RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rekestnummer: 12204464 \ AZ VERZ 26-71
Beschikking van 27 juli 2026
in de zaak van
[werknemer] ,
wonende te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. J.H.J. Vleeshouwers,
tegen
[werkgever] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 24 april 2026;
- het exploot van betekening van het verzoekschrift, van 15 juni 2026;
- de mondelinge behandeling van 20 juli 2026.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[werknemer] , geboren [datum] 1994, is sinds 1 december 2025 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is zelfstandig werkend kok met een loon van € 2.983,59 bruto per maand, op basis van 38 uur per week.
Op 21 maart 2026 is [werknemer] op staande voet ontslagen.
[werknemer] heeft vanaf 1 augustus 2026 een nieuwe baan.
3. Het verzoek
[werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling de switch gemaakt en verzoekt de kantonrechter nu nog uitsluitend om een billijke vergoeding toe te kennen die gelijk is aan het (fictieve) salaris van 1 februari 2026 tot 1 augustus 2026 te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
4. De beoordeling
[werkgever] niet verschenen
[werkgever] is niet in de procedure verschenen. Het verzoekschrift is bij deurwaardersexploot op 15 juni 2026 aan [werkgever] betekend, waarbij [werkgever] is opgeroepen om op maandag 20 juli 2026 om 13:00 uur voor de kantonrechter van de rechtbank Limburg te verschijnen. De kantonrechter stelt daarmee vast dat [werkgever] behoorlijk is opgeroepen.
Switch
[werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt dat hij erin berust dat de arbeidsovereenkomst per 21 maart 2026 is geëindigd. Het (eerste) primaire verzoek is daarmee komen te vervallen, zodat de kantonrechter uitsluitend hoeft te oordelen over onderdeel V. tot en met XIV. van het verzoek.
[werknemer] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
Achterstallig salaris en vakantiegeld
Als onweersproken staat vast dat [werkgever] het loon over de periode februari tot 21 maart 2026 niet aan [werknemer] heeft betaald en nog geen vakantiegeld aan [werknemer] heeft uitgekeerd. [werknemer] heeft het totaal van deze vorderingen becijferd op € 5.882,49 bruto. Nu de juistheid van dit bedrag niet is betwist en dit bedrag de kantonrechter verder niet ongegrond en/of onrechtmatig voorkomt, zal dit aan [werknemer] worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[werkgever] heeft de verschuldigde bedragen niet op tijd voldaan, zodat [werknemer] tevens aanspraak heeft op de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW. Deze zal daarom eveneens worden toegewezen.
De verzochte afgifte van bruto/netto-specificaties zal eveneens worden toegewezen. Het maximum aan de te verbeuren dwangsommen wordt vastgesteld op € 5.000,00.
Ontslag op staande voet
Beoordeeld dient te worden of [werkgever] [werknemer] op staande voet mocht ontslaan. Is dit het geval dan stranden de verzoeken van [werknemer] . Is dit niet het geval dan komen de verzoeken tot betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding aan de orde.
Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor [werkgever] als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van [werknemer] , die ten gevolge hebben dat van [werkgever] redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van [werknemer] , zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
De dringende reden die is meegedeeld en dus moet worden beoordeeld is werkweigering, zoals is vermeld in de e-mail van 21 maart 2026. Het verwijt dat [werkgever] [werknemer] maakt is dat [werknemer] drie dagen op rij niet is verschenen op het werk. [werknemer] voert aan dat er geen sprake is van herhaaldelijke werkweigering en hij gegronde redenen had om niet op het werk te verschijnen; [werkgever] had al enige tijd het salaris niet uitbetaald en [werknemer] had [werkgever] medegedeeld dat hij zijn werkzaamheden opschortte zolang hij niet betaald kreeg. Daarnaast stonden er in het rooster zodanig onrealistische roostertijden dat deze niet meer te beschouwen waren als redelijke instructies van de werkgever. Van hem kon ook daarom niet verwacht worden hieraan te voldoen.
Overwogen wordt als volgt.
Een ontslag op staande voet is een ultimum remedium en hiermee de zwaarste sanctie die het arbeidsrecht kent. Bij een ontslag op staande voet moet de situatie zo ernstig zijn dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst bij wijze van spreken geen dag langer kan plaatsvinden. In dit geval is het echter [werkgever] zelf die in de fout gaat door zonder geldige reden het salaris van [werknemer] niet uit te betalen. [werknemer] kan en mag zich dan bedienen van het hem ten dienste staande middel van opschorting, dus de op hem rustende prestatie niet verrichten zolang de ander niet aan zijn verplichting voldoet.
Dit betekent dat er geen legitieme reden was om [werknemer] op staande voet te ontslaan.
Omdat er geen sprake is van een dringende reden is het ontslag op staande voet ten onrechte gegeven. De kantonrechter komt vervolgens toe aan de beoordeling van de verzoeken tot betaling van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding.
Gefixeerde schadevergoeding
De gefixeerde schadevergoeding, bedoeld in artikel 677 lid 4 BW, is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon voor de tijd, dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Daarbij moet tevens rekening worden gehouden met de dag waartegen mag worden opgezegd. [werknemer] heeft primair betoogt dat er tussen partijen geen opzegmogelijkheid is overeengekomen zodat deze overeenkomst voor bepaalde tijd niet kan eindigen vóór het verstrijken van de overeengekomen duur ervan.
Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst is getiteld ‘Opzegtermijn’. Er wordt verwezen naar de bepalingen uit de Horeca-cao en daarnaast is specifiek benoemd dat er een uitwerkperiode van 2 maanden geldt.
Gelet op de termen “opzegtermijn” en “uitwerkperiode” legt de kantonrechter deze bepaling uit als een tussentijdse opzegclausule. Het is dus wel mogelijk om de arbeidsovereenkomst te beëindigen vóór het verstrijken van de overeengekomen duur.
Ingevolge artikel 7:672 lid 2 onder a BW bedraagt de wettelijk in acht te nemen opzegtermijn in onderhavig geval één maand. Ingevolge lid 8 van dit artikel kan van de opzegtermijn voor de werknemer schriftelijk worden afgeweken, waarbij dan heeft te gelden dat zijn verlengde opzegtermijn niet langer mag zijn dan zes maanden en de voor de werkgever geldende opzegtermijn in dat geval minstens het dubbele moet bedragen. Nu de opzegtermijn voor [werknemer] is gesteld op twee maanden zal de kantonrechter de voor [werkgever] geldende opzegtermijn daarom converteren in vier maanden.
Gelet op die opzegtermijn van vier maanden zou de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging hebben geduurd tot 1 augustus 2026. De gefixeerde schadevergoeding bedraagt dan ook ((10/30 x € 2.941,25 bruto + 4 x € 2.941,25 bruto) x 8% =) € 13.765,05 bruto. Dit bedrag zal als gefixeerde schadevergoeding worden toegewezen.
Transitievergoeding
Op basis van het bepaalde in artikel 7:673 BW heeft [werknemer] recht op een transitievergoeding. Uitgaande van einde dienstverband per 21 maart 2026 heeft [werknemer] recht op een bedrag van € 305,85 bruto. Dit bedrag zal eveneens worden toegewezen.
Billijke vergoeding
[werknemer] vraagt de kantonrechter aan hem een billijke vergoeding toe te kennen, die gelijk is aan het bedrag dat [werknemer] aan loon zou hebben ontvangen uitgaande van een dienstverband tot 1 augustus 2026, zijnde de datum dat [werknemer] met zijn nieuwe baan start.
Het geven van een ongeldig ontslag op staande voet moet als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever worden aangemerkt. Aan het vereiste, dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, is dus voldaan.
Voor het vaststellen van de hoogte van een toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt.
[werknemer] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling uitdrukkelijk zijn verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding gewijzigd, in die zin dat hij slechts een bedrag wenst te ontvangen dat aansluit bij het gemiste inkomen tot 1 augustus 2026.
[werknemer] wordt door de gefixeerde schadevergoeding grotendeels gecompenseerd voor de periode dat hij geen loon heeft ontvangen.
De billijke vergoeding is echter ook bedoeld om de werkgever het verkeerde van zijn handelen te doen inzien en vooral om te bewerkstelligen dat een volgende keer anders wordt gehandeld. [werkgever] heeft geruime tijd het loon van [werknemer] niet betaald en toen deze vervolgens de arbeid opschortte werd hij ontslagen op staande voet, waardoor hij bijvoorbeeld ook geen uitkering kreeg. De kantonrechter acht dit gedag in hoge mate verwijtbaar en acht daarom een billijke vergoeding van € 4.000,00 op zijn plaats.
Buitengerechtelijke kosten
[werknemer] verzoekt om toekenning van een bedrag van € 1.383,38 aan buitengerechtelijke kosten. Nu [werknemer] zijn vordering voor een substantieel deel heeft beperkt, zullen de gevorderde buitengerechtelijke kosten dienovereenkomstig worden aangepast. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag (€ 17.765,05), te weten € 1.152,71.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van het achterstallige salaris en vakantiegeld ter hoogte van een bedrag van € 5.882,49 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid,
veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van de gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van een bedrag van € 13.765,05 bruto,
veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van de wettelijke transitievergoeding ter hoogte van een bedrag van € 305,85 bruto,
veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van een billijke vergoeding ter hoogte van een bedrag van € 4.000,00,
veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van een bedrag van € 1.152,71,
veroordeelt [werkgever] tot afgifte van deugdelijke bruo/netto-specificaties van alles uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en deze beschikking verrichte en nog te verrichten betalingen, telkens binnen vijf dagen na het tijdstip van betaling, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag(deel) met een maximum van € 5.000,00,
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026.