ECLI:NL:RBLIM:2026:7614

ECLI:NL:RBLIM:2026:7614

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 12-08-2026
Datum publicatie 24-07-2026
Zaaknummer K/4701/12169608 \ CV EXPL 26-1764
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Vordering tot betaling huurachterstand. Huurachterstand is tijdens de procedure volledig ingelopen. BIK en proceskosten toegewezen, omdat eiseres terecht heeft gedagvaard.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 12169608 \ CV EXPL 26-1764

Vonnis van 12 augustus 2026

in de zaak van

[verhuurder] ,

te [plaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [verhuurder],

gemachtigde: mr. J.M. Molkenboer,

tegen

[huurder] ,

te [plaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [huurder],

procederend in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 4,

- de brief van 30 maart 2026 met vermindering van eis,

- de brief van 1 april 2026 met vermindering van eis, - de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek met producties 1 t/m 8.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[verhuurder] verhuurt met ingang van 1 juli 2023 aan [huurder] een woning aan het [adres] (hierna: de woning of het gehuurde). De huur bedraagt € 760,00 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn de ‘Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte’ van toepassing.

[huurder] heeft een huurachterstand laten ontstaan over de periode tot en met maart 2026 van in totaal € 4.560,00.

Bij brief van 2 maart 2026 heeft [verhuurder] [huurder] gesommeerd om tot betaling van de huurachterstand over te gaan, waarbij [huurder] € 581,00 aan incassokosten in het vooruitzicht zijn gesteld als hij niet binnen veertien dagen na ontvangst van de brief zou betalen. [huurder] heeft niet betaald, waarna hij is gedagvaard.

Na betekening van de dagvaarding heeft [huurder] de volgende betalingen aan [verhuurder] verricht:

Datum

Bedrag

Beschrijving

24 maart 2026

€ 760,00

“1 month rent payment”

1 april 2026

€ 4.560,00

“huurachterstand nov 2025 – mrt 2026 + huur april 2026”

3. Het geschil

[verhuurder] vordert uitvoerbaar bij voorraad:

betaling van € 4.560,00 aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2026,

betaling van € 581,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2026,

ontbinding van de huurovereenkomst,

ontruiming van het gehuurde,

betaling van € 760,00 per maand aan huur/gebruikersvergoeding voor iedere maand na 1 april 2026 tot het tijdstip van ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de eerste dag van de maand waarop de huurtermijn betrekking heeft,

veroordeling van [huurder] in de proceskosten.

Bij brief van 1 april 2026 heeft [verhuurder] de vorderingen onder 1, 3, 4 en 5 ingetrokken, omdat [huurder] de huurachterstand volledig heeft ingelopen en de verschuldigde huur over de maand april 2026 heeft betaald.

[verhuurder] legt aan de vordering ten grondslag dat [huurder] in zijn verplichtingen als huurder tekort is geschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen, waardoor [verhuurder] hem heeft moeten sommeren om tot betaling over te gaan en daarvoor € 581,00 aan buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. [huurder] heeft geen gehoor gegeven aan deze sommatie, waarna [verhuurder] deze procedure is gestart. Ook hiervoor heeft zij kosten gemaakt. Dat [huurder] de betalingsachterstand inmiddels volledig heeft betaald doet daar niet aan af.

[huurder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, althans deze te matigen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

[huurder] heeft erkend dat de huurachterstand tot en met maart 2026 € 4.560,00 beliep. Inmiddels heeft [huurder] de huurachterstand volledig ingelopen door op 24 maart 2026

€ 760,00 en op 1 april 2026 € 4.560,00 aan [verhuurder] te betalen. Daarmee is ook de verschuldigde huur over de maand april 2026 betaald. [verhuurder] heeft vervolgens bij brief van 1 april 2026 de vorderingen onder 1, 3, 4 en 5 ingetrokken. Omdat [verhuurder] deze vorderingen heeft ingetrokken, behoeven de stellingen van partijen over en weer ter zake daarvan geen bespreking meer. De procedure ziet dan ook alleen nog op de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De kantonrechter is van oordeel dat deze vorderingen kunnen worden toegewezen en overweegt daartoe als volgt.

Buitengerechtelijke incassokosten

[verhuurder] vordert € 581,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [huurder] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [huurder] in verzuim is met de betaling van de huur, heeft [verhuurder] bij brief van 2 maart 2026 aan [huurder] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 Burgerlijk Wetboek. Hierin zijn [huurder] € 581,00 aan incassokosten in het vooruitzicht gesteld als hij niet binnen veertien dagen na ontvangst van de brief zou betalen. [huurder] heeft niet binnen de gestelde termijn betaald, waardoor hij de incassokosten verschuldigd is. Dat [huurder] na betekening van de dagvaarding de huurachterstand volledig heeft ingelopen doet daar niet aan af.

[verhuurder] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Dit is door [huurder] niet betwist. [verhuurder] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De vergoeding waarop ingevolge het Besluit aanspraak kan worden gemaakt wordt berekend aan de hand van de op de dag van dagvaarding toewijsbare hoofdsom. Op het moment van dagvaarden, te weten 23 maart 2026, bedroeg de huurachterstand € 4.560,00. Daarom zal een bedrag van € 581,00, vermeerderd met de rente vanaf 23 maart 2026, worden toegewezen. [huurder] heeft ook de hoogte van de vordering niet betwist.

Proces- en nakosten

[huurder] stelt dat een volledige kostenveroordeling niet gerechtvaardigd is, omdat het niet betalen van de huur niet het gevolg is geweest van betalingsonwil, maar van het uitblijven van een beslissing van de gemeente [plaats 2] over zijn bijstandsaanvraag, waardoor hij geen inkomsten had. [verhuurder] was bekend was met deze situatie en daarom bestond geen noodzaak voor het starten van een procedure, aldus [huurder]. Daarnaast stelt [huurder] dat de huurachterstand en de huurtermijn over de maand april 2026, nadat de gemeente [plaats 2] een voorschot van € 6.000,00 heeft toegekend, volledig zijn betaald.

De kantonrechter overweegt dat het niet betalen van de huur over de periode tot en met maart 2026 de reden is geweest voor het starten van deze procedure. [huurder] heeft de mogelijkheid gehad om de huurachterstand buiten rechte te betalen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. [verhuurder] was hierdoor genoodzaakt om [huurder] te dagvaarden en heeft daarvoor kosten moeten maken. Dat [huurder] gedurende de procedure de achterstand heeft ingelopen, maakt het oordeel niet anders. Verder komen de door [huurder] aangevoerde financiële en persoonlijke omstandigheden, hoe vervelend ook, voor zijn rekening en risico en doen niet af aan het belang van [verhuurder] om tijdig de beschikking te hebben over de huur. Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand zes maanden. Van [verhuurder] kan dan ook niet worden verwacht dat zij zou wachten op een beslissing van de gemeente [plaats 2]. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat [verhuurder] onredelijk handelt door te persisteren bij de vordering tot betaling van de kosten.

Op grond van artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de proceskosten veroordeeld. Op deze regel bestaan een aantal uitzonderingen, echter doen deze zich in onderhavige zaak niet voor. [huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

153,02

- griffierecht

€

265,00

- salaris gemachtigde

€

576,00

(2 punten × € 288,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.138,02

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [huurder] om aan [verhuurder] te betalen een bedrag van € 581,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.138,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand