ECLI:NL:RBLIM:2026:7731

ECLI:NL:RBLIM:2026:7731

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 28-07-2026
Zaaknummer C/03/338405 / HA ZA 25-49
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Eindvonnis na bewijsopdracht. Gedaagde in conventie is niet in zijn bewijsopdracht met betrekking tot contante betaling geslaagd. Vordering tot betaling geldsom toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: C/03/338405 / HA ZA 25-49

Vonnis van 5 augustus 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

te [plaats 1] ,2. [eiser 2],

te [plaats 1] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers] c.s.,

advocaat: mr. H.T.L. Janssen,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. B.C.A. Reijnders.

5. De verdere procedure

Het verloop van de procedure tot en met 12 november 2025 blijkt uit het tussenvonnis van die datum. Het verdere vervolg blijkt uit:

- het proces-verbaal van het niet gehouden getuigenverhoor d.d. 19 maart 2026;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 juni 2026;

- de conclusie na enquête d.d. 15 juli 2026 van de zijde van [eisers] c.s.;

- de conclusie na enquête d.d. 15 juli 2026 van de zijde van [gedaagde] .

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

6. De verdere beoordeling

De bewijsopdracht en de (niet) gehoorde getuigen

In het tussenvonnis van 12 november 2025 (hierna: het tussenvonnis) is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat hij op 13 september 2024 een bedrag van

€ 40.000,00 contant aan [eiser 1] heeft betaald. Ter voldoening aan die bewijsopdracht heeft [gedaagde] zijn minderjarige zoon [minderjarige] (15 jaar oud, hierna: [minderjarige] ) laten horen en zichzelf. In de contra-enquête hebben [eiser 1] en [eiser 2] zichzelf als getuigen laten horen.

[gedaagde] wenste ook zijn dochter, [persoon] , als getuige te horen en heeft haar zowel voor de zitting van 19 maart 2026 als die van 2 juni 2026 als getuige opgegeven. Tijdens de zitting van 19 maart 2026 was zij niet aanwezig omdat zij in Egypte verbleef. Volgens [gedaagde] was zij in de periode daarvoor vermist geweest en had hij pas vlak voor de zitting van 19 maart 2026 weer contact met haar gekregen. [gedaagde] zou naar Egypte afreizen en zijn dochter daar uiterlijk in mei 2026 ophalen. Om die reden is het horen van getuigen uitgesteld tot 2 juni 2026. Op 1 juni 2026 is [gedaagde] teruggekeerd uit Egypte, echter zonder [persoon] . Zij zou op dat moment niet hebben kunnen uitreizen, omdat haar oorspronkelijke visum was verlopen. Om die reden moest zij eerst de uitreis met de Egyptische autoriteiten in orde maken voordat zij het land kon verlaten. [gedaagde] heeft tijdens het laatste getuigenverhoor verzocht om [persoon] alsnog als getuige te horen en om daarvoor opnieuw een andere datum te bepalen.

[eisers] c.s. hebben zich tegen toewijzing van het verzoek verzet.

De rechtbank heeft het verzoek van [gedaagde] om een nieuwe datum voor een getuigenverhoor te gelasten, zodat ook [persoon] alsnog als getuige kon worden gehoord, ter zitting afgewezen. Het is de eigen keuze van [gedaagde] geweest om [persoon] , hoewel zij ook ter zitting van 19 maart 2026 niet was verschenen, niet conform artikel 170 lid 1 Rv per exploot voor de zitting van 2 juni 2026 op te roepen. Om die reden was het voor de rechtbank niet mogelijk om bij het bepalen van een voortzetting van het getuigenverhoor tegelijkertijd te bevelen dat de (tot twee maal toe niet verschenen getuige) door de openbare macht voor hem zou worden gebracht om aan haar verplichtingen te voldoen en om er op die manier zeker van te zijn dat zij op de derde oproep wel zou verschijnen. Het bepalen van een nieuwe datum voor het getuigenverhoor, terwijl het onzeker was of de getuige de derde keer wel zou verschijnen, zou tot een onredelijke vertraging in de voortgang van de procedure hebben geleid.

De inhoud en beoordeling van de getuigenverklaringen

[gedaagde] en [minderjarige] hebben, kort gezegd, verklaard dat [gedaagde] op 13 september 2024 in zijn woning op het [vakantiepark] een bedrag van € 40.000,-- contant heeft uitbetaald aan [eiser 2] . [eisers] en [eiser 2] hebben verklaard dat zij op 13 september 2024 samen op [vakantiepark] zijn geweest om een brief aan [gedaagde] af te geven. Bij die gelegenheid hebben zij [gedaagde] niet gezien. [gedaagde] heeft aan [eiser 2] geen bedrag van € 40.000,00 uitgekeerd, zo verklaart [eiser 2] voorts.

De verklaringen van de getuigen in enquête zijn op het punt van de bewijsopdracht diametraal in strijd met de verklaringen van de getuigen in contra-enquête. Zij kunnen niet beiden waar zijn. Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] is geslaagd in zijn bewijsopdracht, gaat het er dus om of er aanknopingspunten zijn om te kunnen oordelen dat de verklaringen van de getuigen in enquête geloofwaardiger zijn dan die van de getuigen in contra-enquête. Alleen in het geval de verklaringen in enquête op objectieve gronden geloofwaardiger moeten worden geacht dan die in contra-enquête, kan de gevolgtrekking worden gemaakt dat [gedaagde] in zijn bewijs is geslaagd. Indien de verklaringen even (on)geloofwaardig zijn of indien de verklaringen van de getuigen in enquête minder geloofwaardig zijn dan die in contra-enquête, dan is [gedaagde] niet in de bewijsopdracht geslaagd.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de getuigen in enquête, indien zij worden beoordeeld in het licht van de vaststaande feiten en de stellingen van [gedaagde] in de processtukken, minder geloofwaardig zijn dan de verklaringen van de getuigen in contra-enquête. Daartoe geldt het volgende.

[gedaagde] heeft als getuige verklaard (conform zijn stellingen in de processtukken) dat hij een bedrag van € 40.000,-- contant in huis had, omdat hij dit bedrag diende terug te betalen aan [eiser 1] . Hij verklaart als getuige dat hij dit bedrag in de loop van de maanden in kleinere bedragen van zijn bankrekening had opgenomen. Hij verwijst daartoe naar de bankafschriften die als productie 4 bij conclusie van antwoord in het geding zijn gebracht.

In de conclusie van antwoord (onder 9) heeft [gedaagde] gesteld dat deze bedragen zijn opgenomen om materialen in te kopen en de aannemer te betalen. Dit is in strijd met hetgeen hij als getuige heeft verklaard. Niet is duidelijk gemaakt waarom de verklaring van [gedaagde] als getuige afwijkt van de stellingen in de processtukken.

De verklaring die [gedaagde] als getuige heeft afgelegd is niet logisch. Uit de whatsapp-gesprekken blijkt immers dat op 6 september 2024 de samenwerking tussen partijen is beëindigd en dat een eventuele verplichting tot terugbetaling van het door [eiser 1] betaalde voorschot pas op dat moment voor [gedaagde] is ontstaan (zie tussenvonnis in 2.5., 2.6. en 4.5.1.). Uit productie 4 bij de conclusie van antwoord blijkt dat [gedaagde] al vanaf 22 maart (de rechtbank begrijpt: 2024) contante opnames heeft gedaan. [gedaagde] heeft als getuige geen afdoende verklaring gegeven waarom hij al vanaf 22 maart 2024 bezig was om geld in huis te halen om het voorschot te kunnen terugbetalen, terwijl er voor hem pas op 6 september 2024 een verplichting tot terugbetaling ontstond.

Daar komt bij dat [gedaagde] in zijn whats-app bericht van 6 september 2024 om 15:11 uur aan [eiser 1] het verzoek doet om een rekeningnummer op te geven waarop het voorschot kan worden terugbetaald. [gedaagde] heeft als getuige geen afdoende verklaring gegeven waarom hij om een rekeningnummer vroeg, terwijl hij al enkele maanden bezig was om een contante terugbetaling mogelijk te maken. De verklaring van [gedaagde] als getuige dat dit samenhing met bedreigingen van de zijde van [eisers] c.s. en dat hij geld in huis wilde hebben om de kwestie te kunnen regelen als [eisers] c.s. bij hem aan de deur kwamen, acht de rechtbank niet overtuigend. Ook al zouden er bedreigingen zijn geuit (hetgeen [eisers] c.s. hebben betwist) dan is niet duidelijk waarom dat een reden zou zijn om de betaling per bank achterwege te laten en op die manier de betaling (ondanks de bedreigingen) uit te stellen. [gedaagde] heeft verder niet verklaard waarom hij er vanuit kon gaan dat [eisers] c.s. bij hem aan de deur zouden komen om de kwestie te regelen.

[gedaagde] verklaart als getuige dat hij [eiser 2] op 13 september 2024 tegenkwam bij de brievenbussen bij de ingang van het park. Hij was daar alleen vanaf zijn woning naar toe gelopen, terwijl [persoon] en [minderjarige] in de woning waren. Als productie 3 bij conclusie van antwoord in reconventie heeft [gedaagde] een schriftelijke verklaring van [persoon] in het geding gebracht, waarin zij verklaart dat zij die dag samen met haar vader bij toeval mevrouw [eiser 2] tegenkwam bij de brievenbus en dat mevrouw [eiser 2] toen samen met hen naar de woning is gelopen om het bedrag van € 40.000,00 cash in ontvangst te nemen. De verklaring van de getuige [gedaagde] klopt dus niet met de verklaring van [persoon] die al eerder als bewijs in het geding was gebracht, zonder dat voor deze discrepantie een afdoende verklaring wordt gegeven.

De rechtbank verwijst voorts naar de vele inconsistenties in de verklaringen van [gedaagde] en diens zoon waarop door [eisers] c.s. in de conclusie na enquête is gewezen en die aan de geloofwaardigheid ervan afbreuk doen.

De verklaringen die [eiser 1] en [eiser 2] daarentegen als getuigen in contra-enquête hebben afgelegd zijn onderling consistent en zijn bovendien consistent met hetgeen zij in de processtukken hebben gesteld en de producties die zijn overgelegd.

De slotsom in conventie

Nu de rechtbank de verklaringen van de getuigen in enquête minder geloofwaardig acht dan de verklaringen van de getuigen in contra-enquête, is de slotsom dat [gedaagde] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat door hem op 13 september 2024 het voorschot van € 40.000,00 aan [eiser 1] is terugbetaald. Het op dit punt gevoerde verweer wordt om die reden dan ook verworpen. Hieruit volgt dat de vordering tot terugbetaling van de hoofdsom van € 40.000,00 zal worden toegewezen. Ook de vordering tot betaling van de wettelijke rente vanaf 23 september 2024 over dit bedrag is toewijsbaar, nu [gedaagde] bij brief d.d. 12 september 2024 (productie 5 bij dagvaarding) is gesommeerd om uiterlijk 20 september 2024 te betalen. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn, gezien de verrichte werkzaamheden, toewijsbaar.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van [eisers] c.s. worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

148,10;

- griffierecht

1.374,00;

- salaris advocaat

5.160,00

(4 punten × € 1.290,00);

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);

totaal

6.871,10.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

De slotsom in reconventie

In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder nummer 4.8. geoordeeld dat de vordering in reconventie zal worden afgewezen. Hierna zal dienovereenkomstig worden beslist.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen. De proceskosten van [eisers] c.s. worden begroot op:

- salaris advocaat

653,00

(1 punt, tariefgroep II);

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);

totaal

842,00.

7. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] c.s. te betalen een bedrag van € 40.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 23 september 2024, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] c.s. te betalen een bedrag van € 1.421,75 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 7 november 2024, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] c..s te betalen de proceskosten van € 6.871,10, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] c.s. te betalen de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. dr. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026 door mr. Van Leeuwen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand