ECLI:NL:RBLIM:2026:6907

ECLI:NL:RBLIM:2026:6907

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 22-07-2026
Datum publicatie 13-07-2026
Zaaknummer C/03/345019 / HA ZA 25-385
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Onrechtmatige inbreuk op eigendomsrecht. Muur die zonder toestemming volledig op perceel van buurman is gebouwd, moet verwijderd worden. Klachtplicht niet van toepassing. Geen sprake van misbruik van recht.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/345019 / HA ZA 25-385

Vonnis van 22 juli 2026

in de zaak van

1. [eisende partij 1] ,

2. [eisende partij 2],

beiden te [woonplaats] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. E. Sars,

tegen

1. [gedaagde partij 1] ,

2. [gedaagde partij 2],

beiden te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. S.X.J. Zuidema.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding met producties 1 tot en met 10;

- de conclusie van antwoord;

- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 januari 2026;

- de mededeling van partijen van 6 en 8 mei 2026 dat zij niet tot een regeling zijn gekomen en de rechtbank om vonnis vragen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[eiser] woont sinds juli 1994 in het pand aan de [adres 1] in [woonplaats] . [gedaagde] woont sinds september 2023 in het daarnaast gelegen pand aan de [adres 2] in [woonplaats] . Partijen zijn elkaars (tuin)buren.

Toen [gedaagde] de woning betrok was er nog geen erfafscheiding tussen beide percelen.

In oktober/november 2023 heeft [gedaagde] een muur met een dikte van 22 centimeter en een deksloof van 32 centimeter laten plaatsen. Ten behoeve van het plaatsen van de muur is voorafgaand ook een betonnen fundering gestort.

[eiser] heeft op 18 februari 2025 op zijn kosten een grensreconstructie laten uitvoeren door het Kadaster. De kosten van de grensreconstructie bedroegen € 540,00.

Uit de rapportage van het Kadaster blijkt dat [gedaagde] de fundering en de muur volledig op het perceel van [eiser] heeft laten plaatsen. In totaal wordt 75 centimeter, uitlopend naar 99 centimeter, van de tuin van [eiser] hierdoor ingenomen. Over een lengte van de tuin van 33,91 meter komt dit neer op 29,50 m2 aan ingenomen grondoppervlakte.

De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] op 16 december 2024 en 14 maart 2025 gesommeerd om de muur (en de betonnen fundering) van zijn perceel te verwijderen.

[eiser] heeft een offerte laten opmaken door een hoveniersbedrijf voor herstel van zijn tuin. De herstelkosten zijn aan [eiser] geoffreerd voor € 4.506,25 inclusief btw.

3. Het geschil

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om [gedaagde] te veroordelen:

- om binnen vier weken na betekening van dit vonnis de muur op het perceel van [eiser] te verwijderen en verwijderd te houden, op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet;

- tot betaling van een schadevergoeding van € 4.506,25 voor herstel van de tuin van [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;

- tot betaling van € 540,00 voor de kosten van de grensreconstructie van het Kadaster, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;

- tot betaling van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;

- in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de muur zonder zijn toestemming op zijn perceel is gebouwd, dat daardoor sprake is van een onrechtmatige inbreuk op zijn eigendomsrecht en daarmee van een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW. Deze kan aan [gedaagde] worden toegerekend, zodat [eiser] bevoegd is om de verwijdering van de muur te vorderen en [gedaagde] verplicht is de schade die [eiser] lijdt te vergoeden, aldus [eiser] .

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert daartoe aan dat geen sprake is van een onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] omdat [eiser] toestemming heeft gegeven voor het plaatsen van de fundering en de muur. Voor zover [eiser] geen uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven, heeft hij de inbreuk op zijn eigendomsrecht stilzwijgend geaccepteerd. [eiser] heeft niet geprotesteerd tegen de aanleg van de muur zodat [gedaagde] hieruit met gerechtvaardigd vertrouwen kon afleiden dat [eiser] geen bezwaar had tegen het bouwen van de muur op zijn perceel. Voor zover [gedaagde] daar niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen, geldt volgens [gedaagde] dat [eiser] zijn klachtplicht heeft geschonden omdat [eiser] tussen het aanbrengen van de fundering en het plaatsen van de muur drie maanden de tijd had om zijn bezwaar tegen het plaatsen van de muur op die plek kenbaar te maken maar dat heeft nagelaten. Tot slot voert [gedaagde] nog aan dat sprake is van eigen schuld zoals bedoeld in artikel 6:101 BW en misbruik van recht omdat hij onevenredig wordt benadeeld als hij de muur moet verwijderen ten opzichte van het belang van [eiser] daarbij.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser]

Artikel 5:1 BW bepaalt dat eigendom het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben en dat het de eigenaar, met uitsluiting van een ieder, vrij staat om van de zaak gebruik te maken. Op grond van artikel 5:2 BW is de eigenaar van een zaak bevoegd de zaak van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen.

[eiser] stelt dat [gedaagde] een onrechtmatige inbreuk op zijn eigendomsrecht heeft veroorzaakt door het, zonder zijn toestemming, plaatsen van de muur op zijn perceel. [gedaagde] voert aan dat hij wel, al dan niet stilzwijgende, toestemming van [eiser] had om de muur daar te plaatsen en dat van een onrechtmatige inbreuk dus geen sprake kan zijn.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] de muur volledig op het perceel van [eiser] heeft laten plaatsen en dat er dus sprake is van een inbreuk op zijn eigendomsrecht. De vraag die beantwoord moet worden is of die inbreuk onrechtmatig is of niet.

Uit de processtukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagde] is verklaard, is gebleken dat [gedaagde] er pas achter is gekomen dat de muur volledig op het perceel van [eiser] stond nadat de muur al was geplaatst. Per e-mail van 18 december 2024 deelt [gedaagde] immers nog aan [eiser] mee dat de muur in kwestie op zijn eigen grond staat. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] meerdere keren verklaard dat hij het eenvoudigweg niet wist dat hij de muur volledig op het perceel van [eiser] aan het (laten) bouwen was. Dit is hem pas helemaal duidelijk geworden nadat [eiser] de grensreconstructie door het Kadaster had laten uitvoeren.

Nu vaststaat dat [gedaagde] ervan uit is gegaan dat hij op eigen grond aan het bouwen was, is het niet aannemelijk dat hij toestemming aan [eiser] heeft gevraagd en van hem heeft gekregen om de muur volledig op diens perceel te bouwen, in het volle besef dat daardoor inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] werd gemaakt. De getuigenverklaringen die [gedaagde] heeft overgelegd maken dit niet anders. De getuigen verklaren enkel over aanwijzingen die [eiser] zou hebben gegeven tijdens het plaatsen van de muur maar daaruit blijkt nog niet dat [eiser] toestemming heeft gegeven om de muur volledig op zijn perceel te plaatsen en [gedaagde] mocht daar dus ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen. Dit blijkt evenmin uit het gegeven dat [eiser] niet heeft geprotesteerd tijdens het plaatsen van de muur. Het had op de weg van [gedaagde] , als bouwer van de muur, gelegen om afdoende onderzoek te doen naar de grens tussen beide percelen voordat hij begon met bouwen. Hij mocht daarbij naar het oordeel van de rechtbank niet zomaar afgaan op de mededeling van de hovenier maar had zich er zelf van moeten vergewissen dat hij op zijn eigen perceel aan het bouwen was zoals hij kennelijk ook veronderstelde. Nu hij dat niet heeft gedaan en niet is komen vast te staan dat hij toestemming van [eiser] had om inbreuk op diens eigendomsrecht te maken, draagt [gedaagde] daarvan het risico.

Klachtplicht

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat [eiser] de klachtplicht zoals bedoeld in artikel 6:89 BW heeft geschonden. Volgens deze bepaling kan een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt bij de schuldeiser heeft geprotesteerd. De rechtbank stelt voorop dat de verhouding tussen partijen in deze zaak niet is gebaseerd op een overeenkomst, maar op een onrechtmatige daad. De klachtplicht van artikel 6:89 BW heeft betrekking op gebrekkige prestaties, dat wil zeggen prestaties van een schuldenaar die niet aan de verbintenis beantwoorden. De klachtplicht ziet derhalve niet op een vordering uit onrechtmatige daad. Dat laatste is slechts anders indien de vordering uit onrechtmatige daad is gericht tegen de schuldenaar en is gegrond op feiten die tevens de stelling zouden rechtvaardigen dat de prestatie niet aan de verbintenis beantwoordt. In deze zaak doet die situatie zich echter niet voor. Dit verweer van [gedaagde] wordt daarom gepasseerd.

Eigen schuld

[gedaagde] doet voorts een beroep op het eigen schuld-beginsel van artikel 6:101 BW en voert aan dat de kosten voor het verwijderen van de muur voor rekening van [eiser] behoren te komen. [gedaagde] heeft hieraan echter geen (voorwaardelijke) vordering in reconventie gekoppeld, zodat deze stelling geen verdere beoordeling behoeft.

Misbruik van recht

[gedaagde] heeft tot slot aangevoerd dat de vordering tot het verwijderen van de muur in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert. Hij stelt dat hij te goeder trouw was toen hij de muur plaatste en dat hij aanzienlijke kosten heeft moeten maken voor de aanleg daarvan en ook voor het verwijderen van het afval en struiken op het perceel van [eiser] . Volgens [gedaagde] staat het nadeel dat [eiser] ondervindt door de “overbouw” niet in verhouding tot de kosten die [gedaagde] moet maken om deze ongedaan te maken. [gedaagde] beroept zich expliciet op het bepaalde in artikel 5:54 BW, maar zijn stellingen doen vermoeden dat hij zich ook beroept op het bepaalde in artikel 3:13 BW. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Artikel 5:54 BW bepaalt dat wanneer een gebouw of werk ten dele op, boven of onder het erf van een ander is gebouwd (de zogenaamde overbouw) en de eigenaar van het gebouw of werk door wegneming van het uitstekende gedeelte onevenredig veel zwaarder benadeeld zou worden dan de eigenaar van het erf door handhaving daarvan, de eigenaar van het gebouw of werk te allen tijde kan vorderen dat hem tegen schadeloosstelling een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand wordt verleend of, ter keuze van de eigenaar van het erf, een daartoe benodigd gedeelte van het erf wordt overgedragen.

In deze zaak gaat het echter niet om een gebouw of werk dat ten dele op een erf van een ander is gebouwd maar om een muur die volledig op het perceel van een ander is gebouwd zodat artikel 5:54 BW hier niet van toepassing is en dit verweer van [gedaagde] dus gepasseerd wordt.

Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld zich te beroepen op het bepaalde in 3:13 BW, overweegt de rechtbank als volgt. In het tweede lid van dit artikel is het volgende bepaald:

Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar 1) uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of 2) met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of 3) in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een situatie als hiervoor genoemd onder 1 en 2. Wat betreft de derde situatie, de onevenredigheid tussen de belangen van [eiser] en [gedaagde] , stelt de rechtbank voorop dat het belang van [eiser] om zijn eigendom op te eisen, expliciet in de wet is verankerd. [gedaagde] stelt weliswaar dat [eiser] ook belang heeft bij “een degelijke erfafscheiding”, maar daarmee gaat hij voorbij aan de essentie van het geschil: de muur is geen “erfafscheiding”, maar is geheel gebouwd óp het erf van [eiser] , die daardoor bijna 30 m2 minder tuin heeft. Het belang van [eiser] om die tuin weer bij zijn perceel te betrekken is vanzelfsprekend groot en zwaarwegend.

Uiteraard zijn de belangen van [gedaagde] ook groot. Hij heeft aanzienlijke kosten gemaakt om de muur te bouwen en zal ook weer kosten moeten maken om die te verwijderen, als de vordering wordt toegewezen. Niet volgehouden kan echter worden dat [gedaagde] “te goeder trouw was” toen hij de muur plaatste. Hij heeft kennelijk niet zelf onderzoek verricht naar de situering van de erfgrens en hij is dan ook redelijk onbezonnen te werk gegaan door de muur zonder een dergelijk onderzoek te plaatsen.

Dat hij meende toestemming te hebben van [eiser] maakt dat niet veel anders: met het plaatsen van een muur op de grond van [eiser] , zonder hiervoor een erfdienstbaarheid of een recht van opstal te vestigen, heeft hij het risico genomen dat de muur (door natrekking) eigendom van [eiser] zou worden. Kennelijk heeft [gedaagde] zich dit alles niet gerealiseerd, maar dat is een omstandigheid die voor zijn risico komt.

Daar komt nog bij dat [eiser] , nadat die erachter was gekomen dat de muur geheel op zijn perceel stond, aan [gedaagde] een handreiking heeft gedaan door aan te bieden de muur in gemeenschappelijk eigendom te brengen, maar dat heeft [gedaagde] van de hand gewezen, net als het aanbod om mee te werken aan de grensconstructie. Gelet op al deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat [eiser] misbruik van recht maakt door nu de afbraak van de muur te vorderen.

Verwijderen van de muur

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] een onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] heeft gemaakt door het plaatsen van de muur op het perceel van [eiser] . De vordering tot veroordeling van [gedaagde] tot het verwijderen van de muur zal daarom worden toegewezen. De rechtbank acht de gevorderde termijn van vier weken daarvoor echter te kort. Een termijn van drie maanden wordt redelijk geacht. Aan deze veroordeling zal een dwangsom worden verbonden van € 100,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] na het verstrijken van die drie maanden niet aan de veroordeling tot het verwijderen van de muur voldoet. De rechtbank verbindt aan de dwangsommen een maximum van € 10.000,00.

Herstelkosten tuin

[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij [gedaagde] wel toestemming heeft verleend om bomen en struiken op zijn perceel te verwijderen. Nu dat met zijn toestemming is gebeurd, kan hij [gedaagde] niet aansprakelijk houden voor de kosten van het herstel daarvan. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat er ook een aantal onduidelijke posten op de offerte van het hoveniersbedrijf worden vermeld waarvan [eiser] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom die kostenposten voor rekening van [gedaagde] zouden moeten komen. Bij gebrek aan een nadere onderbouwing daarvan zal de rechtbank deze vordering van [eiser] afwijzen.

Kosten Kadaster

[eiser] maakt op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 540,00 voor de grensreconstructie die door het Kadaster is uitgevoerd. Bij de beantwoording van de vraag of deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, dient te worden onderzocht of het, in de gegeven omstandigheden, redelijkerwijs noodzakelijk was om deze kosten te maken en of de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten redelijkerwijs noodzakelijk waren om vast te kunnen stellen op wiens perceel de muur staat en dus ook ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Ook de hoogte van de kosten is naar het oordeel van de rechtbank redelijk zodat dit bedrag voor toewijzing gereed ligt. De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] per schrijven van 14 maart 2025 gesommeerd om deze kosten binnen tien dagen te voldoen. Nu [gedaagde] daar niet aan heeft voldaan verkeert hij vanaf 25 maart 2025 in verzuim en is hij vanaf die datum ook de wettelijke rente daarover verschuldigd.

Buitengerechtelijke kosten

[eiser] stelt buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en vordert vergoeding daarvan. Nu de hoofdvordering niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) valt, zal de rechtbank de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Ook hier dient voldaan te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten, evenals de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, zal toewijzen.

Proceskosten

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten). Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht

90,00

- salaris advocaat

1.108,00

(2 punten × € 554,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.387,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de muur, zoals deze zich bevindt op het perceel van [eiser] , te verwijderen en verwijderd te houden, op verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] niet binnen de genoemde termijn is overgegaan tot het verwijderen van de muur, zulks met een maximum van € 10.000,00,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 540,00 voor de kosten van het Kadaster, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.387,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand