RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12165201 \ CV EXPL 26-1575
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V. IN HAAR HOEDANIGHEID ALS BEWINDVOERDER IN HET BESCHERMINGSBEWIND VAN DE [rechthebbende],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen,
tegen
1. V.O.F. [gedaagde partij 1] ,
te [plaats 2] ,2. [gedaagde partij 2] , VENNOOT VAN VOORMELDE V.O.F.,
te [woonplaats 1] ,3. [gedaagde partij 3] , VENNOOT VAN VOORMELDE V.O.F.,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna genoemd: [rechthebbende] , [eisende partij] of [gedaagde partijen]
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde partijen] is exploitant van kermisattracties.
Bij beschikking van de kantonrechter van 2 juni 2022 is [rechthebbende] onder bewind gesteld. [eisende partij] is benoemd tot bewindvoerder.
[rechthebbende] heeft in de periode van 1 juli 2024 tot en met 16 augustus 2024 gewerkt voor [gedaagde partijen]
[gedaagde partijen] heeft het salaris over de gewerkte periode rechtstreeks aan [rechthebbende] betaald. Het gaat daarbij om een bedrag van € 3.810,64 bruto (inclusief 8% vakantietoeslag).
Op 11 februari 2026 heeft [eisende partij] [gedaagde partijen] gesommeerd om het ten onrechte aan [rechthebbende] betaalde bedrag alsnog aan haar te betalen.
Tot het moment van dagvaarden heeft [gedaagde partijen] niet betaald.
3. Het geschil
[eisende partij] vordert - samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde partijen] tot betaling van € 3.810,64 aan loon, vermeerderd met rente en kosten. Daarnaast vordert zij een wettelijke verhoging van 50% over dit bedrag.
[eisende partij] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Op grond van een arbeidsovereenkomst moet [gedaagde partijen] loon betalen. Omdat [rechthebbende] onder bewind stond ten tijde van de werkzaamheden had [gedaagde partijen] het loon aan de bewindvoerder moeten voldoen. Zij heeft het loon ten onrechte aan [rechthebbende] betaald. Omdat [gedaagde partijen] aan de verkeerde persoon heeft betaald is niet bevrijdend betaald, aldus [eisende partij] .
[gedaagde partijen] voert verweer. [gedaagde partij 1] voert aan dat zij niet wist dat [rechthebbende] onder bewind stond. [rechthebbende] heeft zelf aangegeven waar het loon naar overgemaakt moest worden. [gedaagde partijen] voert aan dat zij niet heeft gecontroleerd dat [rechthebbende] onder bewind stond. Dit had [rechthebbende] zelf moeten vertellen. [gedaagde partijen] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter oordeelt dat de vorderingen van [eisende partij] worden toegewezen. Hieronder licht de kantonrechter toe hoe zij tot dat oordeel komt.
Daartoe stelt de kantonrechter het volgende voorop. Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende maar aan de bewindvoerder. Door het bewind was [rechthebbende] ook niet bevoegd om de betaling in ontvangst te nemen. Nu daadwerkelijk is betaald aan iemand die niet bevoegd was om deze betaling in ontvangst te nemen, leidt dit tot de vaststelling dat [gedaagde partijen] niet bevrijdend heeft betaald. Dat [gedaagde partijen] niet wist dat [rechthebbende] onder bewind stond leidt niet tot een ander oordeel. Op grond van artikel 6:34 BW kan enkel sprake zijn van een bevrijdende betaling wanneer [gedaagde partijen] op redelijke gronden had mogen aannemen dat [rechthebbende] gerechtigd was om de betaling te ontvangen. Omdat het bewind van [rechthebbende] is ingeschreven in de openbare registers had [gedaagde partijen] kunnen weten dat [rechthebbende] niet gerechtigd was om de betaling te ontvangen. Dat betekent dat [gedaagde partijen] nog steeds een verplichting tot betaling van het loon heeft.
De kantonrechter stelt vast dat [eisende partij] een brutobedrag aan loonbetaling vordert. Aan een werknemer wordt evenwel normaal gesproken het nettobedrag uitbetaald. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [eisende partij] recht zou hebben op een brutobedrag aan loon. Temeer nu [eisende partij] ook niet verplicht is tot het afdragen van de werkgeverspremies en andere werkgeversverplichtingen. Dat betekent dat aan [eisende partij] zal worden uitbetaald het netto equivalent van het brutobedrag ad 3.810,64. Over dit nettobedrag is tevens de wettelijke rente verschuldigd vanaf 20 februari 2026.
[eisende partij] heeft daarnaast een wettelijke verhoging gevorderd van 50%. De wet bepaalt dat de werkgever een extra bedrag moet betalen als hij te laat is met het betalen van het loon. Dit bedrag kan oplopen tot maximaal de helft van het verschuldigde bedrag aan loon. De wettelijke verhoging is dan ook bedoeld als prikkel om het loon op tijd aan de werknemer te betalen. Omdat het loon wel aan de werknemer is betaald, maar er geen sprake was van een bevrijdende betaling aan de werknemer, is de kantonrechter van oordeel dat [eisende partij] geen aanspraak kan maken op de wettelijke verhoging. Het loon was immers tijdig, zij het niet bevrijdend, aan [rechthebbende] betaald. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.
Omdat [gedaagde partijen] overwegend in het ongelijk is gesteld moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
131,67
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.554,67
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde partijen] hoofdelijk tegen behoorlijk bewijs van kwijting om aan [eisende partij] te betalen het loonbedrag over de periode 1 juli 2024 tot en met 16 augustus 2024, zijnde het netto equivalent van het brutobedrag van € 3.810,64 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit nettobedrag vanaf 20 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partijen] in de proceskosten van € 1.554,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.