RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12093252 \ CV EXPL 26-519
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij in het verzet,
oorspronkelijk gedaagde partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
[gedaagde partij] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in het verzet,
oorspronkelijk eisende partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: Klaverblad Rechtsbijstand Stichting.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de oorspronkelijke dagvaarding
- het verstekvonnis van 19 november 2025
- de verzet dagvaarding- de hierna te noemen (e-mail)correspondentie.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Bij brief van 29 mei 2026 heeft de gemachtigde van [gedaagde partij] , mr. R.C. Willemse van Klaverblad Rechtsbijstand Stichting, medegedeeld dat [eisende partij] op 12 mei 2026 in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. [persoon] tot curator.
Bij voornoemde brief heeft mr. Willemse namens [gedaagde partij] verzocht om de procedure op de voet van artikel 27 lid 1 Faillissementswet (hierna: Fw) te schorsen en, nu de curator al kenbaar had gemaakt de procedure niet over te nemen, vervolgens ontslag van instantie te verlenen zoals bedoeld in artikel 27 lid 2 Fw met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten.
Bij e-mail van 5 juni 2026 heeft de griffier [eisende partij] in kennis gesteld van de brief van [gedaagde partij] van 29 mei 2026, waarbij [eisende partij] in de gelegenheid is gesteld om op het verzoek van [gedaagde partij] tot ontslag van instantie ex artikel 27 lid 2 Fw en veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten te reageren. Daarbij is medegedeeld dat de kantonrechter de zaak voor akte uitlating zijdens [eisende partij] heeft verwezen naar de rol van 24 juni 2026 te 10:00 uur.
De gemachtigde van [eisende partij] heeft bij e-mail van 5 juni 2026 gereageerd en verzocht om de brief van 29 mei 2026 (opnieuw) te mogen ontvangen. Diezelfde dag heeft de griffier de betreffende brief per e-mail aan de gemachtigde van [eisende partij] laten toekomen. Vervolgens is een inhoudelijke reactie van [eisende partij] uitgebleven. Er is namens [eisende partij] dus geen verweer gevoerd tegen het verzochte ontslag van de instantie.
Op verzoek van de kantonrechter heeft mr. Willemse bij e-mail van 8 juni 2026 een nader bericht van de curator overgelegd waaruit voldoende duidelijk blijkt dat de curator de verzet procedure niet wenst over te nemen.
De griffier heeft namens de kantonrechter aan partijen medegedeeld dat de geplande mondelinge behandeling op 7 juli 2026 om 10:00 uur geen doorgang zal vinden en dat de zaak naar de rol wordt verwezen voor een beslissing op het verzoek tot ontslag van instantie.
De kantonrechter overweegt als volgt. Bij de beoordeling van het verzoek tot verlening van ontslag van de instantie als bedoeld in artikel 27 lid 2 Fw, moet de rechter een belangenafweging maken tussen enerzijds het belang van [gedaagde partij] , dat erin bestaat dat zij - als zij bij voortzetting van de verzet procedure in het gelijk zou worden gesteld - de proceskosten niet op [eisende partij] zal kunnen verhalen, en anderzijds het belang van [eisende partij] bij het verkrijgen van een beslissing op het materiële geschil dat zij bij verzet dagvaarding aan de rechter heeft voorgelegd. Omdat de curator heeft laten weten het geding niet te zullen overnemen en er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het ontslag van instantie moet worden geweigerd omdat het in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde, zal het verzochte ontslag worden verleend.
Door het ontslag van instantie wordt er een einde gemaakt aan de verzet procedure voor zover gevoerd tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] , zonder dat de vordering van [eisende partij] in rechte is gehonoreerd. In zoverre kan [eisende partij] hierdoor als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. [eisende partij] dient daarom veroordeeld te worden in de proceskosten van de verzet procedure, zoals hieronder nader te bepalen.
3. De beslissing
De kantonrechter
ontslaat [gedaagde partij] van de instantie,
veroordeelt [eisende partij] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [gedaagde partij] tot aan deze uitspraak begroot op € 144,00 (0,5 punt x tarief overige verzoeken).
Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.