ECLI:NL:RBLIM:2026:6694

ECLI:NL:RBLIM:2026:6694

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 01-07-2026
Datum publicatie 09-07-2026
Zaaknummer C/03/351775 / KG ZA 26-152
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Kort geding inzake afgifte minderjarige en nakoming afspraken hoofdverblijfplaats en zorgregeling. De moeder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de minderjarige niet veilig is bij de vader, of dat het anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjarige om af te wijken van de geldende afspraken. De minderjarige moet (met begeleiding van hulpverlening) na een herstelgesprek, zo snel als mogelijk terug naar de vader volgens de geldende regeling.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Familie en jeugd

Datum uitspraak : 1 juli 2026

Zaaknummer : C/03/351775 / KG ZA 26-152

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het volgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[vader] ,

wonende te [woonplaats vader] ,

eiser in kort geding,

hierna te noemen de vader,

advocaat: mr. R. Engwegen,

tegen

[moeder] ,

wonende te [woonplaats moeder] ,

gedaagde in kort geding,

hierna te noemen de moeder,

advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen.

1. Het verloop van de procedure

De vader heeft de moeder gedagvaard in kort geding.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de volgende stukken:

- de brief van de moeder met als bijlage productie A en B, ontvangen op 15 juni 2026;

- de pleitnota van de moeder, overhandigd ter zitting op 17 juni 2026.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juni 2026 waarbij zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming.

De zaak is gelijktijdig behandeld met de verzoeken van de moeder in het kader van de ouderlijke verantwoordelijkheden met zaaknummers C/03/351710 / FA RK 26-919 en C/03/351711 / FA RK 26-920, waarin afzonderlijk beschikking is gegeven.

[minderjarig kind] is, gelet op zijn leeftijd, in het kader van de procedure rondom de ouderlijke verantwoordelijkheden, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hierover op 11 juni 2026 een gesprek gehad met een kinderrechter. Een verslag hiervan is toegestuurd aan de behandelend rechter. De behandelend rechter heeft ter zitting samengevat wat [minderjarig kind] heeft verteld. De aanwezige partijen hebben hierop kunnen reageren.

2. De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit hun huwelijk is het nog minderjarige kind [minderjarig kind] geboren op [geboorteplaats] 2014 in [plaatsnaam] .

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarig kind] . [minderjarig kind] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vader.

Bij beschikking van 10 november 2020 is het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [minderjarig kind] te wijzigen afgewezen. Verder is toen de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarig kind] die eerder bij beschikking van 31 oktober 2019 is vastgesteld, gewijzigd in die zin dat [minderjarig kind] :

in de oneven weken een lang weekend naar de moeder gaat van vrijdagmiddag 14.30 uur uit school tot maandagochtend voor school, waarbij de moeder [minderjarig kind] ophaalt en terugbrengt naar school;

in de even weken verblijft [minderjarig kind] van vrijdag 14.30 uur na school, tot zaterdagochtend 9.00 uur bij de moeder, waarbij de moeder [minderjarig kind] van school haalt en de vader [minderjarig kind] op zaterdagochtend bij de moeder ophaalt.

3. Het geschil

De vader vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de tussen partijen geldende verdeling van de zorg- en opvoed-taken, inhoudende dat [minderjarig kind] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en waarbij hij in de oneven weken van vrijdag na school tot maandag voor school bij de moeder verblijft en in de even weken van vrijdag na school tot zaterdag 9.00 uur, en zij [minderjarig kind] daartoe binnen 24 uur na beteken van het in dezen te wijzen vonnis aan de vader zal afgeven, althans deze zal gebieden haar medewerking te verlenen aan een in goede justitie te bepalen verdeling van de zorg- en opvoedtaken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of deel hiervan dat de moeder niet aan het vonnis voldoet, althans op straffe van verbeurte van een in goede justitie te bepalen dwangsom.

Ter onderbouwing heeft de vader het volgende aangevoerd. [minderjarig kind] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vader en woont derhalve bij hem. De moeder is gehouden dit

na te komen en haar medewerking hieraan te verlenen. De vader betwist dat er sprake is van dergelijke zwaarwegende omstandigheden waardoor dit anders zou kunnen zijn. De vader zal niet ontkennen dat er tussen hem en [minderjarig kind] op 27 maart 2026 sprake is geweest van een conflict, waarbij de vader inderdaad boos op [minderjarig kind] is geworden en hem bij zijn trui heeft vastgepakt, maar de vader ontkent ten stelligste dat hij [minderjarig kind] toen heeft mishandeld. De beschuldiging van kindermishandeling werpt hij verre van zich en dit blijkt verder ook nergens uit. Veilig Thuis heeft aan de vader aangegeven dat een terugkeer van [minderjarig kind] naar de vader mogelijk is, met dien verstande dat dan wel hulpverlening in de thuissituatie van de vader dient te worden ingezet en dat er een gesprek dient plaats te vinden. De vader is van mening dat, nu hulpverlening wordt ingezet en hij ook bereid is zijn medewerking hieraan te verlenen, er voldoende maatregelen zijn getroffen om [minderjarig kind] naar de vader te laten terugkeren. Verder is van belang dat Veilig Thuis de kwestie heeft afgesloten, waaruit kan worden afgeleid dat Veilig Thuis van oordeel is dat er geen sprake is van enig veiligheidsrisico in de thuissituatie van de vader. Ook verwijst de vader naar de eerder opgestelde rapportage van de Raad en de eerdere beschikkingen van de rechtbank, waarin het opvoedklimaat bij de

vader goed werd bevonden. De vader maakt zich grote zorgen over de huidige situatie, nu [minderjarig kind] al sinds 30 maart 2026 niet meer naar school gaat. De moeder brengt [minderjarig kind] niet naar school en de moeder doet ook niets om ervoor te zorgen dat [minderjarig kind] toch naar school kan gaan. Verder acht de vader het ook zorgelijk dat [minderjarig kind] van het een op het andere moment uit zijn vertrouwde omgeving is gehaald, nu hij geen contact kan hebben met zijn vriendjes en hij niet kan deelnemen aan sociale activiteiten en sportactiviteiten. De moeder faciliteert dit niet. Verder vindt de vader het uiteraard zorgelijk dat [minderjarig kind] al die tijd geen contact heeft met de vader. De vader acht de houding en opstelling van de moeder in dezen ook zeer zorgelijk. De moeder doet nu hetzelfde als zij in 2019 deed en in 2020. De moeder wil wederom het hoofdverblijf van [minderjarig kind] bij haar hebben en grijpt wederom naar oneigenlijke middelen om dit te bewerkstelligen. Tot slot acht de vader van belang dat de moeder niet in staat is om de volledige zorg voor [minderjarig kind] te dragen. In de vorige procedures is dit steeds uitgebreid aan bod gekomen. De persoonlijke problematiek van de moeder is dusdanig dat zij niet in staat kan worden geacht de volledige zorg voor [minderjarig kind] te dragen. In deze persoonlijke situatie van de moeder is nog geen verandering opgetreden. Uit haar handelswijze blijkt ook wel dat de situatie onveranderd is gebleven. De vader acht het ook om die reden niet in het belang van [minderjarig kind] dat hij nog langer bij de moeder verblijft. Omdat er nu al even geen contact meer is geweest, kan de vader zich voorstellen dat er eerst een herstelgesprek moet plaatsvinden of dat er een opbouwregeling moet komen.

De moeder heeft ter zitting, bij wege van verweer, verzocht de vordering in kort geding af te wijzen.

Ter onderbouwing heeft de moeder het volgende aangevoerd. De moeder is van mening dat [minderjarig kind] niet veilig is bij de vader thuis. Op 27 maart 2026 heeft zich tussen de vader en [minderjarig kind] een geweldsincident voorgedaan. De moeder veronderstelt dat zich tussen het beschreven incident in december 2018 en het incident van 27 maart 2026 meerdere andere incidenten tussen de vader en [minderjarig kind] hebben voorgedaan. [minderjarig kind] spreekt in het verslag van Veilig Thuis over “dat deze keer de vader te ver is gegaan”. Verder wordt in het verslag van Veilig Thuis gesproken over het feit dat [minderjarig kind] heel lang door de vader wordt uitgescholden en dat dit nog twee dagen doorgaat. [minderjarig kind] spreekt over ruzies. Bovendien wordt gesproken over het feit dat dit bijna iedere dag gebeurt, zeker om de dag. [minderjarig kind] is bang om hierover melding te maken, omdat hij anders straf krijgt. De vader wil ook niet dat iemand dit weet omdat hij dan in de gevangenis zou komen. [minderjarig kind] beschrijft aan Veilig Thuis dat de vader hem op 27 maart 2026 in een ruzie op de grond heeft geduwd, bij de keel heeft gegrepen, op bed heeft gegooid, heeft geslagen, heeft geschopt en een klap tegen zijn rechteroor heeft gegeven. [minderjarig kind] heeft hierover verteld op school, waarna de school een melding heeft gedaan bij Veilig Thuis. De moeder is met [minderjarig kind] naar de huisarts gegaan en heeft tevens aangifte gedaan tegen de vader. De moeder heeft in overleg met Veilig Thuis [minderjarig kind] bij zich gehouden. De moeder heeft, met het oog op het feit dat [minderjarig kind] bij de moeder te [woonplaats moeder] verblijft en dus niet naar zijn basisschool te [woonplaats vader] gaat, met de schoolleiding van de school in [woonplaats vader] te weten [naam] , een programma afgesproken, zodat [minderjarig kind] thuisonderwijs krijgt. Voorts volgt [minderjarig kind] (deels) online onderwijs en de moeder heeft activiteiten voor hem georganiseerd, zodat hij met leeftijdsgenoten kan optrekken. De moeder heeft zich gewend tot het sociaal wijkteam van [woonplaats vader] , waar [minderjarig kind] gaat ingeschreven. Zij komen volgende week op gesprek bij de moeder thuis. Zij kunnen kijken wat er bij [minderjarig kind] speelt en wat hij nodig heeft. [minderjarig kind] heeft meerdere malen bij diverse gelegenheden laten blijken dat hij op dit moment niet meer bij de vader wil wonen. De moeder is van mening dat omgang tussen de vader en [minderjarig kind] op dit moment ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en/of lichamelijke ontwikkeling van [minderjarig kind] en de vader kennelijk ook niet in staat moet worden geacht tot omgang. Dat de vader hulpverlening heeft ingeschakeld geeft niet voldoende waarborgen voor de veiligheid [minderjarig kind] . Er is geen concreet plan van de hulpverlening en er is ook niet voldoende zicht op de thuissituatie. De moeder kan zich niet verenigen met het advies van de Raad om [minderjarig kind] zo snel als mogelijk naar huis terug te geleiden.

4. Het advies van de Raad

De Raad geeft aan dat [minderjarig kind] al langere tijd in een loyaliteitsconflict zit. De Raad gelooft zeker dat iets is voorgevallen tussen de vader en [minderjarig kind] op 27 maart 2026 en dit is niet goed te praten. Daarna hadden de ouders echter in gesprek moeten gaan om te praten over wat er is voorgevallen en hoe de situatie opgelost zou kunnen worden. De moeder heeft hem in dit geval weggeplukt uit zijn omgeving, waardoor [minderjarig kind] alles kwijt is. De moeder heeft onvoldoende gedaan om het contact tussen [minderjarig kind] en de vader te herstellen. Ook met zorgen over de veiligheid van [minderjarig kind] waren daartoe mogelijkheden. De Raad acht het handelen van de moeder zeer kwalijk. [minderjarig kind] staat hierdoor stil in zijn ontwikkeling. De vader is voor [minderjarig kind] een stabiele factor in zijn leven. De Raad maakt zich zorgen over de situatie van [minderjarig kind] bij de moeder. Toen [minderjarig kind] bij de vader verbleef, was er altijd contact tussen [minderjarig kind] en de moeder. Hij krijgt van de vader emotionele toestemming om contact te hebben met zijn moeder. Andersom ziet de Raad dat nu niet. De Raad acht de situatie bij de vader voldoende veilig voor [minderjarig kind] . De vader erkent dat hij op sommige vlakken hulp nodig heeft en heeft ook uit zichzelf al hulp ingeschakeld. Er moet zo snel als mogelijk gewerkt worden naar een teruggeleiding van [minderjarig kind] .

5. De beoordeling

Spoedeisend belang

De rechtbank stelt voorop dat de ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarig kind] . Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek worden geschillen omtrent de gezamenlijke gezagsuitoefening op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter voorgelegd. Indien sprake is van spoedeisend belang kunnen in kort geding ter zake ordemaatregelen worden gevorderd. De vader vordert – kort gezegd – om de moeder te veroordelen tot nakoming van de vastgestelde hoofdverblijfplaats (en zorgregeling). Het spoedeisend belang is naar het oordeel van de rechtbank gelegen in de aard van de vordering en is bovendien niet door de moeder betwist, zodat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat er al in de bodemprocedure over de ouderlijke verantwoordelijkheden met zaaknummer C/03/351710 / FA RK 26-919 in een afzonderlijke beschikking is beslist over het verzoek van de moeder over de hoofdverblijfplaats van [minderjarig kind] en dat het in onderhavige procedure gaat om een ordemaatregel, waardoor de rechtbank hier zal volstaan met een korte motivering.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder met haar stellingen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het hoofdverblijf van [minderjarig kind] bij de vader ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarig kind] dan wel dat anderszins sprake is van strijd met zwaarwegende belangen van [minderjarig kind] . Hoewel wel aannemelijk is dat er botsingen en strubbelingen tussen de vader en [minderjarig kind] zijn, waarbij de vader heeft erkend hem bij de trui te hebben gepakt, en de vader en [minderjarig kind] daarbij hulp kunnen gebruiken, kan die onderlinge verhouding met hulpverlening worden aangepakt. In dit kader is benoemd dat hulpverlening al in de startblokken staat om daarin een rol te spelen. Dat [minderjarig kind] aangeeft dat hij zijn vader niet meer wil zien of spreken, moet dan naar het oordeel van de rechtbank in het licht van zijn loyaliteitsconflict en de aanhoudende strijd tussen de ouders worden bekeken.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank zich niet vinden in de handelwijze van de moeder om [minderjarig kind] bij de vader weg te halen en volledig bij haar te laten verblijven. Dit is niet de geëigende weg en de moeder heeft hiermee voor eigen rechter gespeeld. De moeder heeft op 22 april 2026 een verzoek bij de rechtbank ingediend om de hoofdverblijfplaats van [minderjarig kind] te wijzigen en de vader het contact met [minderjarig kind] te ontzeggen. Deze verzoeken zijn gelijktijdig met deze procedure behandeld en bij afzonderlijke beschikking afgewezen. [minderjarig kind] dient naar het oordeel van de rechtbank zo spoedig mogelijk terug te keren naar de vader. Gelet op het loyaliteitsconflict waarin [minderjarig kind] zich bevindt, de manier waarop de vader en [minderjarig kind] uit elkaar zijn gegaan en de omstandigheid dat er op dit moment al ruim drie maanden geen contact is geweest, moet er zorgvuldig worden omgegaan met de overdracht van [minderjarig kind] naar de vader. De rechtbank gaat ervanuit dat de hulpverlening die de vader heeft ingezet hierbij een rol zal spelen.

Gelet hierop zal de rechtbank niet bepalen dat [minderjarig kind] binnen 24 uur aan de vader dient te worden afgegeven zoals gevorderd. De rechtbank zal bepalen dat de moeder [minderjarig kind] dient af te geven aan de vader, nadat er een herstelgesprek heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen concreet zicht op wanneer dit gesprek zou kunnen plaatsvinden, maar acht het in het belang van [minderjarig kind] dat dit zo spoedig mogelijk gebeurt. De rechtbank ziet op dit moment geen reden waarom er na het herstelgesprek nog een nadere opbouwregeling naar de vader thuis nodig zou zijn. De rechtbank gaat ervanuit dat na afgifte van [minderjarig kind] de geldende zorgregeling tussen [minderjarig kind] en de moeder, waarin geen wijziging is aangebracht, vervolgens ook weer direct wordt nageleefd, dus dat de ‘oude situatie’ herleeft.

De rechtbank acht nu geen termen aanwezig om in de gegeven omstandigheden een dwangsom aan de beslissing te verbinden, waardoor dit deel van de vordering zal worden afgewezen. De rechtbank kan, gelet op het bovenstaande, geen concrete datum vastleggen waarop [minderjarig kind] dient te worden afgegeven aan de vader, waardoor het lastig te beoordelen is op welk moment de moeder een eventuele dwangsom zou verbeuren. De rechtbank gaat er daarnaast van uit dat de moeder, in het belang van [minderjarig kind] , de beslissing van de rechtbank zal respecteren en nakomen, ook zonder de prikkel van een dwangsom.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

bepaalt dat de moeder [minderjarig kind] afgeeft aan de vader, nadat er een herstelgesprek heeft plaatsgevonden tussen [minderjarig kind] en de vader onder begeleiding van hulpverlening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af de meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MB

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand