RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12144122 \ CV EXPL 26-1342
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[werkgever] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven,
tegen
[werknemer] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 en 2- de schriftelijke weergave van het mondeling antwoord met ongenummerde producties- de conclusie van repliek met producties 3 en 4- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[werknemer] is bij [werkgever] in dienst geweest. Bij brief van 28 augustus 2023 heeft [werknemer] haar arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2023.
[werkgever] stelt dat zij het ontslag te laat aan de salarisadministratie heeft doorgegeven, waardoor in oktober 2023 onterecht een bedrag van € 2.685,30 aan loon aan [werknemer] is betaald. In november 2023 is de eindafrekening opgemaakt, op grond waarvan [werknemer] nog € 2.148,89 zou ontvangen (vakantietoeslag en gedeelte eindejaarsuitkering). Het op grond van de eindafrekening uit te betalen bedrag is verrekend met het teveel betaalde loon van oktober 2023, zodat een teveel ontvangen bedrag van € 536,41 (€ 2.148,89 - € 2.685,30) resteert. [werknemer] heeft dit bedrag niet aan [werkgever] terugbetaald.
3. Het geschil
[werkgever] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [werknemer] tot betaling van € 709,96, bestaande uit € 536,41 aan hoofdsom, € 76,19 aan vervallen rente en € 97,36 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over € 608,40 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling, alsmede tot betaling van de proceskosten.
[werkgever] vordert het bedrag van € 536,41 terug op grond van onverschuldigde betaling.
[werknemer] voert verweer. Zij stelt dat zij nergens uit heeft kunnen afleiden en dat [werkgever] niet duidelijk heeft gemaakt dat [werkgever] een bedrag van € 536,41 teveel aan haar heeft betaald en dat zij dit diende terug te betalen. [werknemer] is bereid dit alsnog te betalen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[werkgever] blinkt niet uit in heldere en duidelijke communicatie. Met [werknemer] is de kantonrechter van oordeel dat uit de salariscorrecties niet duidelijk blijkt dat [werknemer] een bedrag moet terugbetalen. Uit de factuur met [factuurnummer] blijkt dat er een bedrag van € 536,41 betaald dient te worden, maar waarop dit negatief salaris betrekking heeft blijkt evenmin. Er is geen toelichting gegeven. [werkgever] heeft toegegeven dat in de
e-mailberichten van 2 september 2025 en 16 september 2025 per abuis “nota en patiëntennummer” staat vermeld en dat dit “nota en debiteurennummer” had moeten zijn. Het is begrijpelijk dat [werknemer] er dan niets van begrijpt. Zij neemt zich de moeite om contact op te nemen met [werkgever] . Gelet op het onderwerp van de e-mailberichten kan [werknemer] niet verweten worden dat zij (vermoedelijk) contact heeft opgenomen met de patiëntenadministratie in plaats van de salarisadministratie. Ook zijn twee herinneringen naar een verkeerd adres gestuurd. In de aanmaningen die naar haar e-mailadres zijn gestuurd wordt gesproken over een openstaand bedrag zonder een toelichting waarop dat bedrag betrekking heeft. Later wordt er in de correspondentie gesproken over een getroffen betalingsregeling, die niet wordt nagekomen, terwijl [werknemer] stelt geen betalingsregeling te hebben getroffen. In de bij dagvaarding overgelegde aanmaning wordt toegelicht dat het openstaand bedrag betrekking heeft op onverschuldigde betaling: dat [werknemer] een betaling heeft ontvangen die niet voor haar bestemd was en dat zij dit dient terug te betalen. Echter gelet op het feit dat [werknemer] de ontvangst daarvan betwist en bij gebreke van een ontvangstbevestiging (op de verzender, in dit geval Janssen & Janssen gerechtsdeurwaarders, de gemachtigde van [werkgever] , rust de bewijslast dat [werknemer] die brief ontvangen heeft) is niet komen vast te staan dat [werknemer] die bescheiden heeft ontvangen.
Nu vaststaat dat [werknemer] € 536,41 teveel heeft ontvangen ( [werknemer] heeft de omvang van dit bedrag niet betwist) en de bereidheid van [werknemer] om dit bedrag alsnog te voldoen, ligt dit deel van de vordering voor toewijzing gereed. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, liggen de gevorderde vervallen wettelijke rente en vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor afwijzing gereed. De lopende wettelijke rente zal, met inachtneming van een redelijke betalingstermijn van veertien dagen, worden toegewezen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis. De kantonrechter sluit niet uit dat indien [werkgever] buiten rechte duidelijk gecommuniceerd had, [werknemer] was overgaan tot terugbetaling van het door [werkgever] teveel betaalde bedrag. De kantonrechter ziet dan ook aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [werknemer] om aan [werkgever] te betalen een bedrag van € 536,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.