RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11454117 \ CV EXPL 24-6851
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. Strijks, Scheers advocaten
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INNOVA ENERGIE B.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Innova,
gemachtigde: mr. E.A.H. ten Berge, Cees advocaten
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de akte uitlating partijen inzake verwijzing naar de afdeling kanton van [eiser]
- de akte uitlating van Innova,
- het vonnis van 11 december 2024
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte overlegging producties zijdens [eiser]
- de mondelinge behandeling van 11 september 2025
- de pleitnota zijdens [eiser]
- de notitie ten behoeve van de mondelinge behandeling zijdens Innova.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] sluit een contract met Innova voor de levering van gas en elektriciteit, ingaande 7 november 2022, voor de duur van 1 jaar tegen vaste tarieven.
Wordt de overeenkomst na verloop van dat jaar voortgezet, dan bepaald artikel 3.3. van de contractvoorwaarden:
“De looptijd van uw contract gaat in vanaf de startdatum voor de overeengekomen periode. Na deze periode wordt het contract automatisch verlengd voor onbepaalde tijd, met de dan geldende tarieven.”.
Bij het contract horen productvoorwaarden. Artikel 3.2. van deze productvoorwaarden luidt:
“Wijze van salderen.
U mag de door u teruggeleverde en verbruikte hoeveelheid elektriciteit op jaarbasis tegen elkaar wegstrepen. Het tarief voor de teruggeleverde elektriciteit is gelijk aan het leveringstarief (inclusief overheidsheffingen en btw; exclusief vaste leveringskosten)….”..
Omdat het contract eindigt op 6 november 2023 ontvangt [eiser] een brief gedateerd 9 oktober 2023. Daarin staat dat het contract met ingang van 7 november 2023 wordt omgezet in een contract voor onbepaalde tijd met variabele tarieven.
Ten aanzien van deze tarieven vermeldt de brief dat de leveringskosten per kWh elektriciteit inclusief energiebelasting, ODE en btw bedragen:
Enkeltarief € 0,38332
Normaaltarief € 0,39907
Daltarief € 0,37518
Ten aanzien van de terugleververgoeding vermeldt de brief dat deze per kWh (exclusief overheidsheffingen en inclusief btw) € 0,08470 bedraagt. Daarnaast worden terugleverkosten in rekening gebracht.
[eiser] wijst Innova er op dat de wijziging van de terugleververgoeding en het invoeren van terugleverkosten per saldo zeer ongunstig voor hem uitpakken, die wijzigingen contractueel niet waren toegestaan en dat Innova die moet terugdraaien. Innova gaat daartoe niet over.
3. Het geschil
[eiser] vordert – uitvoerbaar bij voorraad –
Voor recht te verklaren dat partijen op grond van de overeenkomst tussen partijen een automatische verlenging van het contract onder zelfde voorwaarden, voor onbepaalde tijd, met de dan geldende variabele tarieven zijn overeengekomen;
Voor recht te verklaren dat Innova toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eiser] in de nakoming van de verplichtingen tussen partijen zoals overeengekomen in het energiecontract met startdatum 7 november 2022 en dat Innova aansprakelijk is voor de als gevolg van deze handelswijze door [eiser] geleden schade waarvan de hoogte nog nader dient te worden opgemaakt bij Staat;
Innova te veroordelen om aan [eiser] een voorschot te betalen op de geleden en nog te lijden schade ten bedrag van € 50.000,00;
Innova te veroordelen tot nakoming van de verplichtingen zoals neergelegd inde overeenkomst tussen partijen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat Innova in gebreke is aan deze veroordeling te voldoen;
Innova te veroordelen tot betaling van de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente.
Kort gezegd voert [eiser] daartoe aan dat het Innova niet vrij stond om de contractueel overeengekomen één op één koppeling tussen de leverprijs en de teruglevergoeding, zoals vastgelegd in het contract voor een vaste termijn, los te laten in het nieuwe variabele contract. Daarnaast worden in het nieuwe contract terugleverkosten ingevoerd die in het oorspronkelijke contract niet voorkwamen. Ook dat is niet toegestaan.
Innova voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
In deze zaak gaat het om de levering van (gas en) elektriciteit door een partij die dat beroepsmatig doet aan een afnemer die niet afneemt in het kader van de uitoefening van een beroepsmatige of professionele activiteit. Innova heeft wel geduid op het uitoefenen van een professionele activiteit door [eiser] maar heeft onvoldoende feiten aangevoerd om dat aannemelijk te maken. Er dient dus uitgegaan te worden van een consumentenkoop.
Het geschil spitst zich verder toe op de teruglevering van elektriciteit en de daarmee verband houdende tarieven.
[eiser] motiveert zijn vordering als volgt.
In artikel 3.3. van de contractsvoorwaarden is bepaald dat de overeenkomst na het verstrijken van de overeengekomen periode wordt verlengd voor onbepaalde tijd met de dan geldende variabele tarieven.
“Verlengen” van de overeenkomst betekent dat de eerste overeenkomst wordt voortgezet en dus alle oorspronkelijke voorwaarden van kracht blijven. Er komt dus geen nieuwe overeenkomst, met nieuwe afspraken, tot stand. Het feit dat voor de verlengde overeenkomst de dan geldende variabele tarieven gelden betekent weliswaar dat de prijs per kWh aangepast mag worden maar bijvoorbeeld niet de vaste koppeling tussen de leverprijs en de terugleververgoeding (zoals vastgelegd in de artikelen 3.2. en 3.3. Productvoorwaarden). En terugleverkosten maakten geen deel uit van de oorspronkelijke overeenkomst en kunnen dus ook niet eenzijdig ingevoerd worden.
Nu [eiser] per saldo aanmerkelijk minder ontvangt per teruggeleverde kWh dan voorheen het geval was is het evident dat hij aanzienlijke financiële schade lijdt. De exacte omvang daarvan moet worden vastgesteld in een schadestaatprocedure.
Innova voert het volgende aan ter verweer.
In de eerste plaats heeft zij feitelijk niets anders gedaan dan de oorspronkelijke leveringsovereenkomst uitvoeren. In die overeenkomst staat immers dat deze na verloop van de overeengekomen vaste periode automatisch wordt verlengd voor onbepaalde tijd met de dan geldende variabele tarieven. Dat is precies wat zij heeft gedaan. Onder het begrip “tarief” vallen zowel het teruglevertarief als de terugleverkosten. Van een inbreuk op de overeenkomst is dus geen sprake. En overigens heeft zij [eiser] de gelegenheid geboden het contract te beëindigen, hij zat er dus niet aan vast.
Wat betreft de gehanteerde tarieven geldt bovendien dat de Autoriteit Consument & Markt daar doorlopend toezicht op houdt en deze door de beugel kunnen.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
[eiser] is van mening dat Innova “lopende de wedstrijd de spelregels heeft veranderd”, Innova stelt dat zij handelt in lijn met de gemaakte afspraken.
Wat betreft die afspraken zijn partijen het er over eens dat [eiser] een contract is aangegaan voor de duur van één jaar met vaste tarieven. Na dat jaar wordt het contract, als het niet wordt opgezegd, voortgezet voor onbepaalde tijd met de dan geldende variabele tarieven. Dat de vaste tarieven bij voortzetting zullen worden vervangen door variabele tarieven is dus voor beiden geen verrassing, althans zou dat niet moeten zijn.
Nu partijen echter van mening verschillen over wat onder de “dan geldende variabele tarieven” wordt verstaan, en de overeenkomst hier geen uitleg over geeft, bestaat er een onduidelijkheid in de overeenkomst die uitleg behoeft. Die uitleg dient niet alleen op grond van de tekst van de overeenkomst plaats te vinden maar ook aan de hand van wat partijen over en weer van elkaar mochten begrijpen. Daarbij speelt de specifieke materiedeskundigheid van partijen ook een rol (de zogenaamde Haviltex-methode).
De kantonrechter heeft uit de toelichting van [eiser] begrepen dat hij specifiek op zoek was naar een leverancier die de salderingsregeling hanteerde en de terugleververgoeding één op één koppelde aan de leverprijs. Die bleek moeilijk te vinden te zijn. Daaruit maakt de kantonrechter op dat [eiser] meer dan gemiddeld bekend was met de problematiek rondom teruglevering van stroom en de wens deze steeds onaantrekkelijker te maken.
[eiser] voert aan dat hij, nadat hij deze in zijn ogen gunstige overeenkomst gesloten had, overgegaan is tot het doen van investeringen. Zo heeft hij meer zonnepanelen geplaatst dan vanuit zijn eigen stroombehoefte nodig was. Zo verwachte hij per saldo geld te verdienen door middel van de teruglevering.
Niet is echter gesteld, en overigens ook niet gebleken, dat [eiser] voordat hij de overeenkomst sloot die wens heeft gecommuniceerd met Innova of op andere wijze bij Innova heeft nagevraagd of zijn verwachting uit zou komen. Terwijl hij op grond van zijn onderzoek weet, althans zou moeten weten, dat teruglevering en de voorwaarden waaronder, onder druk staat en hij in de overeenkomst heeft kunnen lezen dat verlenging zal geschieden onder de dan geldende variabele tarieven. Een bepaling die op grond van zijn tekstuele uitleg (heel) veel ruimte laat voor Innova. Mocht hij dan toch verwachten dat “de dan geldende variabele tarieven” betekende dat de vaste koppeling tussen leverprijs en terugleververgoeding gehandhaafd zouden blijven en nooit uit elkaar zouden gaan lopen. En dat er nooit een tarief aan de geldende tarieven zou worden toegevoegd, zoals hij nu van oordeel is?
Dat Innova zich na het verstrijken van het vaste contract voor bepaalde tijd voor de verdere duur van de overeenkomst zou hebben willen binden aan een vaste koppeling tussen leverprijs en terugleververgoeding is, gelet op de veranderingen waaraan de markt voor energie onderhevig is, naar het oordeel van de kantonrechter dan ook hoogst onwaarschijnlijk. Innova kan wellicht een jaar vooruitkijken en bepaalde risico’s inschatten of aanvaarden, maar dat geldt niet voor een langere termijn. Ook [eiser] , die zich in deze materie heeft verdiept, moet zich dat hebben gerealiseerd.
In het licht van het vorenstaande heeft [eiser] niet op afdoende wijze uitgelegd waarom hij dan toch meende te mogen verwachten dat de één op één koppeling voor onbepaalde tijd in stand zou blijven en er geen ander tarief zou worden toegevoegd. [eiser] verwijst enkel naar een bepaling uit het contract voor bepaalde tijd en stelt dat daarmee het vertrouwen is gewekt bij [eiser] dat die koppeling in stand zou blijven. Waarom deze bepaling zo nauw zou moeten worden uitgelegd als [eiser] bepleit, is door hem echter niet duidelijk gemaakt.
Naar het oordeel van de kantonrechter kon [eiser] , gelet op de tekst van de bepaling, de context waarin deze geschreven is en de kennis die bij [eiser] aanwezig was, dan ook niet gerechtvaardigd vertrouwen dat deze overeenkomst moet worden uitgelegd zoals hij heeft gedaan. Innova heeft dan ook de vrijheid om de tarieven te hanteren zoals zij dat heeft gedaan. Van een verandering van de “spelregels” is geen sprake.
Het vorenstaande betekent dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Innova worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.630,00
(2 punten × € 815,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.765,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.765,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
verklaart de in dit vonnis opgenomen kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.