RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25 / 1666
(gemachtigde: mr. F.Y. Gans),
en
(gemachtigde: M.M.W. Pittie en T.J.G Keulders).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam maatschap], uit [vestigingsplaats] (vergunninghouder).
1. Deze uitspraak gaat over de door verweerder verleende omgevingsvergunningen voor het realiseren van een opslagloods en het uitvoeren van graafwerkzaamheden. Eiser is het niet eens met deze verlening en de ongegrondverklaring van zijn bezwaar daartegen bij het bestreden besluit. Eiser heeft daarom beroep ingesteld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand hiervan beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit rechtmatig is.
Omdat het realiseren van de opslagloods in overeenstemming is met het bestemmingsplan / binnen het bouwvlak valt, slagen diverse beroepsgronden niet. De beroepsgronden over welstand slagen ook niet. Verder staat het relativiteitsvereiste eraan in de weg dat de omgevingsvergunning voor de graafwerkzaamheden voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder heeft dan ook de omgevingsvergunningen voor het realiseren van de opslagloods en het uitvoeren van de graafwerkzaamheden aan vergunninghouder mogen verlenen. Eiser krijgt dus geen gelijk en zijn beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en wat de gevolgen hiervan zijn.
Procesverloop
2. Bij besluit van 26 november 2024 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een opslagloods en bij besluit van 14 januari 2025 (het primaire besluit II) een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden op het adres [adres 1] te [vestigingsplaats] .
Eiser heeft tegen het primaire besluit I en II bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 11 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nog een nader stuk overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser en verweerder en [naam 1] en
[naam 2] namens vergunninghouder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Vergunninghouder heeft op 24 april 2024 een omgevingsvergunning gevraagd voor het realiseren van een opslagloods en op 15 november 2024 voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden ten behoeve van de te realiseren opslagloods op het adres [adres 1] te [vestigingsplaats] (hierna: het adres). Op het adres is een melkveebedrijf gevestigd. De opslagloods is bedoeld voor de stalling van de tractor en werktuigen, de opslag van voer en andere bedrijfsbenodigdheden.
Met het primaire besluit I heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van een opslagloods verleend (omgevingsplanactiviteit op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow). Met het primaire besluit II heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden ten behoeve van het realiseren van de opslagloods voor de activiteit werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren (omgevingsplanactiviteit op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet).
Eiser is eigenaar van het aangrenzend perceel op het adres [adres 2] te [vestigingsplaats] met een afstand tussen de loods en zijn tuin / woning van ongeveer 110 meter. Verder staat er op ongeveer 30 meter van de loods een haag (tussen de loods en de tuin / woning van eiser), die enigszins het zicht ontneemt op de te realiseren loods. Eiser heeft (naast andere bezwaarmakers) bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit I en II.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder, met aanvulling van het advies van de Intergemeentelijke adviescommissie bezwaarschriften, de bezwaren ongegrond verklaard en de omgevingsvergunningen in stand gelaten.
Gronden van beroep
4. Eiser is van mening dat de vergunningverlening onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de voorgeschreven procedure niet is gevolgd. Voorafgaande aan de vergunningverlening heeft verweerder namelijk de door eiser gevraagde documenten niet verstrekt en was de vergunningaanvraag met bijbehorende documenten gedurende een periode niet digitaal raadpleegbaar. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de opslagloods niet alleen is bedoeld voor agrarisch gebruik. Volgens hem kan het rapport Aelmans niet ten grondslag liggen aan de vergunning, omdat daarin is uitgegaan van te weinig uren per jaar waarin machines draaien. Verder vindt hij dat de opslagloods in strijd is met de redelijke eisen van welstand, mede omdat een veldbrand baksteen niet voldoet als bouwmateriaal. Ten onrechte is volgens eiser de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) niet om advies gevraagd. De uitbreiding door middel van de loods is volgens eiser niet noodzakelijk. Er hadden duidelijke voorschriften verbonden moeten worden aan de omgevingsvergunning over de benodigde oppervlakte en het volume van de loods alsmede het gebruik. Het belang voor vergunningverlening had volgens eiser minder zwaar moeten wegen dan het belang voor het behoud van de cultuurhistorische en landschappelijk waarden van de omgeving en de natuur alsmede het woongenot en woongebruik van omwonenden. Eiser is van mening dat de opslagloods voor overlast zorgt vanwege de locatie en de ingang van de opslagloods, de lichtoverlast, de geluidoverlast, de hoogte, de toename in verkeersbewegingen, de luchtvervuiling en de overlast van ventilatiesystemen.
Toetsingskader
De rechtbank is van oordeel dat het moment van de aanvraag bepalend is voor het antwoord op de vraag welk bestemmingsplan, dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van verweerders gemeente (hierna: het omgevingsplan), op het adres van toepassing is. De aanvraag voor het realiseren van de opslagloods is ingediend op 24 april 2024, zodat het bestemmingsplan ‘Herziening Buitengebied 2013’ van toepassing is. De aanvraag voor de graafwerkzaamheden is ingediend op 15 november 2024 waardoor op deze aanvraag het bestemmingsplan ‘Partiële Herziening Buitengebied Vaals 2023’ van toepassing is.
Alhoewel twee bestemmingsplannen van toepassing zijn is de rechtbank van oordeel dat de regels materieel gezien op hetzelfde neerkomen, zoals ook ter zitting besproken. De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van (de artikelen van) het bestemmingsplan ‘Partiële Herziening Buitengebied Vaals 2023’ (hierna: het bestemmingsplan).
Op het adres liggen op grond van artikel 5.2, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Natuur en landschap’, ‘Waarde – Cultuurhistorie 4, 5 en 5’ en ‘Waarde – Cultuurhistorie’.
Beoordeling
Zorgvuldigheid
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op de voorgeschreven wijze de verlening van de omgevingsvergunningen bekend heeft gemaakt voor een ieder. Dat er mogelijk documenten niet zijn verstrekt aan eiser maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat hij zou worden benadeeld. Alle relevante stukken zitten in de gedingstukken, zodat eiser hiervan kennis heeft kunnen nemen. De rechtbank verbindt daarom geen consequenties aan het (eventueel) niet verstrekken van documenten aan eiser.
Het realiseren van de loods op grond van het bestemmingsplan
6. Ter zitting is met partijen vastgesteld dat het realiseren van de opslagloods niet in strijd is met het bestemmingsplan en binnen het bouwvlak valt. De standpunten van eiser over het gebruik, de lichtoverlast, de geluidoverlast, natuur en stikstof behoeven derhalve geen bespreking. Dat betekent dus ook dat de rechtbank voorbij gaat aan eiser zijn argumenten over het aantal uren waarin machines draaien, omdat dit samenhangt met de stikstofbeoordeling. Een stikstofbeoordeling ligt overigens ook niet ter toetsing voor bij de onderhavige omgevingsvergunning.
Over het gebruik van de opslagloods merkt de rechtbank voorts nog het volgende op. Op grond van artikel 5.1, onder f, onderdeel 1, van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Agrarisch met waarden – Natuur en landschap’ aangewezen gronden (en dus het onderhavige adres) bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder een grondgebonden agrarisch bedrijf. Omdat in het bestemmingsplan al is voorgeschreven welk gebruik is toegestaan bij de opslagloods bestaat er geen aanleiding om hiervoor nog vergunningvoorschriften op te nemen. Op het moment dat niet voldaan wordt aan het in het bestemmingsplan voorgeschreven gebruik dan kan een verzoek tot handhaving worden ingediend.
De opslagloods is binnen het geldende bestemmingsplan toegestaan. Het is aan de aanvrager om te bepalen hoe groot de opslagloods wordt (in dit geval ca. 50 bij 30 meter) en waar de ingang zich bevindt zolang het binnen de kaders van het bestemmingsplan blijft. Vergunninghouder is dan ook niet gehouden om aan te tonen dat een dergelijke omvang van de opslagloods nodig is en de ingang op de betreffende plek moet.
Advisering / welstand
7. Met betrekking tot de beroepsgronden van eiser over de RCE en welstand overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank merkt allereerst op dat het niet verplicht is advies te vragen aan de RCE. Deze wordt in het bestemmingsplan alleen genoemd in het kader van de bestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ en deze bestemming rust niet op het adres.
In artikel 22.29, eerste lid, onder b, van het omgevingsplan is bepaald:
‘’Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeel volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;’’
Met betrekking tot de advisering door de Gemeentelijk adviescommissie Mergelland (hierna: welstandscommissie) overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft het bouwplan drie keer voorgelegd aan deze commissie en in het advies van 14 november 2024 is beschreven dat de uiterlijke verschijningsvorm, structuur en de oorspronkelijke materialen van het monument zoveel als mogelijk dienen te worden gehandhaafd. Volgens verweerder wordt met het bouwplan aan dit uitgangspunt voldaan. Eiser heeft dit niet onderbouwd weerlegd. De rechtbank ziet geen reden het standpunt van verweerder / het advies van de welstandscommissie niet te volgen. Het advies van deze commissie is niet door eiser weerlegd met een contra-expertise. De stelling (ter zitting) dat het een natuurgebied betreft waardoor er geen normale baksteen (veldbrand) gebruikt mag worden is onvoldoende.
Schade
8. Het standpunt van eiser over eventueel geleden schade ten gevolge van het realiseren van de opslagloods is in deze procedure niet aan de orde. Daarvoor kan eventueel een aparte planschadeprocedure worden gestart.
De graafwerkzaamheden
9. De rechtbank overweegt dat in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van eiser (het zogenoemde relativiteitsvereiste).
De rechtbank is van oordeel dat de regelgeving omtrent het waarborgen van de archeologische waarden op het adres niet strekt tot bescherming van eisers belangen. Het relativiteitsvereiste brengt met zich dat een inhoudelijke beoordeling van zijn beroepsgronden hierover dus niet tot vernietiging kan leiden. Bovendien is met onderzoek vast komen te staan dat er geen archeologische waarden worden aangetast met de graafwerkzaamheden. Eiser heeft dit onderzoek niet weerlegd.
Conclusie en gevolgen
10. In het licht van het vorenstaande is het beroep van eiser ongegrond. Dat betekent dat verweerder de gevraagde omgevingsvergunningen heeft mogen verlenen.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Er bestaat ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.J.M. Thelen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
15 juli 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 15 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.