ECLI:NL:RBLIM:2026:7662

ECLI:NL:RBLIM:2026:7662

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 31-07-2026
Datum publicatie 27-07-2026
Zaaknummer 12285332 CV 26-3364
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Kort geding. Vordering tot nakoming concurrentie- en/of geheimhoudingsbeding. Vordering afgewezen omdat (in kort geding, zonder verdere bewijslevering) niet kan worden vastgesteld dat sprake is van overtredingen van het concurrentie- en/of geheimhoudingsbeding. De tegenvordering tot opheffing van de gelegde beslagen wordt ook afgewezen, nu (door het ontbreken van bewijslevering) ook niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het concurrentie- en/of geheimhoudingsbeding niet wordt overtreden.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12285332 \ CV EXPL 26-3364

Vonnis in kort geding van 31 juli 2026

in de zaak van

[eisende partij] B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [bedrijf] ,

gemachtigde: mr. J.J.E. van der Wallen,

tegen

[gedaagde partij] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

gemachtigde: mr. R.M. Dessaur.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;- de door [bedrijf] nader overgelegde producties R.34 tot en met R.37;- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende incident van onbevoegdheid/verwijzing en conclusie van eis in reconventie;- de mondelinge behandeling van 23 juli 2026;- de pleitnota van [bedrijf] ;- de pleitnotities van [gedaagde partij] .

2. De feiten

[bedrijf] is een handelsnaam van [eisende partij] B.V. en opereert in de verpakkings- en etikettenindustrie. Zij produceert hoogwaardige verpakkingen en etiketten, voornamelijk ten behoeve van de voedings- en drankenindustrie.

[gedaagde partij] is op 10 juli 2005 bij [bedrijf] in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam in de functie van Commercieel Directeur, tegen een salaris van € 10.700,03 bruto per maand (exclusief emolumenten).

In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is onder andere een concurrentiebeding en een geheimhoudingsbeding opgenomen.

Naar aanleiding van een tussen partijen gerezen geschil van inzicht, hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten op basis waarvan de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 30 november 2024 is geëindigd. De vaststellingsovereenkomst is niet in het geding gebracht vanwege de tussen partijen overeengekomen geheimhouding.

In artikel 3.1. van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat het oorspronkelijke geheimhoudingsbeding onverminderd van kracht blijft.

Het geheimhoudingsbeding luidt:

“De heer [gedaagde partij] zal zowel gedurende als na afloop van het dienstverband strikte geheimhouding betrachten omtrent alles wat bij de uitoefening van de functie te zijner kennis komt in verband met de zaken en belangen van de B.V.”.

Het oorspronkelijke concurrentiebeding is in de vaststellingsovereenkomst vervangen door een nieuw beding. Hoewel de vaststellingsovereenkomst niet is overgelegd hebben beide partijen de tekst van het concurrentiebeding geciteerd. De voorzieningenrechter begrijpt daaruit dat de tekst luidt als volgt:

“Het is Werknemer verboden om zowel tijdens het dienstverband als binnen 21 maanden na de Beëindigingsdatum in Europa direct of indirect werkzaam te zijn voor zichzelf of voor anderen, dan wel direct of indirect financieel of anderszins betrokken of behulpzaam te zijn bij ondernemingen die zich bezig houden met de productie en/of verkoop van labels en etiketten (papier en/of kunststof), tenzij Werkgever daartoe voorafgaande schriftelijke toestemming aan Werknemer heeft verleend, aan welke toestemming Werkgever voorwaarden kan verbinden. Indien die toestemming door Werknemer gemotiveerd wordt verzocht na 15 maanden na de Beëindigingsdatum, zal Werkgever die toestemming niet op onredelijke gronden onthouden.

[gedaagde partij] heeft twee keer om ontheffing uit het concurrentiebeding verzocht. [bedrijf] heeft [gedaagde partij] echter geen ontheffing verleend zodat het concurrentiebeding en het geheimhoudingsgeding onverminderd van kracht zijn.

3. Het geschil

[bedrijf] vordert - samengevat – om [gedaagde partij] te veroordelen tot onverkorte nakoming van het concurrentie- en geheimhoudingsbeding en [gedaagde partij] te gebieden iedere overtreding van deze bedingen te staken en gestaakt te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per overtreding, vermeerderd met € 5.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 1.000.000,00, met veroordeling van [gedaagde partij] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[gedaagde partij] voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij [gedaagde partij] vordert (samengevat) dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- in het incident:

 zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van [bedrijf] , dan wel de procedure verwijst naar de kantonrechter te Rotterdam,

- in de hoofdzaak:

[bedrijf] veroordeelt om de conservatoire beslagen op te heffen,

[bedrijf] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis, schriftelijk aan de politie en het Openbaar Ministerie mededeelt dat [bedrijf] de door haar tegen [gedaagde partij] gedane strafrechtelijke aangifte niet langer wenst te handhaven en het Openbaar Ministerie uitdrukkelijk verzoekt af te zien van (verdere) strafrechtelijke vervolging van [gedaagde partij] ,

[bedrijf] veroordeelt om een afschrift van bedoelde brief, alsmede een bewijs van verzending daarvan, binnen een dag na verzending aan [gedaagde partij] te verstrekken,

voor zover rechtens mogelijk, [bedrijf] veroordeelt al datgene te doen wat redelijkerwijs van haar kan worden verlangd om de gevolgen van de door haar gedane aangifte tegen [gedaagde partij] ongedaan te maken dan wel te beperken,

bepaalt dat [bedrijf] een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeurt van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft aan het vorenstaande te voldoen, met een maximum van € 500.000,00,

[bedrijf] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Incident tot onbevoegdheid

[gedaagde partij] vordert dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van [bedrijf] kennis te nemen, dan wel de procedure verwijst naar de kantonrechter te Rotterdam .

[gedaagde partij] voert daartoe aan - kortgezegd - , dat er reeds een bodemprocedure bij de kantonrechter te Rotterdam aanhangig is en er tussen die bodemprocedure en onderhavig kort geding een duidelijke samenhang bestaat. Daarom verdient het op zijn minst de voorkeur dat de procedures door dezelfde rechtbank worden behandeld.

Overwogen wordt als volgt.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond is relatief bevoegd om van de vorderingen van [bedrijf] kennis te nemen, nu [gedaagde partij] binnen het arrondissement van deze rechtbank woonplaats heeft. Daarmee is van onbevoegdheid van deze voorzieningenrechter geen sprake

Een verwijzing wegens verknochtheid ingevolge artikel 220 Rv zou enkel zin hebben, wanneer in beide zaken gelijktijdig – door dezelfde rechter - uitspraak gedaan zou kunnen worden, maar dat is hier niet aan de orde. Een kortgedingprocedure en een bodemprocedure hebben naar hun aard immers verschillende doorlooptijden. Met een verwijzing naar de voorzieningenrechter in Rotterdam wordt dus niet het beoogde doel bereikt, nu ook daar de voorzieningenrechter eerder uitspraak zal doen dan de kantonrechter in de bodemprocedure. Omdat het bovendien goed gebruik is dat een rechter die heeft geoordeeld over een voorlopige voorziening niet oordeelt in een bodemprocedure die handelt over dezelfde materie zullen naar alle waarschijnlijkheid bij verwijzing naar de rechtbank Rotterdam toch twee verschillende rechters over deze kwesties oordelen. Daarmee blijft de mogelijkheid van tegenstrijdige uitspraken bestaan.

Overigens is de rechter in een bodemprocedure niet gebonden aan de uitspraak van een voorzieningenrechter en vervalt de uitspraak van de laatste als in de bodem is beslist.

De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam . Overgegaan wordt tot inhoudelijke beoordeling.

Karakter van het kort geding

Het gaat bij deze procedure om verzochte voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat de eiser daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt af van de mate van waarschijnlijkheid waarmee kan worden voorspeld dat de betreffende vorderingen in een bodemprocedure, eventueel na bewijslevering, zullen worden toegewezen. Daarnaast spelen de belangen van partijen een rol.

Het spoedeisend belang dat [bedrijf] stelt te hebben, blijkt uit de aard van de vordering. Zou [gedaagde partij] het concurrentie- en geheimhoudingsbeding overtreden, dan heeft [bedrijf] er alle belang bij dat dit onmiddellijk stopt en van haar kan dan niet worden gevergd dat zij een bodemprocedure afwacht. Dat geldt ook en aanzien van het concurrentiebeding dat nog maar een beperkte looptijd heeft.

Ook aan de zijde van [gedaagde partij] wordt het spoedeisend belang aanwezig geacht. [gedaagde partij] is geconfronteerd met beslagen die [gedaagde partij] hinderen in zijn doen en laten. Niet ondenkbaar is dat een uitspraak in de bodemprocedure nog enige tijd op zich laat wachten, zodat een voorlopig oordeel wenselijk is.

Gelet op het spoedeisende karakter van een kort geding, leent een kort geding zich niet voor bewijslevering.

Concurrentiebeding

Partijen zijn bij de vaststellingsovereenkomst een nieuw concurrentiebeding overeenkomen, onder verval van het oude bij de arbeidsovereenkomst overeengekomen concurrentiebeding.

Het thans geldende beding luidt zoals hiervoor onder 2.5. is geciteerd. De strekking van dit concurrentiebeding is, zoals [gedaagde partij] ook stelt, dat [gedaagde partij] op geen enkele wijze werkzaam mag zijn voor producenten/verkopers van labels en/of verpakkingen en/of etiketten.

[bedrijf] stelt dat [gedaagde partij] zowel het concurrentie- als ook het geheimhoudingsbeding overtreedt. De bewijslast van die stelling ligt bij [bedrijf] . Nu, zoals hiervoor ook reeds is overwogen, een kortgedingprocedure zich niet leent voor bewijslevering, zal hetgeen [bedrijf] in het geding brengt, voldoende moeten zijn om in hoge mate aannemelijk te maken dat ook de rechter in een bodemprocedure tot de conclusie zal komen dat van overtreding van beide bedingen sprake is.

Ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde partij] beide bedingen overtreedt, voert [bedrijf] aan dat zij medio maart 2026 verschillende signalen ontving dat [gedaagde partij] zich aan het positioneren was in de etikettenbranche. Zo:

deelde [persoon 1] , ceo van [bedrijf 1] (een belangrijke leverancier van [bedrijf] ) mede, dat [gedaagde partij] recentelijk op bezoek was geweest bij een papierfabriek, welke al jaren de grootste leverancier van etikettenpapier voor [bedrijf] en een van de grootste leveranciers in de Europese etikettenmarkt is;

deelde [persoon 2] , een ervaren adviseur van [bedrijf] op de papiermarkt, mede, dat [gedaagde partij] weer actief zou zijn op de etikettenmarkt sinds begin 2026 en meer specifiek dat [gedaagde partij] de inkoper van [bedrijf 2] , een van de grootste klanten van [bedrijf] , zou hebben bezocht voor een mogelijke samenwerking;

deelde een werknemer van [bedrijf] mede, dat [gedaagde partij] hem had verteld weer in labels te werken, nu hij labels niet los kon laten omdat hij het een te leuke markt vond om er niet actief in te zijn en hij ook wel heel veel ervaring heeft in die markt;

Zou [gedaagde partij] zich samen met zijn zoon hebben aangeboden om als agent te fungeren, waarbij zij hebben aangegeven over uitgebreide kennis van de labelmarkt in de Benelux, inclusief klant- en prijsgegevens beschikken.

Verder overlegt [bedrijf] nog een (nagezonden) verklaring van haar ceo, [persoon 3] (verder: [persoon 3] ). Deze verklaart dat [persoon 4] , ceo van [bedrijf 3] (concurrent van [bedrijf] ), hem heeft verteld dat [gedaagde partij] en zijn zoon [bedrijf 3] tenminste eenmaal hebben bezocht, waarbij zij hun diensten hebben aangeboden en er tevens een afspraak is gemaakt op basis van een succesfee.

[gedaagde partij] betwist de juistheid van hetgeen [bedrijf] stelt, en overlegt verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] waaruit blijkt dat zij niet verklaard hebben zoals [bedrijf] de voorzieningenrechter wil doen geloven. Voor [bedrijf] zou het toch mogelijk moeten zijn om de personen, waarvan zij nu de mededelingen aanhaalt, zelf te laten verklaren. Dat is echter niet gebeurd. Zo blijft het bij vage verdenkingen die op geen enkele wijze worden onderbouwd.

Ook de verklaring van [persoon 3] wordt niet onderbouwd, aldus [gedaagde partij] . Indien [persoon 4] inderdaad, zoals [persoon 3] zelf zegt, een goede relatie van [persoon 3] is, dan zou het toch voor de hand hebben gelegen die [persoon 4] zelf te laten verklaren. Nu is het een verklaring van een (proces)partij zelf en niet van een (neutrale) derde.

Voor de beoordeling van het hiervoor aangedragen “materiaal” is het van groot belang om, zoals [gedaagde partij] ook aanvoert, onder ogen te zien dat het [gedaagde partij] niet verboden is werkzaam te zijn in de “etiketten- en verpakkingsbranche”. Het nieuwe concurrentiebeding verbiedt hem enkel in deze branche werkzaam te zijn ten behoeve van een producent en/of verkoper van etiketten of verpakkingen. Het beding laat dus ruimte om op een andere wijze in deze branche werkzaam te zijn. Rook ( [gedaagde partij] doet iets met etiketten of verpakkingen) betekent dus nog niet automatisch dat er sprake is van vuur (hij werkt voor een producent en/of verkoper).

De aangehaalde signalen blijken, gelet op de door [gedaagde partij] overgelegde verklaringen, toch net iets anders uitgelegd te moeten worden dan [bedrijf] doet voorkomen of zijn onvoldoende specifiek om overtreding van het concurrentiebeding te kunnen vaststellen. De nagezonden verklaring van [persoon 3] acht de voorzieningenrechter “te mager”. Het is één verklaring die niet afkomstig is van de bron maar van de “partij” zelf. En deze verklaring wordt niet bevestigd door andere “harde” verklaringen.

Daarnaast speelt, wat de voorzieningenrechter noemt, de kwestie “ [bedrijf 3] ”. Partijen zijn het er over eens dat [bedrijf 3] een directe concurrent van [bedrijf] is. Wegens problemen in de productiecapaciteit heeft [bedrijf 3] door haar ontvangen offerte-aanvragen van de bedrijven, [bedrijf 4] , [bedrijf 5] , [bedrijf 6] en [bedrijf 7] doorgestuurd naar [bedrijf] . Deze bedrijven zijn of waren allen klant van [bedrijf] .

Bij twee van deze offerte-aanvragen wordt [gedaagde partij] genoemd als auteur van de specifieke details van de aanvraag. Daarnaast hebben alle aanvragen hetzelfde format en bevatten ze informatie die bij de klant niet, maar bij [gedaagde partij] wel, bekend was. [bedrijf] verbindt hieraan de conclusie dat [gedaagde partij] voor een producent van etiketten opdrachten aan het verwerven is met behulp van informatie die onder de geheimhoudingsclausule valt.

[gedaagde partij] heeft voor deze gang van zaken de navolgende verklaring gegeven. Hij is niet werkzaam voor [bedrijf 3] maar voor een aantal klanten. Deze hebben hem benaderd met het verzoek een benchmark onderzoek te doen onder diverse producenten van etiketten, waaronder [bedrijf 3] . [gedaagde partij] heeft voor deze klanten een offerte- aanvraag opgesteld. De daarvoor gebruikte gegevens komen van de klanten zelf, die immers klant zijn of waren bij [bedrijf] en dus over deze gegevens beschikten. Dat het zou gaan om informatie waarover die klanten niet zouden kunnen beschikken wordt bestreden.

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de kritische opmerkingen van [bedrijf] bij deze toelichting van [gedaagde partij] . Inderdaad lijkt de geschetste werkwijze (verouderde gegevens gebruiken voor een offerte-aanvraag) niet de meest voor de hand liggende en roept het vragen op hoe vier verschillende klanten min of meer tegelijkertijd bij [gedaagde partij] zijn beland voor een benchmark onderzoek. Maar zo onwaarschijnlijk, dat het niet anders kan dan dat [gedaagde partij] voor [bedrijf 3] werkt, is de uitleg ook weer niet. Daarbij komt dat [bedrijf] gemakkelijk bij haar klanten naar de gang van zaken had kunnen navragen en van hen een verklaring in het geding had kunnen brengen. Dat is echter kennelijk niet gebeurd.

Bij de huidige stand van zaken kan de voorzieningenrechter niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid vaststellen welke voorstelling van zaken de juiste is en kan hij daarmee niet vaststellen dat het concurrentie- en /of geheimhoudingsbeding wordt overtreden.

Dwangsommen

De motivering van de vordering tot het opleggen van dwangsommen – naast de contractueel overeengekomen boete - is gelegen in de stelling dat [gedaagde partij] het concurrentie- en/of het geheimhoudingsbeding overtreedt en zich kennelijk niet laat weerhouden door de contractueel opgelegde boetes. Daarom is “zwaarder geschut” vereist.

Nu niet is komen vast te staan dat het concurrentie- en/of geheimhoudingsbeding is/wordt overtreden, is er geen noodzaak tot het opleggen van dwangsommen (naast de reeds contractueel overeengekomen boetes).

Conclusie

Gelet op het voorgaande dienen de vorderingen van [bedrijf] integraal te worden afgewezen. Hoewel toewijzing van de vordering onder I. van de dagvaarding voor [gedaagde partij] niet voelbaar zou zijn, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding deze vordering toch toe te wijzen. [gedaagde partij] is hoe dan ook gehouden tot nakoming van hetgeen partijen in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen zijn. Nu geen overtredingen zijn geconstateerd, acht de voorzieningenrechter geen aparte veroordeling daartoe nodig.

Reconventie

Conservatoire beslagen

De vordering tot opheffing van de conservatoire beslagen zal worden afgewezen. Zoals [bedrijf] terecht heeft opgemerkt gaat de bodemprocedure over meer dan de zaken die thans in dit kort geding aan de orde zijn gekomen. Bovendien betreft een uitspraak in kort geding slechts een voorlopig oordeel, waarbij bewijslevering niet aan de orde is geweest. Niet gezegd kan worden dat nu al is gebleken van ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht. Op grond van de thans voorhanden stukken kan evenmin worden vastgesteld dat de gelegde beslagen de begrote schade aanmerkelijk te boven gaan.

Brief politie en OM

De vordering tot schriftelijke mededeling aan de politie en het OM dat [bedrijf] de door haar gedane strafrechtelijke aangifte niet wenst te handhaven, zal eveneens worden afgewezen.

De juridische grondslag voor deze vordering zou onrechtmatige daad moeten zijn. [gedaagde partij] stipt dit in zijn antwoord kort aan maar werkt deze grondslag in het geheel niet uit. Daarmee wordt het min of meer aan de fantasie van de voorzieningenrechter overgelaten om te bedenken waaruit het onrechtmatig handelen van [bedrijf] dan heeft bestaan of bestaat.

Het doen van een strafrechtelijke aangifte is onrechtmatig als men weet dat de zaken waarvan men aangifte doet niet zijn gepleegd, in ieder geval niet door de persoon weertegen de aangifte zich richt. Daarvan is geen sprake.

Nadat de aangifte is gedaan kunnen zich nieuwe ontwikkelingen voordoen waaruit volgt dat de aangifte grondslag mist. Daarvan is evenmin sprake. Het moge zo zijn dat thans in dit kort geding geen overtredingen van het concurrentie- en/of geheimhoudingsbeding zijn vastgesteld, maar bedacht dient te worden dat ook geen sprake is geweest van bewijslevering, en er een bodemprocedure loopt waarin daarvoor wel gelegenheid zal zijn. Kortom, het laatste woord is nog niet gesproken.

Zoals gezegd, [gedaagde partij] heeft verder niet uitgewerkt waarom dan toch van onrechtmatig handelen sprake zou zijn en de voorzieningenrechter ziet de evidentie daarvan ook niet.

Conclusie

De vorderingen van [gedaagde partij] worden afgewezen.

Proceskosten

Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie

wijst de vorderingen van [bedrijf] af,

In reconventie

wijst de vorderingen van [gedaagde partij] af,

In conventie en in recoventie

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-1314
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand