophogingen elders te laten uitvoeren. Het waterschap had het handhavingsverzoek van eisers daarom ontvankelijk moeten verklaren en af moeten wijzen. Deze beroepsgrond slaagt.
Ondanks dat de beroepsgrond ten aanzien van het zijn van belanghebbenden ten aanzien van keermuur B slaagt, zal de rechtbank in het licht van het vorenstaande zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog gegrond te verklaren en het handhavingsverzoek af te wijzen (zie onder 50).
Keermuur A
34. Ten aanzien van keermuur A heeft het waterschap eisers in het primaire besluit ontvankelijk verklaard in hun handhavingsverzoek met name vanwege het zicht op deze keermuur vanaf en de afstand hiervan tot hun perceel. Het handhavingsverzoek is afgewezen, omdat er geen sprake is van een overtreding van de door eisers gesteld regels. Het waterschap stelt dat eisers in beroep niet langer spreken over keermuur A.
35. De rechtbank volgt voormeld standpunt van het waterschap. Zoals hiervoor overwogen ten aanzien van keermuur B is de rechtbank daarnaast ook niet gebleken dat er sprake is van een overtreding waarvoor het waterschap bevoegd is om handhavend op te treden. Voor zover eisers menen dat dit wel het geval is, hebben zij dit in hun beroepschrift niet toegelicht. Het waterschap heeft het handhavingsverzoek ten aanzien van keermuur A daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen en het bezwaar daartegen in het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Keermuur C
36. Eisers hebben het waterschap ook verzocht handhavend op te treden ten aanzien van keermuur C (zie onder 3.10).
37. Over keermuur C hebben eisers geen beroepsgronden aangevoerd. Daaraan gaat de rechtbank dus voorbij. Voor zover hier van belang, verwijst de rechtbank naar de heden gedane uitspraak in de zaak 23 / 2234.
Het verlagen van de [straatnaam 1]
38. Eisers verzoeken het waterschap om handhavend op te treden ten aanzien van het zonder vergunning verlagen / kantelen van de [straatnaam 1] zoals dit in 2010 is uitgevoerd. Volgens eisers is het verlagen van de [straatnaam 1] in strijd met artikel 2.1 van de Waterwet.
39. Het waterschap heeft eisers ontvankelijk verklaard ten aanzien van dit onderdeel van het handhavingsverzoek. Volgens het waterschap is artikel 2.1 van de Waterwet enkel een doelstelling en geen verbods- of gebodsbepaling, waardoor er geen overtreding bestaat waartegen het waterschap handhavend kan optreden. Daarom is dit handhavingsverzoek in het primaire besluit afgewezen en het bezwaar daartegen in het bestreden besluit ongegrond verklaard.
40. Artikel 2.1 van de Waterwet bepaalt het volgende:
1. De toepassing van deze wet is gericht op:
a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met
b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en
c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
2. De toepassing van deze wet is mede gericht op andere doelstellingen dan genoemd in het eerste lid, voor zover dat elders in deze wet is bepaald.
41. Met het waterschap vindt de rechtbank dat eisers belanghebbenden zijn en dat dit artikel van de Waterwet geen verbods- of gebodsbepaling bevat die de grondslag kan vormen voor handhavend optreden voor het waterschap. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van een overtreding van een ander wettelijk voorschrift waarvoor het waterschap bevoegd is om handhavend op te treden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het verbreden van de Gulp
42. Eisers zijn het ermee oneens dat het waterschap de Gulp slechts beperkt heeft verbreed, in tegenstelling tot de oorspronkelijke geplande verbreding van 160 meter. Volgens eisers is het verbreden van de Gulp uitgevoerd zonder leggerbesluit.
43. De rechtbank vindt met het waterschap dat eisers hier belanghebbenden zijn en overweegt ten aanzien van deze beroepsgrond het volgende. Op 20 juli 2023 is er door het waterschap een leggerbesluit gepubliceerd ten aanzien van deze verbreding van de Gulp. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover de verbreding in eerste instantie zonder leggerbesluit was uitgevoerd, er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit wel een leggerbesluit aan de verbreding ten grondslag lag. Voor zover er al sprake was van een overtreding, is deze overtreding beëindigd, dan wel zijn eisers hierdoor niet benadeeld. Ook is de rechtbank niet gebleken van een andere grondslag voor handhavend optreden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is er op een andere grond sprake van strijd met artikel 3:2 van de Awb / is het advies van de bezwaarcommissie onduidelijk?
44. Eisers stellen dat het waterschap onzorgvuldig heeft gehandeld en het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb tot stand is gekomen.
45. Artikel 3:2 van de Awb bepaalt dat het waterschap bij de voorbereiding van het bestreden besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen dient te vergaren. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het waterschap dit niet heeft gedaan. Het dossier van eisers aan de rechtbank is omvangrijk en op momenten niet altijd even overzichtelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de feitelijke weergave zoals door het waterschap in het bestreden besluit is opgenomen, of dat het bestreden besluit anderszins onzorgvuldig tot stand is gekomen. Tijdens het onderzoek ter plaatse heeft de rechtbank de feiten kunnen verifiëren. Hierin ziet de rechtbank geen afwijkingen ten opzichte van hetgeen het waterschap in het bestreden besluit uiteen heeft gezet. Dat eisers het niet eens zijn met het bestreden besluit en met het in 2010 uitgevoerde project, maakt niet dat het waterschap het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid.
46. Voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is, omdat het advies van de bezwaarcommissie onduidelijk / gebrekkig is, ziet de rechtbank eveneens geen aanleiding. Daarbij merkt de rechtbank op dat, daar waar eisers naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard door het waterschap, het bestreden besluit reeds hierom al wordt vernietigd.
Slotopmerking
47. Voor zover eisers nog andere beroepsgronden hebben aangevoerd dan hiervoor besproken (of dat beoogd hebben) en / of verwezen is naar jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat hieruit niet blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is en dus op andere gronden dan hiervoor genoemd vernietigd zou moeten worden.
Conclusie en gevolgen
48. Ten aanzien van de voorzieningen, namelijk de restanten van de keermuur uit 1959 (zie onder 18.1), keermuur A (zie onder 35), het verlagen van de [straatnaam 1] (zie onder 41) en het verbreden van de Gulp (zie onder 43) is het beroep ongegrond.
49. Het beroep is gegrond voor zover het waterschap eisers ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun handhavingsverzoek. Anders dan het waterschap vindt de rechtbank dat eisers wel belanghebbenden zijn. Het gaat hier om de volgende voorzieningen: de verlaging van de [straatnaam 2] (zie onder 21), de voorde (zie onder 24), de riooloverstortput (met de lozingen)(zie onder 26) en keermuur B (zie onder 33).
Het waterschap had de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit, namelijk dat zij belanghebbenden zijn, dus gegrond moeten verklaren. Nu dat niet het geval is, komt het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking.
50. De rechtbank heeft (in verband met een effectieve geschilbeslechting) beoordeeld of er ten aanzien van voormelde voorzieningen sprake is van, zoals eisers stellen, overtreding van wettelijke voorschriften. Dat is volgens de rechtbank niet zo. De rechtbank zal daarom niet volstaan met het bestreden besluit in zoverre te vernietigen (zie 49) maar zij zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het primaire besluit in zoverre alsnog gegrond te verklaren en het handhavingsverzoek ten aanzien van deze voorzieningen af te wijzen en het primaire besluit in die zin herroepen. ). Zie onder 22, 24.1, 26.1 en 30.3. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit (artikel 8:74, derde lid, onder b, van de Awb).
De rechtbank wil nogmaals benadrukken (zie onder 9 t/m 9.2) dat in deze handhavingsuitspraak alleen de overtreding van wettelijke voorschriften aan de orde kan zijn en zij geen oordeel kan geven over de wateroverlast (in zeer uitzonderlijke situaties) als dat niet het geval is. Dat die (zeer) uitzonderlijke situaties er (kunnen) zijn en de voorzieningen mogelijk dan van (enige) invloed op wateroverlast op het perceel / in de woning van eisers zijn is een gegeven maar op zich zelf dus niet genoeg om strijd met wettelijke voorschriften aan te nemen. Dat eisers belanghebbenden zijn (ook in normale situaties) bij de (meeste) voorzieningen maakt dat niet anders.
51. Omdat het beroep gegrond is, moet het waterschap het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Overschrijding van de redelijke termijn
52. Eisers betogen dat aan hen een schadevergoeding moet worden toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure vanaf het indienen van het bezwaarschrift in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar mag duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere duur te rechtvaardigen. Uitgangspunt is een schadebedrag van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden. Of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank verder beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het waterschap respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid worden uitgesproken.
Het waterschap heeft het bezwaarschrift van eisers op 5 april 2023 ontvangen. Het waterschap heeft vijf maanden na ontvangst van het bezwaarschrift het bestreden besluit van 6 september 2023 genomen. De bezwaarfase heeft minder dan een half jaar geduurd. Eisers hebben op 16 oktober 2023 beroep ingesteld en het beroep heeft dus thans meer dan anderhalf jaar geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn moet daarom aan de rechtbank worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de redelijke termijn verlengd moet worden. De redelijke termijn is thans met ongeveer een jaar en acht maanden overschreden.
De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de schadevergoeding te matigen. In de heden gedane uitspraak in de zaken ROE 23 / 2234, 23 / 2354 en 23 / 2355 heeft de rechtbank reeds aan eisers een schadevergoeding toegekend in verband met het overschrijden van de redelijke termijn. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van zodanige onderlinge samenhang tussen de zaken dat van een nadere schadevergoeding in deze zaak kan worden afgezien. De rechtbank zal daarom het verzoek om schadevergoeding wel toewijzen, maar het te betalen bedrag gelijkstellen aan nihil.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ten aanzien van de verlaging van de [straatnaam 2] , de voorde, de riooloverstortput (met de lozingen) en keermuur B ongegrond is verklaard:
- voorziet zelf in de zaak en verklaart het bezwaar in zoverre gegrond, herroept het primaire besluit in zoverre eisers ten aanzien van bovenstaande onderdelen niet-ontvankelijk zijn verklaard en wijst het handhavingsverzoek op voormelde onderdelen af;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- bepaalt dat het waterschap het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe maar stelt het te betalen bedrag op nihil.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. van der Genugten, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
16 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage 1: Situatieschets ter hoogte van de [adres]
Bijlage 2: luchtfoto van de situatie ter hoogte van de [adres]