ECLI:NL:RBLIM:2026:6882

ECLI:NL:RBLIM:2026:6882

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 16-07-2026
Datum publicatie 13-07-2026
Zaaknummer C/03/353361 / HA RK 26-109
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Wraking
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Wraking. Klachten over bejegening rechter. Wrakingsverzoek afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/03/353361 / HA RK 26-109

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek van

WORKFOR B.V.,

te Roermond,

verder te noemen verzoeker,

advocaat: mr. A. Kara.

1. De procedure

Verzoeker heeft op 17 juni 2026 een verzoek ingediend strekkende tot wraking van mr. Drenth, rechter in de rechtbank Limburg (hierna: de rechter). De rechter is de behandelend rechter in de zaak van verzoeker met nummer C/03/352609 / FT RK 26/147 (hierna: de hoofdzaak).

Verzoeker heeft op 18 juni 2026 een aanvullend verzoekschrift ingediend.

De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend.

De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 2 juli 2026 behandeld.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

mr. Kara;

de rechter.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2. Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft (samengevat en voor zover hier van belang) het navolgende aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd.

De rechter heeft twee opmerkingen gemaakt richting mr. Kara.

De eerste opmerking is: “U weet toch wat liquidatietarieven zijn en waar ze te vinden zijn”.

Verzoeker is van mening dat de rechter mr. Kara met die opmerking “weg kwalificeerde”, in die zin dat de rechter daarmee een negatieve mening uitte over hem als advocaat. De consequentie daarvan is dat daarmee de rechter ook blijk heeft gegeven van de waarde die zij hecht aan de door mr. Kara namens zijn cliënt ingenomen juridische standpunten. Dit is volgens verzoeker een zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Mr. Kara wijst erop dat het geschil tussen partijen niet zag op de liquidatietarieven.

De tussen partijen gevoerde discussie in de hoofdzaak zag vooral op het door verzoeker betaalde bedrag aan kosten van een faillissementsaanvraag. Een ondergeschikte discussie ging over de kosten/declaratie van de curator. De rechter vond de toelichting van de curator in dat verband voldoende en deelde op enig moment mede dat het faillissement terecht was uitgesproken en dat haar summierlijk was gebleken dat er een vordering was van het Pensioenfonds (zijnde de wederpartij van verzoeker in de hoofdzaak) en mr. Kara wel kon raden hoe haar beslissing zou luiden. Vanwege de voor hem onduidelijke mededelingen van de rechter heeft mr. Kara verzocht om aanhouding van de procedure. Hoewel uit de houding van de rechter bleek dat zij dit niet wenste, waren de curator en het Pensioenfonds akkoord en werd het aanhoudingsverzoek gehonoreerd.

Mr. Kara heeft na de sluiting van de zitting de rechter verzocht om dergelijke uitspraken (opmerking over liquidatietarieven) richting advocaten achterwege te laten.

De rechter heeft toen geantwoord: “Eens dat we oneens zijn met elkaar”. Deze opmerking acht mr. Kara in de gegeven omstandigheden een dooddoener; een nietszeggend clichéachtig argument dat een gesprek of discussie abrupt laat doodbloeden en geen respectvolle manier is om een gesprek af te ronden.

Verzoeker acht de gang van zaken tijdens de zitting zodanig of in elk geval zodanig ongelukkig dat daardoor de schijn van vooringenomenheid is gewekt en dat op grond daarvan aan de onpartijdigheid van de rechter jegens verzoekers zou kunnen worden getwijfeld. Deze vrees voor vooringenomenheid is onder deze omstandigheden objectief gerechtvaardigd.

Bij aanvullend verzoekschrift heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter vooringenomen is, omdat zij een door mr. Kara na de zitting gestuurde brief als een akte heeft gezien en heeft geweigerd.

3. De beoordeling

Verzoek tijdig ingediend

De rechter vraagt zich af of het wrakingsverzoek tijdig is ingediend.

De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker het wrakingsverzoek één dag na de mondelinge behandeling in de hoofdzaak heeft ingediend. Blijkens artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet het verzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden, die aanleiding vormen voor het verzoek tot wraking, aan de verzoeker bekend zijn geworden. Verzoeker (de cliënt van mr. Kara) was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling in de hoofdzaak. Mr. Kara stelt dat hij na deze mondelinge behandeling contact heeft gehad met zijn cliënt over de indiening van het wrakingsverzoek en daags daarna het wrakingsverzoek heeft ingediend.

In de gegeven omstandigheden is het wrakingsverzoek naar het oordeel van de wrakingskamer tijdig ingediend.

Aanvullende wrakingsgrond

Verzoeker heeft na indiening van het wrakingsverzoek een aanvullende wrakinggrond aangevoerd over (kort gezegd) de weigering van een schriftelijk stuk door de rechter.

Ingevolge artikel 37 lid 3 Rv moet de partij die om wraking verzoekt alle feiten en omstandigheden, die naar haar mening het wrakingsverzoek rechtvaardigen, tegelijk voordragen. Later dan bij het verzoek aangedragen feiten en omstandigheden worden in beginsel niet in de beoordeling betrokken, en daarop kan ook niet in dezelfde zaak een nieuw verzoek tot wraking worden gebaseerd.

Verzoeker heeft niet toegelicht waarom de aanvullende wrakingsgrond niet tezamen met de andere wrakingsgronden had kunnen worden ingediend, zodat de wrakingskamer gelet op deze bepaling de aanvullende wrakingsgrond buiten beschouwing zal laten.

Inhoudelijke toets

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.

De wrakingsgronden zien – vooral – op de door de rechter gemaakte opmerkingen

“U weet toch wat liquidatietarieven zijn en waar ze te vinden zijn” en “Eens dat we oneens zijn met elkaar”. Daarnaast heeft verzoeker verwezen naar de gang van zaken tijdens de zitting. Deze opmerkingen zijn naar het oordeel van de wrakingskamer niet zodanig van aard dat aangenomen dient te worden dat sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid bij de rechter. Dit geldt ook voor de door verzoeker geschetste gang van zaken zoals onder 2.1. vermeld.

Al met al is de wrakingskamer van oordeel dat de klachten van verzoeker in de kern betrekking hebben op de bejegening door de rechter tijdens de zitting. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening partijdigheid van de rechter tegen verzoeker besloten ligt of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, heeft verzoeker verder niet aangevoerd. In casu kan wel worden aangenomen dat de communicatie tussen de rechter en mr. Kara tijdens de zitting niet optimaal was. Dit blijkt onder meer uit het feit dat hun herinneringen aan wat er besproken is ter zitting op wezenlijke onderdelen van elkaar afwijken. Zo noemen mr. Kara en de rechter bijvoorbeeld een totaal andere reden voor aanhouding van de zaak voor de duur van een week en staan de lezingen omtrent wat de rechter gezegd heeft over het al dan niet gegrond zijn van het verzet diametraal tegenover elkaar. Het feit dat de communicatie niet optimaal is geweest en dat dat heeft geleid tot een verwarrend verloop van de zitting is echter onvoldoende om daaruit de conclusie te trekken dat de rechter jegens verzoeker vooringenomen was, dan wel dat de door verzoeker daaromtrent geuite vrees naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

Het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

4. De beslissing

De wrakingskamer:

wijst het wrakingsverzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. Roeffen, voorzitter, mr. Kleijkers en

mr. Peters, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. Roeffen
  • mr. Kleijkers
  • mr. Peters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand