RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12164652 \ CV EXPL 26-1541
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. W.J.F. Geertsen,
tegen
[gedaagde partij] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 8- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 29 mei 2026.
2. De feiten
[gedaagde partij] (22 jaar) doet aan autocross. Daarvoor koopt hij oude auto’s die hij al dan niet na gebruik als crossauto doorverkoopt. [gedaagde partij] heeft online op Marktplaats een dergelijke auto te koop aangeboden (de advertentie is niet in het geding gebracht). Het betreft een Opel Corsa met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). [eisende partij] (20 jaar) heeft interesse in de auto getoond.
Op donderdag 2 oktober 2025 heeft [eisende partij] de auto bekeken. Partijen zijn het eens geworden over de verkoopprijs. [eisende partij] zou de auto kopen voor een bedrag van € 2.000,-. [eisende partij] gaf aan er nog even over na te willen denken en is naar huis gegaan.
De volgende dag, vrijdag 3 oktober 2025, schrijft [gedaagde partij] naar [eisende partij] via Whatsapp (bijlage 2):
“Wil je de Corsa hebben of niet anders laat ik zondag een ander komen en is die weg kan vandaag heel de dag”
Diezelfde dag reageert [eisende partij] hierop als volgt (bijlage 8):
“Zeker wil ik de corsa, is het oke als ik nu een deel overmaak en als ik hem ophaal? Ik kan nu namelijk niet alles in een keer overmaken door limieten van mijn jongeren rekening. Hopelijk is dit geen probleem en gaat u hiermee akkoord.”
[gedaagde partij] is hiermee akkoord gegaan en heeft gevraagd wanneer [eisende partij] de auto komt ophalen. [eisende partij] heeft op die vrijdag 3 oktober 2025 vervolgens € 700,- overgemaakt naar [gedaagde partij] (bijlage 2). Partijen communiceren vervolgens met elkaar over het ophalen van de auto.
Op maandag 6 oktober 2025 dreigt [gedaagde partij] dat [eisende partij] die dag het restantbedrag moet betalen en de auto kan komen ophalen en dat hij anders zijn aanbetaling kwijt is. [eisende partij] is het daar niet mee een en stelt voor om in dat geval € 600,- terug te storten. [gedaagde partij] stelt dan voor om [eisende partij] tot vrijdag 10 oktober 2025 de tijd te geven om de auto op te halen, en dat de verkoop anders verlopen is. [eisende partij] zegt dat hij dat niet kan toezeggen en niet wil afspreken.
Als [eisende partij] op die vrijdag 10 oktober 2025 nog niet kan afnemen, schrijft [gedaagde partij] op 9 oktober 2025 (bijlage 8, 8.21 uur):
“(…) we kunnen 2 dingen doen als je niet in staat bent om de auto optehalen of je maakt me nog een deel over voor de auto vast houden of je bent je aan betaling kwijt heb het nu langer als week vast gehouden dus of je haalt m nu op of betaald me een nieuwe aan betaling of de koop vervalt
En graag een reactie”
[eisende partij] schrijft vervolgens:
“Ik zal kijken dat ik u zo veel als mogelijk over maak als voorschot. Danku”
Diezelfde dag heeft [eisende partij] een bedrag van € 200,- overgemaakt (bijlage 2). Op donderdag 23 oktober 2025 heeft [eisende partij] nog een bedrag van € 1.100,- overgemaakt (bijlage 2).
Nadat [eisende partij] meedeelt dat hij het resterende bedrag heeft overgemaakt (bijlage 8, datum niet te herleiden, om 13.23 uur), schrijft [gedaagde partij] vervolgens (13.35 uur) dat de aanbetaling van € 700,- was komen te vervallen en als hij de auto wil hebben, [eisende partij] nog (opnieuw) een bedrag van € 700,- moest overmaken. [eisende partij] is daar niet mee akkoord gegaan, heeft geen aanvullend bedrag overgemaakt en heeft de auto niet opgehaald.
[gedaagde partij] heeft de auto daarna kennelijk opnieuw te koop aangeboden (bijlage 7, bevat geen datum), nu voor € 1.300,-. [gedaagde partij] zegt dat hij die auto heeft verkocht.
[eisende partij] heeft gevraagd om terugbetaling van de door hem aan [gedaagde partij] betaalde bedragen van in totaal € 2.000,-. [gedaagde partij] heeft dit geweigerd.
3. Het geschil
[eisende partij] vordert een verklaring voor recht dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de auto en dat die koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden. Verder vordert [eisende partij] dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.000,- aan [eisende partij] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 december 2025. Daarnaast vordert [eisende partij] vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 300,-. [eisende partij] vordert ook dat [gedaagde partij] in de proceskosten wordt veroordeeld. [eisende partij] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] vindt dat de vordering van [eisende partij] moet worden afgewezen.
4. De beoordeling
[eisende partij] stelt dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden en vordert terugbetaling van het door hem aan [gedaagde partij] betaalde bedrag.
[gedaagde partij] voert verweer. Volgens [gedaagde partij] heeft [eisende partij] toegezegd om de auto binnen een week na de bezichtiging op te komen halen. [gedaagde partij] is hiermee akkoord gegaan onder de voorwaarde dat [eisende partij] een aanbetaling zou doen. [eisende partij] heeft toen zelf voorgesteld om € 700,- te betalen. [gedaagde partij] heeft vervolgens een paar keer nagevraagd wanneer [eisende partij] de auto zou komen ophalen en het volledige bedrag zou betalen, maar daar reageerde [eisende partij] niet op. Aangezien [eisende partij] de auto niet binnen de afgesproken week heeft opgehaald, is [eisende partij] de aanbetaling kwijt volgens [gedaagde partij] . [gedaagde partij] wijst op het hiervoor geciteerde Whatsapp-gesprek van 6 oktober 2025 (zie rechtsoverweging 3.6.) en de gesprekken daarna, waarin [gedaagde partij] richting [eisende partij] heeft aangegeven dat hij de aanbetaling kwijt is als hij de auto niet diezelfde dag komt ophalen.
[eisende partij] geeft aan het Whatsapp-bericht van [gedaagde partij] anders te hebben begrepen. [eisende partij] stelt dat [gedaagde partij] hem een keuze heeft gegeven, namelijk nog een deel aanbetalen of afzien van de koop. Enkel voor het geval [eisende partij] op dat moment zou afzien van de koop zou hij het bedrag van € 700,- kwijt zijn, aldus [eisende partij] . [eisende partij] was het niet eens met deze gang van zaken, maar heeft alsnog ervoor gekozen om een aanvullende aanbetaling van € 200,- te doen. [eisende partij] heeft niet afgezien van de koop en wilde de auto nog steeds hebben.
De kantonrechter overweegt als volgt. In het recht is het mogelijk om af te spreken dat een aanbetaling vervalt als niet binnen een bepaalde tijd wordt afgenomen. Voor een zodanig ingrijpend gevolg is nodig dat die afspraak heel duidelijk is en dat beide partijen ermee instemmen. De kantonrechter is van oordeel dat in deze kwestie die afspraak helemaal niet zo duidelijk was en ook dat [eisende partij] er heel uitdrukkelijk niet mee instemde. Wat wel kan worden vastgesteld, is dat de communicatie tussen partijen moeizaam verliep en dat [eisende partij] traag en niet concreet op de vragen van [gedaagde partij] reageerde. Het lijkt erop dat [eisende partij] tijd wilde winnen en vaag was over wanneer hij de auto kon betalen en ophalen. Hoewel dat vervelend was voor [gedaagde partij] , gaf dat hem niet het recht om zonder instemming van [eisende partij] te bepalen dat de aanbetaling zou vervallen. Partijen hebben dus geen (duidelijke) afspraken hierover gemaakt. Zij hebben geen exact moment afgesproken waarop de auto volledig moest zijn betaald en opgehaald en dat als dat niet gebeurde, [eisende partij] zijn aanbetaling kwijt zou zijn.
Ook in een later stadium is zo’n afspraak niet gemaakt. [gedaagde partij] heeft nog gewezen naar zijn Whatsapp-bericht van 10 oktober 2025, waarin hij [eisende partij] twee opties geeft, namelijk “of je maakt me nog een deel over voor de auto vast houden of je bent je aan betaling kwijt”. Ook dit bericht is niet duidelijk, want in datzelfde bericht schrijft hij daarna: “dus of je haalt m op of betaald me een nieuwe aanbetaling of de koop vervalt’. Deze zin kan gelezen worden dat als [eisende partij] een nieuwe aanbetaling doet, de koop NIET vervalt (en de aanbetaling dan ook niet). Blijkbaar legt [eisende partij] deze passage ook op deze manier uit.
Daar komt bij dat voor zover het voorschot wel zou vervallen, dat nog steeds niet als een afspraak tussen partijen kan worden gekwalificeerd, omdat [eisende partij] steeds heeft gezegd het daar niet mee eens te zijn. [gedaagde partij] kan niet eenzijdig bepalen dat als [eisende partij] niet aan de door [gedaagde partij] gestelde voorwaarden voldoet, [eisende partij] de aanbetaling kwijt is. [eisende partij] is pas aan een dergelijke afspraak gebonden als hij op dat moment daarmee had ingestemd en dat blijkt nergens uit. De betaling van [eisende partij] van een bedrag van € 200,- deed hij duidelijk als extra aanbetaling, nu hij [gedaagde partij] ook nog bedankt voor de (extra) kans.
Samengevat is de kantonrechter van oordeel dat partijen geen afspraken hebben gemaakt dat de aanbetaling op enig moment komt te vervallen. Dat betekent dat [eisende partij] op 23 oktober 2025 de volledige koopsom van de auto had betaald en [gedaagde partij] de auto aan [eisende partij] had moeten leveren.
Omdat [gedaagde partij] de auto op enig moment aan een ander heeft verkocht, kon hij de auto niet meer aan [eisende partij] leveren. [eisende partij] mocht daarom de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden. Van die mogelijkheid heeft [eisende partij] ook gebruik gemaakt. Op grond van artikel 6:271 BW betekent dit dat partijen de al geleverde prestaties ongedaan moeten maken. Concreet betekent dit dat [gedaagde partij] het geld dat hij van [eisende partij] heeft ontvangen volledig aan [eisende partij] moet terugbetalen.
[gedaagde partij] heeft nog aangegeven dat hij [eisende partij] heeft meegedeeld dat [eisende partij] het geld contant bij hem kon komen ophalen, maar dat [eisende partij] dit niet heeft gedaan. Dit betekent volgens de kantonrechter niet dat [eisende partij] dat had moeten doen en deze vordering niet zou kunnen instellen. Het betalen van een geldsom zoals in dit geval is namelijk een zogenaamde brengschuld. Dat houdt in dat [gedaagde partij] ervoor moet zorgen dat het geld bij [eisende partij] terecht komt, bijvoorbeeld door overboeking daarvan op een door [eisende partij] opgegeven rekeningnummer, of door het bij hem af te geven (tegen kwitantie).
[eisende partij] vordert over het terug te betalen bedrag van € 2.000,- vergoeding van de wettelijke rente vanaf 24 december 2025. Dat is twee weken na de datum waarop de advocaat van [eisende partij] de sommatiebrief aan [gedaagde partij] heeft verstuurd. Aangezien [gedaagde partij] niet binnen die termijn heeft betaald, terwijl hij dat op basis van de wet wel had moeten doen, wordt de wettelijke rente toegewezen.
De kantonrechter zal de gevorderde verklaringen voor recht afwijzen, omdat [eisende partij] daar geen afzonderlijk belang bij heeft.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. De overgelegde sommatiebrieven zijn standaard sommatiebrieven. De kantonrechter is van oordeel dat dit geen werkzaamheden zijn die anders zijn dan ‘verrichtingen ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak’. In artikel 241 Rv is bepaald dat daarvoor uitsluitend de proceskostenveroordeling geldt. [eisende partij] heeft dan ook geen recht op een aanvullende vergoeding in de zin van buitengerechtelijke incassokosten.
Proceskosten
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde partij] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
Totaal
€
635,50
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 635,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dethmers en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.