RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/348699 / HA ZA 26-26
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
te [plaats 1] ,2. [eiser 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. H.H.G. Theunissen,
tegen
1. [gedaagde 1] .,
te [plaats 2] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. E.H.C.K. Reijans.
1. Kern van de zaak
Partijen zijn buren. Het Kadaster heeft een grensreconstructie uitgevoerd, hieruit blijkt dat het gaashekwerk van [gedaagden] op de grond staat van [eisers] . [eisers] vordert een verklaring voor recht dat de kadastrale erfgrens de juridische erfgrens is en vordert verwijdering van het gaashekwerk. [gedaagden] geeft aan dat hij door verjaring eigendom heeft verkregen over een strook grond van [eisers] . [eisers] vordert daarnaast dat een camera van [gedaagden] wordt verwijderd/verplaatst, aangezien deze camera het perceel van [eisers] filmt. [gedaagden] stelt dat de camera het perceel van [eisers] niet filmt. De rechtbank wijst de vorderingen van [eisers] af.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 april 2026;
- productie 14 tot en met 17 van [eisers] ;
- het proces-verbaal van de descente en aansluitende mondelinge behandeling van 23 juni 2026;
- de spreekaantekeningen van [eisers] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
Partijen zijn buren van elkaar. [eisers] is sinds 2019 eigenaar van de woning met tuin gelegen aan [adres 1] te [plaats 1] . [gedaagden] is sinds 1993 eigenaar van de woning met tuin gelegen aan [adres 2] te [plaats 1] . Voordat [gedaagden] eigenaar werd van deze woning, was de woning vanaf de bouw van de woning in 1963 eigendom van de ouders van [gedaagden] .
De tuinen van [eisers] en [gedaagden] grenzen aan elkaar. In de achtertuin van [gedaagden] staat een gaashekwerk. In de achtertuin van [eisers] staat een schutting parallel aan dit gaashekwerk.
Het Kadaster heeft op verzoek van [eisers] op 18 november 2024 een grensreconstructie uitgevoerd in aanwezigheid van beide partijen. Het Kadaster heeft de kadastrale grens bepaald op basis van twee oude stenen. Het Kadaster heeft de kadastrale grenzen opgenomen in een kadastrale kaart. Uit deze kadastrale kaart blijkt dat de kadastrale erfgrens afwijkt van de plaats van het gaashekwerk. De constateringen van de rechtbank tijdens de descente in de kadastrale kaart toegevoegd met paarse stippellijnen en paarse tekstkleur.
De kadastrale erfgrens wijkt bij het begin van het gaashekwerk (ter hoogte van de garage van [eisers] ) 4 cm af van het gaashekwerk en aan het einde van het gaashekwerk 9 cm. Dit houdt in dat het gaashekwerk van [gedaagden] aan de voorzijde van de achtertuin 4 cm op de grond staat van [eisers] en aan de achterzijde 9 cm.
Bij brief van 17 december 2024 heeft [eisers] aan [gedaagden] verzocht om over te gaan tot verwijdering dan wel verplaatsing van het hekwerk omdat het hekwerk staat op het perceel van [eisers] . [gedaagden] heeft op 4 juli 2025 per brief gereageerd dat de juridische grens door verjaring is gewijzigd, dan wel dat [eisers] misbruik van bevoegdheid maakt door verwijdering van het hekwerk te vorderen. [gedaagden] heeft het hekwerk niet verwijderd of verplaatst.
[gedaagden] heeft met toestemming van [eisers] zes lantaarnpalen in zijn achtertuin geplaatst. Aan twee van deze lantaarnpalen heeft [gedaagden] een camera bevestigd. De camera het dichtste bij de achtertuin van [eisers] , is zichtbaar op onderstaande foto’s. Deze foto’s zijn genomen uit de tuin van [gedaagden] . Op de eerste foto is ook het gaashekwerk en de schutting zichtbaar.
[afbeeldingen achtertuin geanonimiseerd]
[eisers] heeft gesommeerd de betreffende camera binnen twee weken na betekening van de dagvaarding (8 januari 2026) te verwijderen, dan wel zo in te stellen of te plaatsen dat de camera alleen blijven het perceel van [gedaagden] in beeld brengt. [gedaagden] heeft de camera niet verwijderd.
4. Het geschil
[eisers] vordert:
(1) een verklaring voor recht dat de juridische grens tussen de tuinen van [gedaagden] en [eisers] wordt gevormd door de kadastrale grens;
(2) een veroordeling van [gedaagden] tot verwijdering van het gaashekwerk;
(3) een veroordeling van [gedaagden] tot het blijvend verwijderen van de camera, dan wel de camera zo in te stellen of te plaatsen dat deze blijvend alleen het perceel van [gedaagden] in beeld brengt;
(4) veroordeling van [eisers] in de proceskosten en nakosten.
[eisers] legt aan zijn vorderingen die zien op het gaashekwerk ten grondslag dat het gaashekwerk op het perceel van [eisers] staat. Daarmee maakt [gedaagden] inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] , wat een onrechtmatige daad oplevert. [eisers] legt aan zijn vordering tot het verwijderen/verplaatsen van de camera ten grondslag dat het vanwege de stand van de camera niet anders kan zijn dan dat de camera (een gedeelte van) het perceel van [eisers] filmt. [eisers] wordt ernstig in zijn privacy aangetast, hierdoor is sprake van een inbreuk op het recht van [eisers] op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, hetgeen een onrechtmatige daad oplevert.
[gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van alle vorderingen van [eisers] . Kort samengevat komen de verweren van [gedaagden] op het volgende neer:
Ten aanzien van de erfgrens stelt [gedaagden] dat sprake is van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring. Hierdoor is de juridische grens verschoven van de kadastrale grens naar de plaats waar het gaashekwerk staat. Voor zover een beroep op verjaring door de rechtbank wordt afgewezen, geeft [gedaagden] subsidiair aan dat [eisers] misbruik van bevoegdheid maakt door verwijdering te vorderen omdat de belangen van [gedaagden] daardoor onevenredig worden geschaad. Het verplaatsen van het hekwerk zou [gedaagden] op hoge kosten jagen, terwijl dit niet in verhouding staat tot de overschrijding van het hekwerk van de kadastrale grens met slechts enkele centimeters.
Ten aanzien van de camera voert [gedaagden] aan dat de camera geen onrechtmatige inbreuk op de privacy van [eisers] maakt, omdat de camera het perceel van [eisers] niet in beeld brengt.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Erfgrens
Juridisch kader verkrijgende en bevrijdende verjaring
In artikel 3:99 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is opgenomen dat het recht op een onroerende zaak wordt verkregen wanneer een bezitter te goeder trouw deze onroerende zaak tien onafgebroken jaren bezit. Dit is verkrijgende verjaring.
In artikel 3:105 BW is opgenomen dat degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit is verjaard, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Dit is bevrijdende verjaring. Uit artikel 3:306 BW volgt dat de verjaringstermijn bij bevrijdende verjaring voor onroerende zaken 20 jaar is. Dit houdt dus in dat degene die gedurende 20 jaar een onroerende zaak in bezit heeft, het eigendom van deze zaak verkrijgt.
Voor verkrijgende en bevrijdende verjaring is bezit van de onroerende zaak vereist. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf, zie artikel 3:107 BW. Dit houdt in dat er feitelijk macht uitgeoefend wordt over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. De bezitter wordt vermoed de rechthebbende te zijn van een goed (art 3:109 BW en art 3:119 BW). Of sprake is van bezit, wordt beoordeeld naar de verkeersopvatting met inachtneming van wettelijke regels en op grond van uiterlijke feiten, dit is opgenomen in artikel 3:108 BW. Het bezit moet niet dubbelzinnig en openbaar zijn. Van niet dubbelzinnig bezit is sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt, dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niets anders kan afleiden, dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn.
Beroep op verjaring slaagt
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep op verjaring door [gedaagden] slaagt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De juistheid van de door het Kadaster uitgevoerde grensreconstructie staat tussen partijen niet ter discussie. Hierdoor staat vast dat het gaashekwerk van [gedaagden] op het kadastrale perceel van [eisers] staat. Vraag is of de juridische erfgrens is verschoven doordat [gedaagden] door verjaring eigendom heeft verkregen over een strook grond van [eisers] .
Ten aanzien van het gaashekwerk voert [gedaagden] aan dat zijn familie de eerste eigenaar is van het huis. Het huis is door de familie gebouwd. In 1963 is het eerste hekwerk geplaatst op basis op basis van metingen van de gemeente Beesel / het Kadaster. In 2012 is dit hekwerk te goeder trouw vernieuwd door het huidige gaashekwerk. Dit nieuwe gaashekwerk is op precies dezelfde plek geplaatst. De aluminium palen van het nieuwe hekwerk waren minder breed dan de houten palen van het oude hekwerk. De palen zijn geplaatst tegen de perceelkant van [gedaagden] , zodat een eventueel verschil in erfgrens voordelig zou uitvallen voor de buren van [gedaagden] . Hierdoor is volgens [gedaagden] voldaan aan de vereisten van bevrijdende en verkrijgende verjaring. [gedaagden] heeft de plaatsing van de nieuwe schutting onderbouwd met vier getuigenverklaringen: twee verklaringen van degenen die de schutting hebben geplaatst, een verklaring van een arts die veel op huisbezoek kwam en een verklaring van een vriend van [gedaagden] . In al deze verklaringen is opgenomen dat het nieuwe gaashekwerk in 2012 is geplaatst op de plek van het oude gaashekwerk.
[eisers] stelt het opvallend te vinden dat alle getuigen nog weten dat het nieuwe hek in 2012 is geplaatst. De getuigen zijn daardoor niet betrouwbaar, aldus [eisers] . [eisers] heeft daarnaast een foto van de achterburen van [gedaagden] (wonende op [adres 3] te [plaats 1] ) in het geding gebracht, waarop volgens de achterburen het vorige hekwerk te zien is. Volgens de achterburen is deze foto genomen in 2016. Hierdoor kan het volgens [eisers] niet zo zijn dat het nieuwe gaashekwerk in 2012 is geplaatst. [eisers] stelt daarnaast dat het eerste hekwerk zo laag was, dat je er eenvoudig overheen kan stappen, waardoor geen sprake is van een daad van inbezitneming. [eisers] betwist dat het vorige hekwerk er al 58 jaar staat.
De rechtbank constateert dat [eisers] niet heeft betwist dat het oude hekwerk is geplaatst op basis van metingen van het Kadaster / de gemeente. Daarnaast heeft [eisers] niet betwist dat het nieuwe gaashekwerk op precies dezelfde plek is geplaatst als het oude hekwerk. [gedaagden] heeft betwist dat het oude gaashekwerk in 1963 is geplaatst en dat het nieuwe gaashekwerk in 2012 is geplaatst. [gedaagden] heeft dit niet voldoende onderbouwd en niet onderbouwd aangevoerd wanneer de hekwerken dan zouden zijn geplaatst.
Ten aanzien van het lage hekwerk overweegt de rechtbank als volgt. Zoals in 5.3 is opgenomen wordt beoordeeld of sprake is van bezit naar de verkeersopvatting met inachtneming van wettelijke regels en op grond van uiterlijke feiten. Het bezit moet niet dubbelzinnig en openbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat het enkele feit dat sprake is van een laag hekwerk waar je overheen kan stappen, niet automatisch leidt tot geen inbezitneming van de grond. [eisers] heeft niet gesteld dat [gedaagden] zich niet heeft gedragen alsof hij niet de eigenaar was over de grond. [eisers] heeft niet onderbouwd dat de er bijvoorbeeld ook daadwerkelijk veelvuldig over de schutting werd heengestapt en dat de grond tussen de lage schutting en de kadastrale erfgrens niet uitsluitend door [gedaagden] werd gebruikt. De rechtbank concludeert dan ook dat het enkele gegeven dat het oude hekwerk laag was er niet toe leidt dat van inbezitneming geen sprake was.
Gelet op voorgaande, is in ieder geval sprake van bevrijdende verjaring. De rechtsvoorgangers van [gedaagden] zijn immers al sinds 1963 in bezit van de strook grond. In 1993 heeft [gedaagden] de woning (inclusief tuin) gekocht. [gedaagden] heeft het bezit sinds de koop van de woning in 1993 voortgezet zonder onderbreking en heeft zich sinds de koop van de woning in 1993 gedragen alsof hij eigenaar was van de strook grond. Hierdoor heeft [gedaagden] al meer dan 20 jaar de strook grond in zijn bezit, waardoor aan de vereisten voor bevrijdende verjaring is voldaan.
Rechtbank komt niet toe aan beoordeling misbruik van bevoegdheid
Omdat het verweer van [gedaagden] ten aanzien van verjaring slaagt, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het door [gedaagden] gevoerde verweer ten aanzien van misbruik van bevoegdheid.
Camera
Juridisch kader camera
De rechtbank moet beoordelen of de camera inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [eisers] . Als dat het geval is, moet de rechtbank beoordelen of sprake is van een rechtvaardigingsgrond die het onrechtmatige karakter aan de inbreuk ontneemt. Of er een rechtvaardigingsgrond is, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moeten de ernst van de inbreuk en de belangen bij de inbreuk makende handelingen tegen elkaar worden afgewogen. Ook moet worden getoetst of het gebruik van de camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit (is er sprake van een redelijke verhouding tussen het doel en het ingezette middel) en subsidiariteit (is dit het minst ingrijpende middel om het doel te bereiken).
Camera maakt geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer: vordering tot verwijdering/verplaatsing camera wordt afgewezen
De rechtbank komt tot het oordeel dat de camera geen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [eisers] , aangezien het perceel van [eisers] niet gefilmd wordt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
[eisers] stelt dat de camera van [gedaagden] de tuin en de oprit van [eisers] filmt. [eisers] wordt hierdoor in zijn privacy geschaad. [gedaagden] voert aan dat hij de camera heeft geplaatst ter beveiliging, toezicht en afschrikking van inbrekers. Daarbij stelt [gedaagden] dat de camera niet mee kan bewegen/gefixeerd is qua blikveld. De camera is zodanig afgesteld dat zij het perceel van [eisers] niet in beeld brengt, aldus [gedaagden] . Hierdoor is geen sprake van een privacy schending.
De rechtbank heeft tijdens de descente geconstateerd dat de betreffende camera niet automatisch meebeweegt met bewegende objecten. De rechtbank heeft daarnaast geconstateerd dat de camera handmatig te draaien is en tijdens de descente gericht stond naar de straatzijde. De rechtbank heeft geconstateerd dat op de opname van de camera het terras van [eisers] niet zichtbaar is. Wanneer de opname van de camera zeer ver ingezoomd wordt, is wellicht een zeer klein stukje van de achterkant van de auto op de oprit van [eisers] zichtbaar. Indien dit inderdaad de auto van [eisers] op zijn oprit is, is dit een zeer kleine inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eisers] . Het belang van [gedaagden] (beveiliging, toezicht en afschrikking inbrekers) weegt in dat geval zwaarder dan een zeer kleine inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eisers] . Er is dus sprake van een rechtvaardigingsgrond die het onrechtmatige karakter van deze zeer kleine inbreuk ontneemt.
[eisers] heeft tijdens de descente opgemerkt dat hij vermoedt dat de camera anders staat dan een paar dagen geleden en suggereert dat [gedaagden] de camera heeft gedraaid. De rechtbank oordeelt dat [eisers] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd, evenals de stelling dat op de camera veel meer van het perceel van [eisers] te zien zou zijn dan het zeer kleine stukje wat zojuist is besproken. [gedaagden] heeft tijdens de descente op zijn mobiele telefoon de opname van de camera laten zien aan de rechter. [gedaagden] merkte bij het eerste beeld op dat dit geen live beeld was, maar een opname van april 2026 (de laatste keer dat hij de app geopend had). Zodra de app zich ververst, wordt de live opname getoond, stelde [gedaagden] tijdens de descente. De rechter heeft vervolgens geconstateerd dat het eerste beeld op de mobiele telefoon van [gedaagden] een opname van de camera betrof. Bij deze eerste opname stond in de rechterbovenhoek een datum van april 2026. Op het beeld van de camera waren de aanwezigen van de descente niet te zien. Tevens was het perceel van [eisers] niet te zien. De rechter heeft tijdens de descente geconstateerd dat app zichzelf ververste en een nieuwe opname liet zien. Dit tweede beeld betrof een livebeeld waarop de aanwezigen in de tuin zichtbaar waren. De rechter constateerde dat rechtsboven de datum van de descente (2026-06-23) en het tijdstip (13:55:43) correct waren opgenomen. De rechter constateerde daarom tijdens de descente dat de stand van de camera niet veranderd was ten opzichte van april 2026. Vanwege deze constatering van de rechter tijdens de descente kan [eisers] naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met de enkele stelling dat [gedaagden] de camera handmatig heeft gedraaid en had [eisers] deze stelling nader moeten onderbouwen.
De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de camera niet gericht staat op het perceel van [eisers] en dat zijn perceel niet wordt gefilmd met uitzondering van het zeer kleine stukje waarvoor dit gerechtvaardigd is. Dit leidt ertoe dat de camera niet verwijderd hoeft te worden en dat [gedaagden] niet verplicht is om een nadere aanpassing door te voeren. Bovenstaande leidt ertoe dat de vorderingen ten aanzien van de camera worden afgewezen.
De rechtbank geeft [gedaagden] in overweging om de huidige camera te vervangen door een exemplaar dat niet met de hand beweegbaar is. Gelet op de verstoorde verhoudingen kan de rechtbank zich voorstellen dat het voor [eisers] een vervelend gevoel geeft dat de camera met de hand draaibaar is, zeker aangezien de camera boven de schutting en het gaashekwerk uitkomt. Hierdoor is de camera zichtbaar vanuit de tuin van [eisers] . Het is hierdoor in de praktijk mogelijk dat de camera handmatig wordt gedraaid en het perceel van [eisers] wel filmt. De rechtbank wil voorgaande aan [gedaagden] meegeven als mogelijke oplossing in de huidige verstoorde verhoudingen.
Proceskosten
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] en [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.959,00
(3 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.489,00
6. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eisers] af,
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.489,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Duin en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.