ECLI:NL:RBLIM:2026:7023

ECLI:NL:RBLIM:2026:7023

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 16-07-2026
Datum publicatie 15-07-2026
Zaaknummer ROE 24/4416 en ROE 25/3077
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

ROE 24/4416 Beroep niet ontvankelijk. Eiseres kan met het beroep niet meer bereiken dan wat ze wilde bereiken, namelijk (ook) de behandeling van haar verzoek om kwijtschelding van de resterende studieschuld. ROE 25/3077 Beroep tegen afwijzing kwijtscheldingsverzoek ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat het advies van de medische adviseur zorgvuldig tot stand is gekomen, dat de conclusie inzichtelijk en concludent is en dat de minister het advies aan de afwijzing van het kwijtscheldingverzoek in bestreden besluit ten grondslag kon en heeft mogen leggen. In het advies is voldoende ingegaan op de vraag of sprake is van een (met de in het beleid concreet genoemde criteria) vergelijkbare medisch uitzichtloze situatie en toegelicht waarom dit niet het geval is. De rechtbank is daarbij niet gebleken van aanknopingspunten om het medisch advies in twijfel te trekken. Het feit dat eiseres op medische gronden duurzaam niet beschikt over arbeidsvermogen en om die reden geen arbeidsmarkt- (en verdien)perspectief heeft, maakt niet dat van haar niet kan worden verlangd dat zij haar studieschuld terugbetaalt en daarom ook niet dat de minister haar om die (financiële) reden voor kwijtschelding in aanmerking had moeten brengen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Samenvatting

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: ROE 24/4416 en ROE 25/3077

(gemachtigde: mr. F.Y. Gans),

en

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiseres om kwijtschelding van haar studieschuld.

Procesverloop

2. Met het (primaire) besluit van 14 december 2023 heeft de minister naar aanleiding van het verzoek om kwijtschelding van de studieschuld (enkel) de prestatiebeurs omgezet in een gift. Met het bestreden besluit van 6 september 2024 (bestreden besluit 1 - zaaknummer ROE 24/4416) op het bezwaar van eiseres is de minister daarbij gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1 en gronden aangevoerd. De minister heeft schriftelijk gereageerd.

Met het bestreden besluit van 8 december 2025 (bestreden besluit 2) heeft de minister het verzoek om kwijtschelding van de resterende schuld op medische gronden afgewezen.

De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Partijen hebben tijdens de behandeling van het beroep ingestemd met rechtstreeks beroep tegen bestreden besluit 2 (zaaknummer ROE 25/3077).

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen aanvullende gronden in te dienen tegen bestreden besluit 2 en de minister de gelegenheid te bieden daarop te reageren.

Eiseres heeft op 8 januari 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft daarop op 9 februari 2026 gereageerd.

Omdat partijen niet binnen de daarin gestelde termijn hebben gereageerd op de vraag van de rechtbank of zij nog een zitting wensen, heeft de rechtbank op 29 mei 2026 bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

De standpunten van partijen

Inleiding

3. Eiseres heeft op 23 augustus 2021 een verzoek om kwijtschelding van de studieschuld gedaan. De minister heeft dit verzoek aangemerkt als een verzoek om omzetting van de prestatiebeurs in een gift op grond van structurele bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4.14 van de Wsf 2000, waarop (in bezwaar) is beslist met bestreden besluit 1 (zaaknummer ROE 24/4416). Nadat uit verdere correspondentie bleek dat eiseres kwijtschelding wenste van de (gehele) studieschuld, heeft de minister ook dat verzoek in behandeling genomen. De minister heeft hiervoor advies gevraagd aan de medisch adviseur van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en op dat verzoek beslist met bestreden besluit 2 (zaaknummer ROE 25/3077).

Het bestreden besluit 1 – ROE 24/4416

4. Met bestreden besluit 1 heeft de minister (enkel) de prestatiebeurs van eiseres omgezet in een gift.

5. Eiseres voert (hier samengevat weergegeven) aan dat de minister bij haar verzoek om kwijtschelding van de studieschuld ten onrechte de besluitvorming heeft gesplitst, door de kwijtschelding van de rentedragende lening apart te beoordelen. Omdat de minister in bezwaar daarover niet alsnog een besluit heeft genomen, is het bestreden besluit volgens eiseres in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres stelt daarnaast te voldoen aan het criterium voor kwijtschelding zoals bedoeld in artikel 4.94a van de Awb en dat sprake is van een dusdanige specifieke situatie dat ook op grond van dringende redenen zoals bedoeld in artikel 4.84 van de Awb een rechtvaardiging kan worden gevonden voor een afwijking van het beleid van de minister. Verder stelt eiseres dat de hoorplicht is geschonden.

6. De minister stelt zich (kort samengevat) op het standpunt dat het verzoek om kwijtschelding uitsluitend ziet op de resterende looptijd van de studieschuld. Uit de bijgevoegde ‘verklaring kwijtschelding studieschuld’ van de onderwijsinstelling blijkt dat eiseres haar studie vanwege ernstige psychiatrische problematiek heeft moeten beëindigen. De minister heeft het verzoek daarom opgevat als verzoek om de toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs vanwege structurele bijzondere omstandigheden om te zetten in een gift. Uit latere correspondentie is duidelijk geworden dat eiseres kwijtschelding wenst van haar (hele) studieschuld. Dit verzoek is in behandeling genomen. Er is geen sprake van gesplitste besluitvorming, maar van verschillende verzoeken waarvoor verschillende voorwaarden gelden. Verder stelt de minister dat de hoorplicht op grond van artikel 7:3 van de Wsf 2000 niet van toepassing is.

De beoordeling

7. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres nog een (proces)belang heeft met haar beroep tegen dit bestreden besluit.

8. Van (voldoende) (proces)belang is pas sprake als het resultaat dat eiseres met het indienen van beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor eiseres feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) (proces)belang.

9. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep – gelet op de beroepsgronden van eiseres – alleen gaat over de kwijtschelding van het deel van de studieschuld dat nog niet is omgezet in een gift. Eiseres heeft tegen de omzetting van de prestatiebeurs in een gift niets aangevoerd en ook niet aangevoerd wat erop ziet dat het resterende (lening)deel (waarvan kwijtschelding wordt verzocht) ook in een gift had moeten worden omgezet. Verder stelt de rechtbank vast dat de minister weliswaar in eerste instantie het verzoek om kwijtschelding van de studieschuld heeft aangemerkt als (alleen) een verzoek om de prestatiebeurs om te zetten in een gift, maar uiteindelijk ook als een (afzonderlijk te behandelen) verzoek om kwijtschelding van het resterende (lening)deel wegens medische redenen. Op het moment dat bestreden besluit 1 werd genomen, was al bekend dat dit verzoek in een afzonderlijke procedure in behandeling was genomen. Dat staat daar bovendien uitdrukkelijk in opgemerkt. De minister heeft dat verzoek vervolgens afgewezen met bestreden besluit 2, nadat de medisch adviseur op basis van de overgelegde medische gegevens advies had uitgebracht. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daardoor met het beroep tegen bestreden besluit 1 niet meer kan bereiken dan wat ze wilde bereiken, namelijk (ook) de behandeling van haar verzoek om kwijtschelding van de resterende studieschuld. De rechtbank ziet daarbij niet in waarom eiseres (zoals zij stelt) daarvoor beroep heeft moeten instellen tegen bestreden besluit 1, nu voor haar op dat moment redelijkerwijs duidelijk was (in ieder geval kon zijn) dat dit verzoek toen al in behandeling genomen was. Als zij zou vinden dat die besluitvorming te lang op zich zou laten wachten, dan stonden haar daarvoor bovendien andere mogelijkheden tot haar beschikking (zoals een ingebrekestelling en vervolgens een beroep tegen het niet tijdig beslissen op dat verzoek). Verder overweegt de rechtbank dat aan het mogelijk verkrijgen van een proceskostenveroordeling geen procesbelang kan worden ontleend. Dat betekent ook dat de procedurele argumenten van eiseres (over de gesplitste besluitvorming en schending van de hoorplicht) geen procesbelang opleveren. Van belang is tot slot ook dat eiseres in het beroep tegen bestreden besluit 2 inhoudelijk alles kan (en heeft kunnen) aanvoeren over haar (uiteindelijk afgewezen) verzoek om kwijtschelding en de rechtbank die inhoudelijke gronden in dat beroep zal beoordelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres geen (proces)belang meer heeft met dit beroep tegen bestreden besluit 1.

10. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is om die reden niet-ontvankelijk.

Het bestreden besluit 2 – ROE 25/3077

11. Met bestreden besluit 2 heeft de minister het verzoek om kwijtschelding van de studieschuld op medische gronden afgewezen omdat (kort gezegd) uit het medische advies blijkt dat niet wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden.

De (samengevatte) standpunten van partijen

12. Eiseres betwist dat zij niet voldoet aan de criteria voor kwijtschelding van de studieschuld op medische gronden. Volgens haar is sprake is van een vergelijkbare ernstige medische situatie die kwijtschelding van de studieschuld rechtvaardigt. Zij wijst op bestreden besluit 1 en de verklaring van de onderwijsinstelling op grond waarvan de prestatiebeurs vanwege structurele medische omstandigheden is omgezet in een gift. Verder betwist eiseres de juistheid van het medische advies. De medische adviseur heeft haar niet gezien noch gehoord. Ook blijkt niet welke periode is beoordeeld en wordt er niet op ingegaan dat zij nooit meer dan het minimuminkomen zal kunnen verdienen en geen arbeidsmarktperspectief heeft. Ook vermeldt het advies dat zij een WIA-uitkering heeft, wat onjuist is. Verder voert eiseres aan dat de minister had moeten toetsten of sprake is van een vergelijkbare medische uitzichtloze situatie op grond waarvan een uitzondering op het beleid moet worden gemaakt. De minister had ook een kenbare afweging moeten maken of in het geval van eiseres sprake is van een dusdanige bijzondere situatie dat de weigering tot kwijtschelding over te gaan een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Nu dit niet is gebeurd, is volgens eiseres ten onrechte en niet volledig kenbaar getoetst aan de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 11.5 van de Wsf 2000 dan wel artikel 4:94a van de Awb. Volgens eiseres is sprake van een dusdanige specifieke situatie dat op grond van dringende redenen of onevenredige gevolgen een rechtvaardiging kan worden gevonden voor een afwijking van het beleid van de minister ten gunste van eiseres op grond van artikel 8:84 van de Awb.

13. De minister stelt dat de omstandigheid dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor omzetting van de prestatiebeurs in een gift niet betekent dat zij voldoet aan de voorwaarden van het kwijtscheldingsbeleid. De toetsingsgrondslag van artikel 4.14 van de Wsf 2000 en het kwijtscheldingsbeleid zijn namelijk verschillend. De medisch adviseur heeft uitgebreid gemotiveerd waarom eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor kwijtschelding. Voor zover eiseres de juistheid van het medische advies betwist omdat zij niet door de medisch adviseur is gezien wordt verwezen naar een uitspraak van de hoogste rechter in dit soort zaken (Centrale Raad van Beroep, hierna: CRvB). Volgens de minister is het medisch advies zorgvuldig tot stand gekomen, inzichtelijk en concludent en kan het daarom de besluitvorming besluit dragen. Volgens de minister zijn er geen feiten of omstandigheden die rechtvaardigen om de hardheidsclausule toe te passen. Het kwijtscheldingsbeleid is namelijk gebaseerd op deze clausule en er is niet gebleken van een bijzondere situatie om daarvan af te wijken.

De beoordeling

14. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) is degene die studiefinanciering heeft ontvangen verplicht tot terugbetaling van de lening. De Wsf 2000 voorziet alleen in kwijtschelding bij het einde van de aflosfase en bij overlijden van de debiteur.

15. De minister voert met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule een beleid waarin staat dat ook kwijtschelding wordt verleend indien:

a. de debiteur een terminale ziekte heeft waardoor hij naar verwachting binnen een jaar komt te overlijden;

b. de debiteur gedurende langere tijd in coma ligt;

c. de debiteur een psychiatrische patiënt is die is opgenomen in een inrichting en de situatie uitzichtloos is;

d. de debiteur ernstig (geestelijk) gehandicapt is.

16. Naast de gevallen die in het beleid (onder a t/m d) zijn omschreven, bestaat er ook

ruimte om in een bijzonder geval eveneens hardheid aan te nemen. Daarvoor wordt getoetst of sprake is van een vergelijkbare medisch uitzichtloze situatie die maakt dat op grond van humanitaire gronden een uitzondering op het beleid moet worden gemaakt.

17. De achterliggende gedachte van dit beleid is dat van debiteuren die in dergelijke medisch uitzichtloze situaties verkeren vanuit menselijk oogpunt niet kan worden verlangd dat zij hun studieschuld nog (verder) terugbetalen. Het is vaste rechtspraak dat dit door de minister gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet onredelijk is en stringent toegepast mag worden.

18. De rechtbank stelt voorop dat, indien een deskundigenadvies aan een besluit ten grondslag wordt gelegd, het bestuursorgaan zich volgens vaste rechtspraak ervan dient te vergewissen dat dit advies is opgesteld door een ter zake deskundige, dat op zorgvuldige wijze onderzoek is gedaan en dat het advies inzichtelijk en concludent is. Het ligt vervolgens op de weg van de betrokkene om medische stukken in te dienen die aan het medisch advies doen twijfelen.

19. De rechtbank is van oordeel dat het advies van de medische adviseur zorgvuldig tot stand is gekomen, dat de conclusie inzichtelijk en concludent is en dat de minister het advies aan de afwijzing van het kwijtscheldingverzoek in bestreden besluit 2 ten grondslag kon en heeft mogen leggen. De medisch adviseur heeft in het advies van 19 november 2025 (kort gezegd) geconcludeerd dat eiseres (objectief medisch gezien) niet voldoet aan de strenge medische voorwaarden voor kwijtschelding van de studieschuld op medische gronden. Er heeft dossieronderzoek plaatsgevonden, waarbij een brief van het UWV van

31 december 2013 met de beschikking over de Wajong-uitkering per 3 februari 2013 en een brief van de huisartsenpraktijk van 28 januari 2022 met een overzicht van de behandelingen en gestelde diagnosen binnen de geestelijke gezondheidszorg zijn betrokken. De medisch adviseur is voldoende ingegaan op de informatie daarin, heeft die besproken en daarbij per voorwaarde concreet toegelicht waarom dat niet voldoende is voor kwijtschelding. Vast staat weliswaar dat eiseres beperkingen en belemmeringen ondervindt als gevolg van een duurzaam medisch psychiatrisch beeld (en zij een Wajong-uitkering ontvangt), maar voldoende en inzichtelijk gemotiveerd is waarom eiseres desondanks niet voldoet aan de criteria voor kwijtschelding in het beleid. De beschrijving van (de ontwikkeling van) haar klachten en beperkingen door eiseres zelf, hoe zij dit ervaart en wat daarvan de gevolgen waren (zij lichtte onder meer toe dat zij haar opleiding daarom heeft moeten staken) is – hoe begrijpelijk en invoelbaar ook – onvoldoende voor een ander oordeel over het advies van de medisch adviseur daarover. De rechtbank is daarbij niet gebleken van aanknopingspunten om het medisch advies in twijfel te trekken. Eiseres heeft niet met nadere medische informatie aannemelijk gemaakt dat de medisch adviseur haar medische situatie onjuist heeft ingeschat of dat aan de juistheid van de conclusie van de medisch adviseur moet worden getwijfeld. Dat de medisch adviseur eiseres niet zelf heeft onderzocht is daarvoor in dit geval onvoldoende, gelet op de bij de medisch adviseur beschikbare informatie en het feit dat eiseres zelf ook geen andere of nieuwe medische informatie heeft ingebracht. Hetzelfde geldt voor de constatering dat in het advies ook eenmaal staat dat eiseres een WIA-uitkering heeft, terwijl zij een Wajong uitkering ontvangt. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat uit de rest van het advies voldoende volgt dat dit een kennelijke verschrijving is. Uit het advies blijkt verder dat de medisch adviseur de periode sinds 2012 heeft betrokken. In het advies is bovendien voldoende ingegaan op de vraag of sprake is van een (met de in het beleid concreet genoemde criteria) vergelijkbare medisch uitzichtloze situatie en toegelicht waarom dit niet het geval is. De rechtbank kan die toelichting volgen en wat eiseres aanvoert is onvoldoende voor een ander oordeel.

20. Eiseres wijst er nog op dat de prestatiebeurs wegens haar bijzondere (medische) omstandigheden wel is omgezet in een gift. De minister stelt daarover terecht dat het bij een (algemeen) verzoek om kwijtschelding (op grond van artikel 11.5 van de Wsf 2000 en het daarop gebaseerde hardheidsbeleid) om een andere toetsingsgrondslag en beoordeling gaat dan bij een verzoek (op grond van artikel 4.14, derde lid, van de Wsf 2000) om de prestatiebeurs om te zetten in een gift. Vanwege enkel die omzetting van de prestatiebeurs naar een gift vanwege haar medische situatie (omdat zij daardoor niet binnen de termijn de opleiding kon afronden) kan daarom nog niet worden geconcludeerd dat eiseres vanwege diezelfde medische situatie dan ook voldoet aan de criteria van het kwijtscheldingsbeleid (een uitzichtloze medische situatie, waardoor terugbetaling van de studieschuld niet kan worden verlangd).

21. Voor zover eiseres betoogt dat bij de beoordeling van haar verzoek ten onrechte haar inkomenssituatie niet is betrokken, overweegt de rechtbank dat de financiële positie van eiseres niet bepalend is bij de beoordeling of het kwijtscheldingsbeleid (op medische gronden) van toepassing is. De rechtbank wijst in dit verband op vaste rechtspraak van de CRvB. Daarin is overwogen dat met de financiële situatie van een betrokkene rekening wordt gehouden, onder andere door de mogelijkheid om een draagkrachtmeting aan te vragen. Het enkele feit dat eiseres op medische gronden duurzaam niet beschikt over arbeidsvermogen en om die reden geen arbeidsmarkt- (en verdien)perspectief heeft, maakt niet dat van haar niet kan worden verlangd dat zij haar studieschuld terugbetaalt en daarom ook niet dat de minister haar om die (financiële) reden voor kwijtschelding in aanmerking had moeten brengen. Dat de resterende studieschuld een negatieve impact heeft op eiseres, hoefde de minister in het licht van het beleid niet genoeg te vinden voor kwijtschelding daarvan. Dat is ook betrokken in het medisch advies. Daarbij komt dat (ook eiseres zelf erop wijst dat) is vastgesteld dat eiseres geen draagkracht heeft en dus niets hoeft terug te betalen. Dat eiseres stelt dat dit dus naar alle waarschijnlijkheid zo zal blijven vanwege haar (medische) situatie, is niet genoeg voor de conclusie dat daarom alsnog sprake is van een uitzichtloze medische situatie op grond waarvan de minister tot kwijtschelding had moeten overgaan. Van belang is verder dat eiseres niet inzichtelijk en aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de financiële problemen is gekomen of zal komen doordat de resterende schuld (van € 4.957,76) niet is en wordt kwijtgescholden. Het betoog van eiseres dat de gevolgen van de afwijzing van het kwijtscheldingsverzoek door toepassing van het beleid voor eiseres zodanig onevenredig zijn of dringende redenen opleveren dat daardoor die afwijzing niet (geheel) in stand kan blijven, deelt de rechtbank dan ook niet.

22. Voor zover eiseres verwijst naar de situatie in de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 april 2025 kan dat er tot slot niet toe leiden dat het in dit beroep te toetsen bestreden besluit van de minister – op basis van het advies van de medisch adviseur – over de specifieke (medische) situatie van eiseres in verband met het kwijtscheldingsbeleid, niet in stand kan blijven. Datzelfde geldt voor de verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 december 2023.

23. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de minister het verzoek om kwijtschelding terecht afgewezen. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is daarom ongegrond.

Conclusie en gevolgen

24. Het beroep tegen bestreden besluit 1 (ROE 24/4416) is niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit 2 (ROE 25/3077) is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de minister haar verzoek om kwijtschelding terecht heeft afgewezen.

25. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten in deze beroepen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ROE 24/4416 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep ROE 25/3077 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van

J.M.M. Versteegh-Janssen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage:

Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000)

Artikel 4.14. Bijzondere omstandigheden

(…)

3. Indien een mbo-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.

(…)

5. Onze Minister stelt op aanvraag van de mbo-student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de mbo-student is ingeschreven.

(…)

Artikel 6.2. Kwijtschelding aanvullende beurs bij onvoldoende inkomen

1. De ingevolge hoofdstukken 4 en 5 toegekende en niet in gift om te zetten aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden.

2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:

a. tot welk toetsingsinkomen van de debiteur en zijn partner geheel of gedeeltelijk kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid, mogelijk is,

b. of daarbij onderscheid gemaakt wordt voor een debiteur met partner en een debiteur zonder partner die al dan niet student is in de zin van deze wet, en

c. tot welk tijdstip een aanvraag kan worden ingediend.

3. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat op het tijdstip van kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid, teniet.

4. Bij kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 6.10, eerste en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, en is artikel 6.12 niet van toepassing.

5. Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

(…)

Artikel 7.3. Bezwaarschriftprocedure

De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing.

(…)

Artikel 11.5. Hardheidsclausule

Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand