RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12061518 \ CV EXPL 26-323
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[werknemer] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.J.O.F. Rutten,
tegen
METRO CASH & CARRY NEDERLAND B.V. T.H.O.D.N. MAKRO [plaats 1],
te Amsterdam-Duivendrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Makro,
gemachtigde: mr. J.W.A. Ringeling.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarbij beide partijen pleitnota’s hebben overgelegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[werknemer] is op 1 september 2011 op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij Makro.
[werknemer] heeft enige tijd binnen Makro de functie van Manager Preparations vervuld. Sinds 1 maart 2022 vervult [werknemer] de functie Manager Services.
[werknemer] is werkzaam in de vestiging van Makro te [plaats 1] . Zij is in die vestiging lid van het managementteam. Van dat team maken (onder anderen) ook de Manager Sales en de Manager Preparations onderdeel uit.
De drie managementfuncties (Services, Sales en Preparations) zijn zogenoemde “boven-cao functies”. Dat houdt in dat de regels en de procedures die in de toepasselijke cao zijn opgenomen voor wat betreft de inschaling niet van toepassing zijn op deze functies. De drie managementfuncties zijn tot 2024 op basis van het ORBA-systeem op dezelfde schaal gewaardeerd.
In 2023 heeft het moederbedrijf van Makro besloten om wereldwijd het functiewaarderingssysteem volgens de Korn Ferry Hay-methode (hierna: KFH-methode) te gaan gebruiken.
Na instemming van de ondernemingsraad van Makro heeft de directie van Makro op 12 augustus 2023 besloten om met ingang van 1 oktober 2023 de KFH-methode toe te passen bij het wegen van alle boven-cao functies.
Per 1 januari 2024 is de functie Manager Services van [werknemer] op basis van de KFH-methode ingedeeld in schaal 14. De functies Manager Sales en Manager Preparations zijn op basis van die methode ingedeeld in schaal 15.
[werknemer] heeft door de inschaling van haar functie in de nieuwe KFH-schaal 14 meer groeiperspectief dan zij had in de ORBA-schaal.
Bij e-mail van 23 januari 2024 heeft [werknemer] namens alle Manager Services in Nederland bezwaar gemaakt tegen de indeling van hun functie in schaal 14. Zij heeft (hebben) daarbij het standpunt ingenomen dat deze functie gelijk gewaardeerd moet worden aan de functies Manager Sales en Manager Preparations.
Op 14 februari 2024 hebben de Storemanagers van Makro in Nederland aan hun Managers Services een toelichting gegeven over de weging van hun functie.
Met uitzondering van [werknemer] hebben daarna de Managers Services hun bezwaar ingetrokken.
Bij e-mail van 5 maart 2024 heeft [werknemer] aan Makro medegedeeld dat en waarom zij haar bezwaar handhaaft.
Op 26 maart 2024 heeft Makro aan [werknemer] opnieuw een toelichting gegeven op de weging van haar functie.
In een telefonisch gesprek in mei 2024 heeft [persoon 1] (People en Culture Manager Operations van Makro) aan [werknemer] voorgesteld dat [werknemer] zelf de positie van een Manager Services aan een KFH-wegingsspecialist kan toelichten.
Bij e-mail van 24 mei 2024 heeft [werknemer] aan [persoon 1] medegedeeld dat zij dat geen goed idee vindt. Ze verzoekt in deze e-mail aan [persoon 1] om te laten zien welke taken zijn meegewogen, zodat zij aan de hand daarvan kan aangeven wat zij mist.
Op 6 september 2024 heeft [werknemer] bij Makro te [plaats 2] gesproken met [persoon 1] en met [persoon 2] (Head of Labour Relations van Makro). Daarbij is het KFH rapport besproken en is aan [werknemer] de rapportage van de weging van de functie Manager Services overhandigd.
Bij e-mail van 6 september 2024 heeft de gemachtigde van [werknemer] aan Makro medegedeeld dat [werknemer] tot dat moment geen bevredigende reactie op haar bezwaar ontvangen heeft. De gemachtigde van [werknemer] heeft Makro verzocht om een gedegen reactie en om duidelijk inzicht te geven in het voorliggende proces.
Bij e-mail van 18 oktober 2024 heeft de gemachtigde van Makro aan (de gemachtigde van) [werknemer] uitgelegd hoe Makro tot de weging van de functie Manager Services is gekomen. Daarbij is tevens als bijlage een overzicht meegestuurd waaruit blijkt dat de weging van de functie Manager Services 1 punt te laag is voor KFH-schaal 15.
Bij e-mail van 3 december 2024 heeft de gemachtigde van [werknemer] daarop gereageerd met het verwijt dat Makro het functieprofiel niet aan [werknemer] voorgelegd heeft met de vraag of en nog op- of aanmerkingen zijn. In deze mail worden een aantal taken van [werknemer] genoemd die volgens haar niet of onvoldoende zijn meegewogen.
Op 14 maart 2025 heeft [werknemer] (met haar partner) gesproken met [persoon 1] , [leidinggevende] (haar leidinggevende) en met [persoon 2] . Onderwerp van dit gesprek waren de taken van de Manager Services.
Op 20 maart 2025 heeft [persoon 1] de inhoud van voornoemd gesprek aan [werknemer] bevestigd. [werknemer] heeft daar op 27 maart 2025 op gereageerd met een aantal aanvullingen.
Makro heeft de bevindingen van het gesprek van 14 maart 2025 voorgelegd aan [persoon 3] die als Head of Operational Support verantwoordelijk is voor het omschrijven van alle operationele processen en de verantwoordelijkheden hierin.
Bij brief van 25 juni 2025 heeft Makro aan [werknemer] medegedeeld dat er geen nieuwe inzichten zijn die de weging van de Manager Services kunnen beïnvloeden en dat de weging daarom onveranderd schaal 14 oplevert. De brief vermeldt (samengevat) dat de Manager Services volgens de procedures van Makro geen “accountability” heeft voor de voorraad en dat de procedure op dat onderdeel in de vestiging [plaats 1] niet afwijkt van die in de andere vestigingen.
Bij e-mail van 7 juli 2025 heeft de gemachtigde van [werknemer] aan de gemachtigde van Makro medegedeeld dat en waarom Makro niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in redelijkheid tot deze inschaling heeft kunnen komen. [werknemer] gemachtigde vraagt in deze brief om tot een passende oplossing te komen.
Bij e-mail van 14 juli 2025 heeft Makro aan [werknemer] medegedeeld dat Makro eventueel een second opinion van de weging kan laten verrichten.
Makro heeft vervolgens door Korn Ferry de functieweging laten toetsen. De bevindingen daarvan zijn vastgelegd in een “Evaluatierapport Manager Services” dat Makro op 12 augustus 2025 aan [werknemer] doorgestuurd heeft. De conclusie van dat rapport luidt:
“Op basis van de aangeleverde informatie en de additionele toelichting is de conclusie van Korn Ferry dat de evaluatie zoals uitgevoerd door MAKRO leidt tot een correcte uitkomst in KFHL 14 en dat het verschil met de functies Manager Sales en Manager Preparation die zijn ingedeeld in KFHL 15 vanuit functieklassificatie-technisch oogpunt te verklaren is.
De technische evaluatie van Korn Ferry wijkt enigszins af van de evaluatie zoals door MAKRO uitgevoerd maar leidt tot dezelfde indeling in KFHL 14.”
De in voornoemd citaat vermelde afwijking komt erop neer dat Korn Ferry bij de waardering van de functie van Manager Sales op een lager puntenaantal is uitgekomen dan
Makro.
Partijen hebben daarna nog gecorrespondeerd, maar dit heeft niet geleid tot een wijziging van hun standpunten.
3. Het geschil
[werknemer] vordert:
I. voor recht te verklaren dat zij op grond van haar functie, werkzaamheden en toepasselijke rechtspositie recht heeft op indeling in salarisschaal 15 conform de geldende cao/ rechtspositieregeling;
II. Makro te veroordelen om haar met terugwerkende kracht per 8 januari 2024 in salarisschaal 15 te plaatsen en het daarbij behorende loon en emolumenten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de nabetaling,
III. Makro te veroordelen tot betaling van € 462,50 (incl. btw) aan buitengerechtelijke kosten,
IV. Makro te veroordelen tot betaling van de proceskosten
V. Makro te veroordelen tot betaling van de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Makro voert aan dat de vordering van [werknemer] afgewezen moet worden omdat de functie Manager Services terecht in schaal 14 is ingedeeld.
4. De beoordeling
De kantonrechter zal de vordering van [werknemer] afwijzen. Hoe zij tot dit oordeel is gekomen zal zij hierna uitleggen.
Het is vaste rechtspraak dat een werkgever bij de waardering van een functie ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De rechterlijke toets van die waardering dient dan ook terughoudend te zijn. Het gaat er daarbij om of de werkgever in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
Bij het waarderen van de functie Manager Services heeft Makro gebruik gemaakt van de KFH-methode. Tegen het gebruik van deze methode heeft [werknemer] op zichzelf geen bezwaar. Wel stelt zij dat Makro op allerlei momenten heeft verzuimd haar duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop de functie is gewaardeerd. De kantonrechter is van oordeel dat dit verwijt van [werknemer] in wezen niet relevant is voor de beoordeling van de vordering van [werknemer] . Bij de vraag of Makro in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de functie Manager Services in KFH-schaal 14 in te delen, is namelijk niet relevant of Makro in dat proces steken heeft laten vallen in de wijze waarop zij [werknemer] geïnformeerd heeft. Uiteraard moet wel in deze procedure vastgesteld kunnen worden dat Makro van de juiste relevante informatie omtrent de functie-inhoud van de Manager Services is uitgegaan bij de weging van die functie en dat zij via de KFH-methode in redelijkheid heeft kunnen besluiten de functie met KFH-schaal 14 te waarderen.
Makro is bij de weging van de functie Manager Sales uitgegaan van de functie-omschrijving. Deze functie-omschrijving maakt (als bijlage) onderdeel uit van het Evaluatierapport Manager Services. Het standpunt van [werknemer] dat het haar tot op heden niet duidelijk is welke “basisgegevens, dus de functieomschrijving” door Makro is ingevoerd, kan de kantonrechter dan ook niet volgen. [werknemer] stelt dat, als alleen naar haar functieomschrijving wordt gekeken, daarmee onvoldoende recht is gedaan aan de taken die zij daadwerkelijk heeft. In dat verband voert zij aan dat zij, anders dan Makro veronderstelt, wel degelijk verantwoordelijk is voor de omzet van het tankstation waarover zij het beheer voert. De omzet van het tankstation is volgens [werknemer] 15% van de totale omzet van Makro’s vestiging te [plaats 1] . Dit argument kan [werknemer] niet baten. Het enkele feit dat het tankstation een omzet van 15% genereert, maakt namelijk nog niet dat [werknemer] voor die omzet (eind)verantwoordelijkheid draagt. [werknemer] wijst er verder op dat zij verantwoordelijk is, althans invloed heeft op deze omzet omdat zij bij de leverancier moet bestellen. Makro heeft dit onderdeel van [werknemer] betoog betwist. Volgens haar draagt [werknemer] binnen de afgesproken processen van Makro geen verantwoordelijkheid voor de omzet. Makro stelt dat de leverancier op basis van de standen in de tanks automatisch een seintje krijgt dat er moet worden bijgevuld. Volgens Makro is [werknemer] daarom niet verantwoordelijk voor het bestellen van de brandstoffen. [werknemer] heeft vervolgens beaamd dat dit de normale en afgesproken gang van zaken is, maar dat dit ongeveer één keer per maand mis gaat en dat zij dan moet (laten) bellen met de leverancier omdat de stand in de tank te laag is. De kantonrechter is het met Makro eens dat dit gegeven geen – voor de weging van de functie – relevante extra eindverantwoordelijkheid impliceert. [werknemer] voelt zich weliswaar verantwoordelijk voor het op peil houden van de standen in de tanks, maar die verantwoordelijkheid ligt feitelijk en contractueel bij de leverancier en gesteld noch gebleken is dat Makro bij te lage standen de Manager Services daarop kan aanspreken. Het is dus niet zo dat de Manager Services financieel verantwoordelijk is voor 15% van de omzet van de Makro vestiging te [plaats 1] . In de woorden van Makro is hier namelijk geen sprake van “accountability”.
Een vergelijkbaar betoog heeft [werknemer] gehouden over de voorraad in de winkel. Dit betoog komt er in de kern op neer dat, wanneer de Manager Sales en de [functie] niet aanwezig zijn, [werknemer] in haar functie van Manager Services de verantwoordelijkheid voor de voorraad draagt omdat zij in die situatie ervoor moet zorgen dat de schappen gevuld blijven. Ook dit betoog kan haar niet baten, want daaruit blijkt niet dat de Manager Services (eind)verantwoordelijkheid draagt voor de voorraad. Hieruit blijkt immers hooguit dat de [werknemer] bij afwezigheid van de andere twee managers ervoor moet zorgen dat (bijna) lege schappen in de winkel aangevuld worden. Dit moet dan gebeuren vanuit de aanwezige voorraad. Dat de Manager Services in die situatie (eind)verantwoordelijk is voor de aanwezigheid van voldoende van die voorraad, kan de kantonrechter niet uit het betoog van [werknemer] afleiden. Hieruit volgt dat niet gebleken is dat Makro bij de weging is uitgegaan van een te laag verantwoordelijkheidsniveau van de Manager Services op dit onderdeel.
[werknemer] stelt verder dat zij lid is van het managementteam en dat zij voorheen de functie [functie] vervuld heeft. Volgens haar hadden deze twee aspecten intenser beoordeeld moeten worden. Het is opmerkelijk dat [werknemer] deze twee punten naar voren brengt op grond van het volgende. In het Evaluatierapport Manager Services staat dat [werknemer] (onder meer) deze twee punten als bezwaar opgeworpen had. Daarop is in dat rapport als volgt gereageerd:
“Vanuit klassificatie technisch oogpunt kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
(…)
(…)
Het is niet vanzelfsprekend dat alle functies die onderdeel van een managementteam uitmaken op hetzelfde niveau worden geëvalueerd. De functieinhoud is bepalend, niet de hiërarchische positie.
Dat voorheen de functie [functie] werd vervuld is niet relevant voor de evaluatie van de functie van Manager Services. Dat is een persoonsgebonden element en geen functiegebonden element.”
In reactie hierop heeft de gemachtigde van [werknemer] destijds in haar e-mail van 18 september 2025 aan Makro’s gemachtigde medegedeeld dat deze twee punten nooit argumenten geweest zijn op basis waarvan [werknemer] de weging ter discussie heeft gesteld.
In dat licht bezien is het opmerkelijk dat [werknemer] nu kennelijk in deze procedure voor de kantonrechter die twee punten alsnog ter discussie stelt. De kantonrechter is hierover van oordeel dat [werknemer] hiermee niet heeft kunnen aantonen dat Makro in alle redelijkheid niet heeft kunnen beslissen om de door haar vervulde functie van Manager Services in te delen in KFH-schaal 14. Uit het hiervoor aangehaalde citaat uit het Evaluatierapport blijkt immers waarom de twee door [werknemer] aangehaalde punten niet relevant bevonden zijn voor de weging van haar functie. Die motivering is goed te volgen. Bij een functiewaardering gaat het immers om de inhoud van de functie zelf en niet om de persoon die de functie vervult en evenmin om diens (persoonlijke) taakopvatting. [werknemer] heeft ook geen argumenten aangevoerd op grond waarvan Makro’s motivering voor onjuist gehouden zou moeten worden. Dat Makro op grond van de KFH-methode wel betekenis had moeten hechten aan de hiervoor besproken twee punten die [werknemer] aanvoert, is dus niet gebleken.
Ook het feit dat de drie managementfuncties onder het ORBA-systeem gelijkwaardig waren gewaardeerd, kan [werknemer] niet baten. Binnen de KFH-systematiek is de functie van Manager Services één schaal lager gewaardeerd dan de twee andere managementfuncties. Waardoor dat verschil in waardering wordt veroorzaakt, wordt (onder meer) in het KFH-rapport uitgelegd in de paragraaf “Beoordeling huidige evaluaties”. Zo staat in die paragraaf in het onderdeel kennis en kunde dat de functies Manager Sales en Preparations een HBO-opleiding vereisen terwijl de functie Manager Services met een MBO+ opleiding alsmede met kennis van en ervaring met Makroprocessen en -procedures ingevuld kan worden omdat deze rol veel meer ingekaderd is. Verder staat in die paragraaf uitgelegd waarom de functie Manager Services lager scoort dan de beide andere managementfuncties op het onderdeel probleembehandeling. [werknemer] heeft ten aanzien van beide onderdelen geen inhoudelijke bezwaren opgeworpen. Wel heeft ze bezwaren opgeworpen tegen het derde onderdeel: de verantwoordelijkheidscomponent. Die bezwaren heeft de kantonrechter hiervoor reeds beoordeeld in 4.4. en 4.5. Het feit dat de andere twee managementfuncties één schaal hoger gewaardeerd zijn in de KFH-methode is dus goed verklaarbaar. Dat verschil in waardering is dan ook geen grond om tot het oordeel te komen dat Makro in alle redelijkheid de functie Manager Services niet op KFH-schaal 14 had mogen waarderen.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de door [werknemer] gevorderde verklaring voor recht dat zij recht heeft op indeling in salarisschaal 15 afgewezen worden. Hieruit volgt dat ook [werknemer] vordering om Makro te veroordelen haar met terugwerkende kracht per 8 januari 2024 in loonschaal 15 te plaatsen en Makro te veroordelen tot (na)betaling van het daarbij behorende loon, de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, afgewezen zal worden.
Omdat op grond van voorgaande overwegingen Makro aan [werknemer] geen achterstallig loon, wettelijke rente en wettelijke verhoging verschuldigd is, is er geen grond om Makro te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van buitengerechtelijke incassokosten. Ook dat onderdeel van de vordering van [werknemer] zal dus afgewezen worden
[werknemer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Makro worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
864,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [werknemer] af,
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.