RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rekestnummer: 12199633 \ AZ VERZ 26-67
Beschikking van 30 juli 2026
in de zaak van
[werknemer] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. J.T.J. Poell, FNV Individuele Belangenbehartiging te Amsterdam,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[werknemer] , geboren [geboortedag] 1965, is sinds 1 juni 2020 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) [werkgever] . De functie van [werknemer] is montage medewerker met een loon van € 2.506,83 bruto per maand.
Op 28 januari 2026 heeft [werknemer] zich ziek gemeld.
[werkgever] heeft [werknemer] op 4 februari 2026 een beëindigingsovereenkomst voorgelegd. [werknemer] heeft de voorgestelde beëindiging niet geaccepteerd en heeft de overeenkomst ook niet ondertekend.
Op de loonstrook van januari 2026 staat een uitdiensttreding per 31 januari 2026 vermeld.
[werknemer] heeft bij brief [werkgever] aangemaand om het salaris te betalen vanaf 1 januari 2026.
Bij brief van 8 april 2026 heeft [werknemer] het dienstverband met onmiddellijke ingang beëindigd omdat het salaris meer dan drie maanden niet was betaald.
3. Het verzoek
[werknemer] verzoekt betaling van:
de transitievergoeding van € 5.286,60 bruto, vermeerderd met wettelijke rente en onder verstrekking van een bruto/netto specificatie;
de gefixeerde schadevergoeding wegens de onregelmatige opzegging, vermeerderd met de wettelijke rente en onder verstrekking van een bruto/netto specificatie;
het loon over januari, februari en maart 2026 ad € 2.506,83 bruto per maand, vermeerderd met de wettelijke rente en onder verstrekking van een bruto/netto specificatie;
een bedrag van € 797,63 bruto aan het loon vanaf 1 april 2026 tot en met 8 april 2026, vermeerderd met de wettelijke rente en onder verstrekking van een bruto/netto specificatie;
een bedrag van € 1.246,36 bruto ter zake van een eindafrekening TVT-uren, vermeerderd met de wettelijke rente en onder verstrekking van een bruto/netto specificatie;
een bedrag van € 1.010,31 bruto ter opgebouwde maar niet opgenomen verlofuren, vermeerderd met de wettelijke rente en onder verstrekking van een bruto/netto specificatie;
een bedrag van € 845,98 bruto aan vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke rente en onder verstrekking van een bruto/netto specificatie;
een bedrag van € 5.710,39 bruto aan wettelijke verhoging, vermeerderd met de wettelijke rente en onder verstrekking van een bruto/netto specificatie;
een bedrag van € 1.090,30 aan buitengerechtelijke incassokosten;
de proceskosten inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4. De beoordeling
[werkgever] is deugdelijk opgeroepen
Bij aangetekende brief van de griffier van 4 april 2026 is aan [werkgever] het verzoekschrift toegestuurd en is [werkgever] opgeroepen om te verschijnen op de mondelinge behandeling op 16 juli 2026 te 13.00 uur. Het poststuk is door Postnl geretourneerd naar de griffie met daarop de vermelding dat dit geweigerd is. Daaruit maakt de kantonrechter op dat het poststuk [werkgever] wel heeft bereikt. Dat zij vervolgens het poststuk weigert en daarom geen kennis heeft kunnen nemen van het verzoekschrift komt voor haar risico. [werkgever] is deugdelijk opgeroepen, maar is niet verschenen.
Inhoudelijk
Als niet weersproken staat vast dat [werkgever] het loon vanaf 1 januari 2026 niet meer heeft betaald. Het in januari 2026 betaalde loon heeft betrekking op de maand december 2025. Op 8 april 2026 heeft [werknemer] het dienstverband met onmiddellijke ingang opgezegd wegens het uitblijven van de loonbetalingen.
Wellicht ten overvloede, [werkgever] is in de procedure niet verschenen en heeft dus niet het standpunt ingenomen dat op een eerder moment een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst. [werknemer] stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst tot en met 8 april 2026 heeft doorgelopen en dat standpunt is dus niet bestreden of weerlegd. Het is verder niet aan de kanonrechter conclusies te verbinden aan producties die in het geding worden gebracht zonder dat daar een bepaald standpunt aan wordt verbonden.
In deze procedure wordt er daarom van uitgegaan dat het dienstverband tot en met 8 april 2026 heeft voortgeduurd.
Het niet (tijdig) betalen van loon is één van de in de wet genoemde redenen voor een werknemer om ontslag op staande voet te nemen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [werknemer] daarom terecht ontslag op staande voet genomen.
Omdat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door [werknemer] een dringende reden te geven voor een ontslagname op staande voet, heeft [werknemer] recht op betaling van een aantal vergoedingen. Deze worden hierna besproken.
De transitievergoeding
[werknemer] heeft recht op een transitievergoeding omdat hij het dienstverband niet voortzet als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen door [werkgever] . [werknemer] verzoekt daarom om betaling van een bedrag van € 5.286,60 bruto. De kantonrechter wijst dit verzoek toe. Over het te betalen bedrag is de wettelijke rente verschuldigd vanaf een maand na de dag dat het dienstverband is geëindigd, derhalve vanaf 9 mei 2026.
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
Op grond van artikel 7:677 lid 2 BW is de partij die door opzet of schuld aan de andere partij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen een vergoeding verschuldigd, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Voor de bepaling van de hoogte daarvan is het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2023 van belang. Volgens dit arrest is de vergoeding gelijk aan het bedrag van het loon (inclusief vakantietoeslag) over de opzegtermijn die [werknemer] in acht zou hebben moeten nemen. Deze opzegtermijn bedraagt een maand, zodat niet eerder dan tegen 1 juni 2026 opgezegd had kunnen worden. Er zal daarom een bedrag van € 4.783,03 bruto worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 8 april 2026.
Het loon vanaf 1 januari 2026
Omdat de arbeidsovereenkomst eindigt op 8 april heeft [werknemer] recht op betaling van het loon tot die datum. Als niet weersproken staat vast dat het loon vanaf 1 januari 2026 niet is betaald. Het verzoek dat hierop ziet wordt daarom toegewezen.
Overige vergoedingen
[werknemer] verzoekt verder om betaling van opgebouwde maar niet genoten verlofuren, TVT-uren en vakantiegeld. Ook deze verzochte bedragen worden toegewezen.
De wettelijke verhoging
Omdat het loon te laat is betaald, heeft [werknemer] recht op betaling van de wettelijke verhoging. Het verzochte bedrag van € 5.710,39 bruto wordt daarom ook toegewezen.
De buitengerechtelijke kosten
[werknemer] heeft in voldoende mate aangetoond buitengerechtelijke werkzaamheden te hebben verricht die toewijzing van incassokosten rechtvaardigen. Het verzochte bedrag van € 1.090,30 wordt daarom ook toegewezen.
De proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 4.783,03 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 5.286,60 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een bedrag van € 2.506,83 bruto aan loon over januari 2026 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2026 tot de dag van betaling, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een bedrag van € 2.506,83 bruto aan loon over februari 2026 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot de dag van betaling, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een bedrag van € 2.506,83 bruto aan loon over maart 2026 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2026 tot de dag van betaling, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een bedrag van € 797,63 bruto aan loon over de periode 1 april 2026 tot en met 8 april 2026 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 tot de dag van betaling, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een bedrag van € 1.010,31 bruto aan opgebouwde maar niet opgenomen verlofuren te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 tot de dag van betaling, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een bedrag van € 848,98 bruto aan vakantiegeld te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 tot de dag van betaling, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een bedrag van € 5.710,39 bruto aan wettelijke verhoging te betalen, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.274,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.