Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummers: C/03/351710 / FA RK 26-919 (bodemprocedure)
C/03/351711 / FA RK 26-920 (voorlopige voorzieningen)
Beschikking van 1 juli 2026 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden en voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[moeder] ,
wonende te [woonplaats moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen;
tegen:
[vader] ,
wonende te [woonplaats vader] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. R. Engwegen,
hierna ook te noemen partijen.
1. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de moeder, ingekomen op 22 april 2026;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vader, ingekomen op 8 juni 2026;
- het F9 formulier met bijlagen van de moeder, ingekomen op 15 juni 2026;
- de pleitnota van de moeder, overhandigd ter zitting op 17 juni 2026;
- op 17 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden. Bij deze behandeling zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad.
De zaak is gelijktijdig behandeld met het kort geding met zaaknummer C/03/351775 / KG ZA 26-152, waarin afzonderlijk vonnis is gewezen.
[minderjarig kind] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hierover op 11 juni 2026 een gesprek gehad met een kinderrechter. Een verslag hiervan is toegestuurd aan de behandelend rechter. De behandelend rechter heeft ter zitting samengevat wat [minderjarig kind] heeft verteld. De aanwezige partijen hebben hierop kunnen reageren.
1. De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit hun huwelijk is het nog minderjarige kind [minderjarig kind] geboren op [geboortedatum] 2014 in [plaatsnaam] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarig kind] . [minderjarig kind] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vader.
Bij beschikking van 10 november 2020 is het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [minderjarig kind] te wijzigen afgewezen. Verder is de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarig kind] die eerder bij beschikking van 31 oktober 2019 is vastgesteld, gewijzigd in die zin dat [minderjarig kind] :
₋ in de oneven weken een lang weekend naar de moeder gaat van vrijdagmiddag 14.30 uur uit school tot maandagochtend voor school, waarbij de moeder [minderjarig kind] ophaalt en terugbrengt naar school;
₋ in de even weken verblijft [minderjarig kind] van vrijdag 14.30 uur na school, tot zaterdagochtend 9.00 uur bij de moeder, waarbij de moeder [minderjarig kind] van school haalt en de vader [minderjarig kind] op zaterdagochtend bij de moeder ophaalt.
2. Het verzoek
In de bodem:
De moeder heeft verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kosten rechtens, te bepalen dat:
- het hoofdverblijf van [minderjarig kind] zal worden gewijzigd en zal worden bepaald bij de moeder en
- het recht van de vader op omgang met [minderjarig kind] de vader zal worden ontzegd.
In het kader van een voorlopige voorziening:
De moeder heeft verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kosten rechtens, zulks voor de duur van het geding:
- te bepalen dat [minderjarig kind] wordt toevertrouwd aan de moeder.
Ter onderbouwing heeft de moeder het volgende aangevoerd. Op 27 maart 2026 heeft zich tussen de vader en [minderjarig kind] een geweldsincident voorgedaan. De moeder veronderstelt dat zich tussen het beschreven incident in december 2018 en het incident van 27 maart 2026 meerdere andere incidenten tussen de vader en [minderjarig kind] hebben voorgedaan. [minderjarig kind] spreekt in het verslag van Veilig Thuis spreekt over “dat deze keer de vader te ver is gegaan”. Verder wordt in het verslag van Veilig Thuis gesproken over het feit dat [minderjarig kind] heel lang door de vader wordt uitgescholden en dat dit nog twee dagen doorgaat. [minderjarig kind] spreekt over ruzies. Bovendien wordt gesproken over het feit dat dit bijna iedere dag gebeurt, zeker om de dag. [minderjarig kind] is bang om hierover melding te maken, omdat hij anders straf krijgt. De vader wil ook niet dat iemand dit weet omdat hij dan in de gevangenis zou komen. [minderjarig kind] beschrijft aan Veilig Thuis dat de vader hem op 27 maart 2026 in een ruzie op de grond heeft geduwd, bij de keel heeft gegrepen, op bed heeft gegooid, heeft geslagen, heeft geschopt en een klap tegen zijn rechteroor heeft gegeven. [minderjarig kind] heeft hierover verteld op school, waarna de school een melding heeft gedaan bij Veilig Thuis. De moeder is met [minderjarig kind] naar de huisarts gegaan en heeft tevens aangifte gedaan tegen de vader. De moeder heeft in overleg met Veilig Thuis [minderjarig kind] bij zich gehouden. De moeder heeft, met het oog op het feit dat [minderjarig kind] bij de moeder te [woonplaats moeder] verblijft en dus niet naar zijn basisschool te [woonplaats vader] gaat, met de schoolleiding van de school in [woonplaats vader] te weten [naam] , een programma afgesproken, zodat [minderjarig kind] thuisonderwijs krijgt. Voorts volgt [minderjarig kind] (deels) online onderwijs en de moeder heeft activiteiten voor hem georganiseerd, zodat hij met leeftijdsgenoten kan optrekken. De moeder heeft zich gewend tot het sociaal wijkteam van [woonplaats vader] , waar [minderjarig kind] gaat ingeschreven. Zij komen volgende week op gesprek bij de moeder thuis. Zij kunnen kijken wat er bij [minderjarig kind] speelt en wat hij nodig heeft. [minderjarig kind] heeft meerdere malen bij diverse gelegenheden laten blijken dat hij op dit moment niet meer bij de vader wil wonen. De moeder is van mening dat omgang tussen de vader en [minderjarig kind] op dit moment ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en/of lichamelijke ontwikkeling van [minderjarig kind] en de vader kennelijk ook niet in staat moet worden geacht tot omgang. Dat de vader hulpverlening heeft ingeschakeld geeft niet voldoende waarborgen voor de veiligheid van [minderjarig kind] . Er is geen concreet plan van de hulpverlening en er is ook niet voldoende zicht op de thuissituatie. De moeder kan zich niet verenigen met het advies van de Raad.
3. Het verweer
In de bodem:
De vader heeft verzocht, bij wege van verweer, de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze als ongegrond en onbewezen af te wijzen.
De vader heeft verzocht, bij wege van zelfstandig verzoek, de moeder te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de tussen partijen geldende verdeling van de zorg- en opvoedtaken, inhoudende dat [minderjarig kind] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en waarbij hij in de oneven weken van vrijdag na school om 14.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de moeder verblijft en zij [minderjarig kind] daartoe binnen 24 uur na betekening van de in dezen te wijzen beschikking aan de vader zal afgeven, althans de moeder zal gebieden haar medewerking te verlenen aan een in goede Justitie te bepalen verdeling van de zorg- en opvoedtaken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of deel hiervan dat de moeder niet aan de beschikking voldoet, althans op straffe van verbeurte van een in goede justitie te bepalen dwangsom.
In het kader van een voorlopige voorziening:
De vader heeft verzocht, bij wege van verweer, de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze als ongegrond en onbewezen af te wijzen.
Ter onderbouwing heeft de vader het volgende aangevoerd. [minderjarig kind] woont dus al geruime tijd bij de vader en dit is steeds naar behoren verlopen. De vader en [minderjarig kind] hebben een hechte band met elkaar en de vader heeft immer goed voor [minderjarig kind] gezorgd. De laatste periode merkt de vader aan [minderjarig kind] dat hij is begonnen met puberen en vaker de grenzen opzoekt. De vader probeert [minderjarig kind] goed te begrenzen, maar dit is vaker lastig, ook omdat er bij [minderjarig kind] sprake is van dyslexie en ADHD. [minderjarig kind] vertoont dus wel eens opstandig gedrag en de vader probeert [minderjarig kind] daarin steeds zo goed en zo kwaad als het kan te corrigeren en te begrenzen. De vader hanteert uiteraard regels voor [minderjarig kind] , waaraan hij zich dient te houden en deze regels zijn ook duidelijk met [minderjarig kind] gecommuniceerd. De moeder geeft echter aan [minderjarig kind] steeds aan dat deze regels niet gevolgd hoeven te worden. Net zoals in 2019 al het geval was, merkt de vader dat de moeder nog altijd niet kan accepteren dat er tussen partijen sprake is van een ander opvoedklimaat, hetgeen hij betreurt en ook zorgelijk acht. Hiermee ondermijnt de moeder immers het gezag van de vader. Als gevolg hiervan merkt de vader dat [minderjarig kind] ruimte ervaart om zelfbepalend gedrag te vertonen. De vader betreurt het ten zeerste dat het de moeder nog altijd niet lukt om de opvoedstijl van de vader te respecteren. De vader heeft gemerkt dat hij behoefte heeft om handvaten te krijgen om [minderjarig kind] beter te begeleiden binnen deze situatie en ook beter met het gedrag van [minderjarig kind] om te gaan. De vader heeft zich ter zake enige tijd geleden dan ook al gewend tot BOEI Limburg. De vader hecht er overigens aan in dit verband op te merken dat de moeder in het begin haar medewerking niet aan deze hulpverlening wilde verlenen. Uiteindelijk is deze toestemming echter wel verleend. Op vrijdag 27 maart 2026 heeft er in de ochtend voordat [minderjarig kind] naar school ging een conflict tussen de vader en [minderjarig kind] plaatsgevonden. [minderjarig kind] wilde niet luisteren naar de vader en stelde zich recalcitrant op. Er werd discussie gevoerd en [minderjarig kind] heeft vervolgens met schoenen naar de vader gegooid. De vader wilde dat [minderjarig kind] zou luisteren en zijn gezag zou accepteren en heeft hem toen bij zijn trui gepakt en op het bed gezet. Hoewel [minderjarig kind] die maandag conform de regeling terug diende te keren naar de vader houdt de moeder [minderjarig kind] sindsdien bij zich. Veilig Thuis heeft aan de moeder geadviseerd [minderjarig kind] voor dat moment bij zich te houden en dit heeft de moeder vervolgens ook gedaan. De vader acht de handelswijze van zowel Veilig Thuis als de moeder uiterst kwalijk. Veilig Thuis heeft immers geen beslisbevoegdheid ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken, nu dit aan de ouders is voorbehouden. Hij acht het voorts kwalijk dat Veilig Thuis de moeder heeft geadviseerd tegen de regeling in te gaan, te meer nu dit advies al was gegeven voordat de vader op 30 maart 2026 op het kantoor van Veilig Thuis zijn verhaal heeft kunnen doen. De vader is van mening dat de uitspraak van [minderjarig kind] dat hij niet terug wil naar de vader het gevolg is van het loyaliteitsconflict. Verder is de vader van mening dat [minderjarig kind] onvoldoende kan overzien wat een continuering van het verblijf bij de moeder voor hem betekent. Immers, zijn gehele leven speelt zich af in [woonplaats vader] en dat heeft hij van de een op de andere dag achter zich moeten laten. Een voortduring van deze situatie acht de vader niet in het belang van [minderjarig kind] . De vader voegt toe dat hoe langer het duurt, hoe hoger de drempel wordt voor [minderjarig kind] om terug te keren naar de vader. Omdat er een incident heeft voorgedaan en er nu al enkele maanden geen contact is geweest, moet er eerst een gesprek komen tussen de vader en [minderjarig kind] . Wellicht dat er ook een opbouw moet plaatsvinden, daar kan de zomer eventueel voor gebruikt worden.
4. Het advies van de Raad
De Raad geeft aan dat [minderjarig kind] al langere tijd in een loyaliteitsconflict zit. De Raad gelooft zeker dat er iets is voorgevallen tussen de vader en [minderjarig kind] op 27 maart 2026 en dit is niet goed te praten. Daarna hadden de ouders echter in gesprek moeten gaan om te praten over wat er is voorgevallen en hoe de situatie opgelost zou kunnen worden. De moeder heeft [minderjarig kind] in dit geval weggeplukt uit zijn omgeving, waardoor [minderjarig kind] alles kwijt is. De moeder heeft onvoldoende gedaan om het contact tussen [minderjarig kind] en de vader te herstellen. Ook met zorgen over de veiligheid van [minderjarig kind] waren daartoe mogelijkheden. De Raad acht het handelen van de moeder zeer kwalijk. [minderjarig kind] staat hierdoor stil in zijn ontwikkeling. De vader is voor [minderjarig kind] een stabiele factor in zijn leven. Om dan ineens het hoofdverblijf te wijzigen en het contact te ontzeggen is vergaand. De Raad maakt zich zorgen over de situatie van [minderjarig kind] bij de moeder. Het doen van een onderzoek zou betekenen dat er pas over acht maanden een antwoord komt op de onderzoeksvragen. De Raad acht dit niet in het belang van [minderjarig kind] . Toen [minderjarig kind] bij de vader verbleef, was er altijd contact tussen [minderjarig kind] en de moeder. Hij krijgt van de vader emotionele toestemming om contact te hebben met zijn moeder. Andersom ziet de Raad dat nu niet. De Raad acht de situatie bij de vader voldoende veilig voor [minderjarig kind] . De vader erkent dat hij op sommige vlakken hulp nodig heeft en heeft ook uit zichzelf al hulp ingeschakeld. Er moet zo snel als mogelijk gewerkt worden naar een teruggeleiding van [minderjarig kind] .
5. De mening van [minderjarig kind]
[minderjarig kind] geeft aan dat het wat lastig gaat de laatste tijd. Hij gaat sinds eind maart niet meer naar school, waardoor hij de leuke dingen mist. Hij weet nog niet waar hij volgend jaar naar school kan. Hij weet ook niet of hij groep 8 nog eens over moet of kan doen of dat hij naar de middelbare kan (VMBO-T). [minderjarig kind] mist zijn vrienden. Hij praat vaak met zijn vriendjes via de digitale weg en ze gamen ook samen. De laatste tijd een stuk minder omdat hij veel bij opa en oma is. Daar mag hij de telefoon niet gebruiken. De hobby’s zijn ook
opgehouden sinds hij bij zijn moeder woont. Hij verblijft nu bij zijn moeder, krijgt een weekschema en takenpakket van school en zit voornamelijk thuis. Ook is hij drie tot vier dagen per week bij zijn opa en oma. Daar zijn meer kinderen in de buurt om mee te spelen, dus daar is hij wat meer buiten. Bij opa en oma heeft hij ook meer “me-time”, zoals hij het noemde, dan bij mama. Daar is het ook wel “me-time”, maar dan is er ook “mama-time”. De moeder is de laatste tijd erg gestrest, maar is er wel voor hem.
[minderjarig kind] geeft aan dat zijn vader over grenzen van hem is gegaan en dat hij hem niet meer hoeft te zien. De vader kan ook niets doen om dit te veranderen. Over een aantal jaren kan het zijn dat hij daar anders over denkt. [minderjarig kind] vindt ook dat de vader leuke dingen heeft, ze doen namelijk leuke dingen. De vader is er “soms” voor hem. [minderjarig kind] geeft aan dat papa soms ook lief was voor hem, maar dat is al een tijdje geleden en het is er sindsdien niet beter op geworden. [minderjarig kind] zou het niet erg vinden om zijn vader te zien, maar vindt het ook wel lastig. [minderjarig kind] zou het niet accepteren om weer bij zijn vader te moeten wonen. [minderjarig kind] praat vaak met de moeder van zijn beste vriend. Deze mevrouw werkt ook met kinderen. Hij geeft aan dit fijn te vinden.
6. De beoordeling
Bodemprocedure C/03/351710 / FA RK 26-919
Het wettelijk kader
Het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarig kind] is gebaseerd op artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW). In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Het verzoek ten aanzien van de ontzegging van de omgang is gebaseerd op artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De rechtbank kan het recht op omgang, al dan niet voor bepaalde tijd, ontzeggen. Op grond van het derde lid van artikel 1:377a BW ontzegt de rechter de omgang slechts, indien:a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, ofb. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kindkennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, ofc. een kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, ofd. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal de verzoeken van de moeder afwijzen, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het hoofdverblijf van [minderjarig kind] bij de vader of het hebben van contact met de vader ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarig kind] dan wel dat anderszins sprake is van strijd met zwaarwegende belangen van [minderjarig kind] . De rechtbank legt hierna uit waarom.
De rechtbank constateert allereerst dat [minderjarig kind] klem zit tussen de ouders en dat er sprake is van forse loyaliteitsproblematiek. De ouders bevinden zich al jarenlang in een onderlinge strijd, die ten koste gaat van [minderjarig kind] . Tekenend voor het loyaliteitsconflict van [minderjarig kind] acht de rechtbank dat hij in het kindgesprek aangeeft dat hij het liefst met zijn beste vriend en zijn kat – zonder zijn ouders dus – naar een onbewoond eiland zou willen gaan om het leven te leiden dat hij wil. [minderjarig kind] kan tijdens het kindgesprek tevens over beide ouders positieve en minder positieve dingen benoemen. Dat [minderjarig kind] aangeeft dat hij zijn vader niet meer wil zien of spreken, moet dan ook in het licht van zijn loyaliteitsconflict en de aanhoudende strijd tussen de ouders worden bekeken.
Het uitgangspunt is dat [minderjarig kind] al geruime tijd zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vader en dat het over het algemeen in het belang van kinderen is om contact te hebben met hun ouders. De rechtbank dient te beoordelen of er omstandigheden zijn waardoor dit niet langer in zijn belang zou zijn. Daarbij weegt voor de rechtbank ook mee dat het in het algemeen niet in het belang van een kind is om hem of haar te confronteren met meer veranderingen dan nodig is.
Op 27 maart 2026 is iets voorgevallen tussen de vader en [minderjarig kind] . Het is voor de rechtbank niet te achterhalen wat er precies is gebeurd, dat weten alleen [minderjarig kind] en de vader zelf en die verhalen verschillen. [minderjarig kind] geeft aan dat de vader hem bij de keel heeft gegrepen, hem heeft geslagen en geschopt. De huisarts heeft geen letsel kunnen vinden dat dit bevestigt. Wel is de huisarts een verse schaafplek plek geconstateerd op zijn borstkast. De rechtbank zegt hiermee niet per se dat [minderjarig kind] hierover heeft gelogen, enkel dat niet kan worden vastgesteld dat het is gegaan zoals [minderjarig kind] heeft gezegd. De vader geeft toe dat hij [minderjarig kind] tijdens een discussie heeft vastgegrepen aan zijn trui en dat hij [minderjarig kind] op het bed heeft gezet. Dit zou de aangetroffen schaafplek kunnen hebben veroorzaakt. De rechtbank benadrukt dat, ook als het is gebleven bij het grijpen van de trui van [minderjarig kind] , dit absoluut niet door de beugel kan en dat de vader hiermee over de schreef is gegaan. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat dit incident een flinke impact heeft (gehad) op [minderjarig kind] .
Naar aanleiding van het incident heeft de moeder [minderjarig kind] , uit zorg voor zijn veiligheid, bij zich gehouden. Hoewel invoelbaar, acht de rechtbank dat wat de moeder naar aanleiding van het incident heeft gedaan en tevens heeft nagelaten niet in het belang van [minderjarig kind] . De rechtbank stelt voorop dat er iets is gebeurd tussen de vader en [minderjarig kind] , waardoor het uiteraard aan de vader is om stappen te ondernemen, het gesprek met [minderjarig kind] aan te gaan en samen met hulpverlening een vorm te vinden om anders met [minderjarig kind] (en [minderjarig kind] met de vader) om te gaan. De rechtbank is echter ook van mening dat de moeder een actieve rol had moeten innemen in het herstel van het contact tussen [minderjarig kind] en de vader na het incident. De moeder heeft geen enkele actie ondernomen om herstel van de relatie tussen [minderjarig kind] en de vader te stimuleren of faciliteren. De moeder geeft aan dat zij dit niet heeft gedaan op advies van VT, maar dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ergens uit. Dat er sprake zou zijn van meerdere incidenten tussen de vader en [minderjarig kind] zoals die van 27 maart, blijkt tevens nergens uit. Zowel [minderjarig kind] en de vader geven aan dat zij de laatste tijd vaker ruzie hadden, maar dat deze erger zouden zijn dan de normale puberruzies, is onvoldoende aannemelijk geworden.
Voor de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat [minderjarig kind] niet (fysiek of mentaal) veilig zou zijn bij de vader thuis. Zoals eerder overwogen zijn er wel zorgen over het incident van 27 maart 2026 en de onderlinge ruzies in de voorafgaande periode. De vader had voordat het incident plaatsvond zelf ook al zorgen over de onrustige thuissituatie, waardoor hij zich heeft gewend tot hulpverlening (BOEI). Samen met de hulpverlening zou hij gaan werken aan het krijgen van handvaten over hoe om te gaan met [minderjarig kind] en andersom. Dit heeft echter niet opgestart kunnen worden doordat het incident zich voordeed, waarna [minderjarig kind] niet meer is teruggekeerd naar de vader. De hulpverlening staat klaar om met de vader en [minderjarig kind] aan de slag te gaan, voor wanneer [minderjarig kind] terugkeert. Daarmee zijn er voldoende waarborgen voor [minderjarig kind] in de thuissituatie bij de vader. De rechtbank ziet, gelet op het bovenstaande, geen redenen waarom het hebben van de hoofdverblijfplaats bij de vader niet langer in het belang van [minderjarig kind] zou zijn.
De rechtbank maakt zich daarnaast grote zorgen over de huidige situatie van [minderjarig kind] . Het contact met de vader is ineens gestopt en hij is abrupt weggehaald uit zijn vertrouwde omgeving, zijn school en zijn sociale contacten. [minderjarig kind] gaat sinds hij bij de moeder verblijft niet naar school, waardoor de rechtbank zich zorgen maakt over zijn ontwikkeling. Hij verblijft veel bij zijn grootouders moederszijde en dreigt sociaal geïsoleerd te raken. De moeder geeft aan haar best te hebben gedaan voor [minderjarig kind] door onlineschool voor hem te regelen en activiteiten te organiseren. Dit is echter naar het oordeel van de rechtbank niet genoeg. De beslissing van de moeder om [minderjarig kind] niet meer terug te laten gaan naar de vader is zeer ingrijpend voor [minderjarig kind] . [minderjarig kind] leeft in onzekerheid over zijn woonsituatie, of hij naar de middelbare school kan en zo ja waar hij dan volgend jaar naar school gaat. [minderjarig kind] geeft in het kindgesprek ook aan dat hij zijn vriendjes erg mist en dat hij zijn hobby’s niet kan uitoefenen. Hij heeft soms online contact met zijn vrienden, maar hij is ook vaak bij zijn grootouders en dan kan dit niet. De moeder geeft zelf ook aan dat [minderjarig kind] heeft tegen haar heeft gezegd niet te willen drummen zonder zijn beste vriendje. [minderjarig kind] geeft verder aan in het kindgesprek dat zijn moeder er voor hem is, maar ook dat hij bij de moeder thuis weinig rust heeft omdat de moeder vaak druk en gestrest is. Bij zijn grootouders heeft hij meer rust, of me-time zoals hij het zelf noemt. Hoewel de rechtbank ervan overtuigd is dat de moeder en de grootouders er alles aan doen om de situatie voor [minderjarig kind] zo goed als mogelijk vorm te geven, acht de rechtbank (het langer voortduren van) deze situatie niet in het belang van [minderjarig kind] .
De verzoeken van de moeder, om als het ware de huidige situatie definitief te maken door de hoofdverblijfplaats van [minderjarig kind] te wijzigen en de vader het contact met [minderjarig kind] te ontzeggen, zijn zeer vergaand en ingrijpend. De verzoeken zijn naar het oordeel van de rechtbank prematuur. Er zijn in het verleden meerdere procedures geweest over de hoofdverblijfplaats van [minderjarig kind] , waarna is bepaald dat het hebben van zijn hoofdverblijfplaats bij de vader in het belang van [minderjarig kind] is. Dat er sindsdien omstandigheden zijn die dit anders maken heeft de moeder onvoldoende aannemelijk gemaakt. Hoewel het incident tussen de vader en [minderjarig kind] zorgelijk is, acht de rechtbank dit op dit moment onvoldoende om op grond hiervan de hoofdverblijfplaats van [minderjarig kind] te wijzigen. Laat staan dat er op dit moment gronden zijn voor de rechtbank om de vader het contact met [minderjarig kind] te ontzeggen. De hulpverlening dient zo snel als mogelijk met [minderjarig kind] en de vader aan de slag te gaan om het contact te herstellen en [minderjarig kind] weer terug te plaatsen in de thuissituatie van de vader.
De rechtbank zal niet over gaan tot het gelasten van een raadsonderzoek naar de hoofdverblijfplaats van [minderjarig kind] en het contact tussen de vader en [minderjarig kind] . De rechtbank acht zich namelijk op dit moment voldoende geïnformeerd om een definitieve beslissing te nemen op de verzoeken van de moeder. Daarnaast weegt voor de rechtbank mee dat met het gelasten van een raadsonderzoek veel tijd vergt, wat de rechtbank niet in het belang van [minderjarig kind] acht. De Raad zou ook niet meer kunnen doen, dan wat BOEI nu al gaat doen, namelijk inzicht krijgen in de thuissituatie van de vader en kijken wat [minderjarig kind] nodig heeft. Mocht BOEI of andere hulpverlening zorgen hebben of krijgen over de veiligheid van [minderjarig kind] , dan kunnen zij zich alsnog richten tot de Raad. Het is van belang dat [minderjarig kind] zo snel als mogelijk terug kan gaan naar de vader, dat voor hem ook duidelijk is dat hij daar blijft en dat hij vanuit daar weer zijn school, hobby’s en sociale leven kan oppakken. Hoe langer het duurt, hoe groter de drempel wordt.
De rechtbank merkt op dat afwijzing van de verzoeken van de moeder betekent dat de juridische situatie waarin [minderjarig kind] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader en een zorgregeling met de moeder heeft, gehonoreerd moet worden. [minderjarig kind] dient zo snel als mogelijk terug te gaan naar zijn vader. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarig kind] dat er eerst een herstelgesprek plaatsvindt tussen [minderjarig kind] en de vader, onder begeleiding van de hulpverlening (BOEI). De vader zal daarbij ook moeten reflecteren op zijn eigen aandeel in het incident dat heeft geleid tot de huidige situatie. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader samen met de hulpverlening kijkt hoe dit het beste aangepakt kan worden, zodat de overgang terug naar huis zo soepel als mogelijk verloopt voor [minderjarig kind] . De vader heeft aangevoerd dat mocht er een opbouw nodig zijn, hiervoor de zomer gebruikt kan worden. De rechtbank is van oordeel dat het aan de hulpverlening is om samen met de ouders te kijken wat het beste past bij [minderjarig kind] . De rechtbank benadrukt daarbij wel dat voor een definitieve terugkeer naar de vader niet gewacht hoeft te worden tot na de zomer. Het zou voor [minderjarig kind] ook fijn zijn als hij tijd heeft om bij de vader opnieuw te acclimatiseren voordat hij weer naar school moet.
Zelfstandig verzoek vader
De vader vraagt, net als in de kort-geding procedure, afgifte van [minderjarig kind] en nakoming van de huidige afspraken en daarbij een dwangsom op te leggen. De rechtbank zal dit zelfstandig verzoek van de vader afwijzen in het kader van onderhavige procedure, gelet op de formulering van het verzochte en omdat hier al op wordt beslist in een apart vonnis in het kader van de kort-geding procedure (C/03/351775 / KG ZA 26-152).
Voorlopige voorzieningen C/03/351711 / FA RK 26-920
Ontvankelijkheid
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid van dit artikel moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. Artikel 223 Rv ziet op de dagvaardingsprocedure, maar de Hoge Raad heeft op 5 december 2014 geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van dit artikel op verzoekschriftprocedures.
De moeder doet in de voorlopige voorzieningen procedure een verzoek dat zij ook in de bodemprocedure heeft gedaan. Gelet daarop is zij in beginsel ontvankelijk in haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt dat in de bodemprocedure een vergelijkbaar verzoek voorligt waarop wordt beslist. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de moeder in de voorlopige voorzieningen procedure bij gebrek aan (spoedeisend) belang afwijzen.
7. De beslissing
De rechtbank:
ten aanzien van C/03/351710 / FA RK 26-919 (bodemprocedure)
wijst de verzoeken af;
ten aanzien van C/03/351711 / FA RK 26-920 (voorlopige voorzieningen)
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C. Bouvrie, griffier, op 1 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in ‘s Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.