RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummers: 11952519 \ CV EXPL 25-4764 (hoofdzaak) en
12166503 \ CV EXPL 26-1596 (vrijwaring)
Vonnis van 5 augustus 2026
in de hoofdzaak van
[persoon 1] ,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
gemachtigde: mr. L.V.V. Eymael,
tegen
[persoon 2] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [persoon 2] ,
gemachtigde: mr. T.R.S. Franssen,
en in de vrijwaringszaak van
[persoon 2] ,
te [woonplaats 2] ,
eisende partij in de vrijwaringszaak,
hierna te noemen: [persoon 2] ,
gemachtigde: mr. T.R.S. Franssen,
tegen
[persoon 3] , [bedrijf 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in de vrijwaringszaak,
hierna te noemen: [persoon 3] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 februari 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de rolbeslissing van 18 februari 2026;
- de conclusie van dupliek met bijlagen;
- de mondelinge behandeling van 3 juni 2026, waarbij de gemachtigde van [persoon 1] een pleitnota heeft overgelegd.
Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen;
- het tegen [persoon 3] verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
In de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak
[persoon 1] wilde de kelder van haar woning laten impregneren. Via google en een bekende vond zij [bedrijf 3] , waarmee zij contact opnam.
Naar aanleiding van dit contact is iemand die zich [naam 1] noemde, bij [persoon 1] thuis geweest. [naam 1] heeft namens [bedrijf 3] op 30 mei 2025 bij [persoon 1] thuis een offerte uitgebracht voor het renoveren van de kelder voor de prijs van € 7.078,50. De offerte vermeldt de volgende contactgegevens van [bedrijf 3] :
“ [contactgegevens]
In de kamer van koophandel (hierna: kvk) staat onder het in de offerte genoemde [nummer 1] per 5 november 2024 als eenmanszaak geregistreerd “ [bedrijf 1] ” met als eigenaar [persoon 2] . Als handelsnaam staat geregistreerd “ [bedrijf 1] ”.
[persoon 1] heeft de offerte direct aanvaard. Eveneens op 30 mei 2025 heeft [persoon 1] vervolgens de aanbetaling van € 3.500,00 overgemaakt op [rekeningnummer] . Dit bankrekeningnummer staat op naam van [bedrijf 3] .
Begin juni 2025 zijn de werkzaamheden aangevangen. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden in de kelder heeft [persoon 1] met [naam 1] afgesproken dat er aanvullende werkzaamheden zouden worden uitgevoerd in de keuken, bestaande uit het verplaatsen van deuren en stucwerk, tegen betaling van € 4.750,00. [persoon 1] heeft dit bedrag op 11 juni 2025 voldaan op [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 3] .
Op 15 juni 2025 heeft ( [naam 2] namens) [persoon 1] een e-mail gestuurd naar [e-mailadres] , waarin is meegedeeld dat zij niet tevreden is over de kwaliteit van het geleverde werk, bepaalde betaalde bedragen terug wil en dat zij hoopt tot een passende oplossing te kunnen komen. Vanwege het uitblijven van een reactie, is op
26 juni 2025 een herinnering gestuurd.
Op 6 augustus 2025 heeft [persoon 2] aangifte gedaan bij de politie van het valselijk gebruik maken van zijn naam en zijn bedrijf. In zijn aangifte heeft [persoon 2] onder meer verklaard “Voorheen had mijn bedrijf de naam: [naam bedrijf] .”
Per brief van 4 september 2025 aan [persoon 2] “ h.o.d.n. [bedrijf 3] ”, aan de [adres 1] in [plaats 1] , heeft [persoon 1] meegedeeld dat zij de overeenkomsten herroept c.q. ontbindt en heeft zij verzocht om € 8.250,00 terug te betalen.
De ambulant begeleider van [persoon 2] heeft zich in reactie hierop per e-mail van
14 september 2025 beroepen op identiteitsfraude en verantwoordelijkheid van de hand gewezen.
Blijkens overgelegde jaaroverzichten stonden er in 2025 bij ING rekeningen op naam van [persoon 2] , waaronder de zakelijke bankrekening met [nummer 2] ten name van “ Hr I [persoon 2] h/o [bedrijf 3] ”. Vanuit de KNAB-rekening op naam van [bedrijf 3] zijn in 2025 meermalen bedragen overgemaakt op deze zakelijke ING-rekening op naam van [persoon 2] .
[persoon 3] is sinds 8 november 2023 eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf 2] , gevestigd te [adres 2] (België). [persoon 3] had geen volmacht om namens [persoon 2] overeenkomsten aan te gaan.
[bedrijf 1] is op 10 december 2025 uitgeschreven uit het handelsregister van de KVK.
3. Het geschil
In de hoofdzaak
[persoon 1] vordert, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. voor recht te verklaren dat de overeenkomsten tussen [persoon 2] en [persoon 1] rechtsgeldig ontbonden zijn, dan wel deze te ontbinden;
[persoon 2] te veroordelen om:
I. aan [persoon 1] te voldoen de hoofdsom van € 8.250,00;
II. aan [persoon 1] wettelijke rente te betalen over € 8.250,00 vanaf 21 september 2025;
III. aan [persoon 1] te betalen € 952,88 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding;
IV. de kosten van de procedure te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de derde dag na betekening van het vonnis.
[persoon 1] legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. [persoon 1] heeft twee overeenkomsten gesloten met [persoon 2] , waarbij [naam 1] als vertegenwoordiger van
[persoon 2] heeft gehandeld. De onderneming van [persoon 2] is [bedrijf 3] . [persoon 1] mocht er conform artikel 3:61 lid 2 BW op vertrouwen dat zij met [persoon 2] contracteerde. Omdat de overeenkomsten zijn gesloten bij [persoon 1] thuis en daarmee buiten de verkoopruimte en [persoon 1] niet is gewezen op het herroepingsrecht, mocht [persoon 1] de overeenkomsten herroepen c.q. ontbinden. Het werk is daarnaast niet goed en deels geheel niet uitgevoerd. [persoon 1] heeft daarom de overeenkomsten ontbonden, althans wenst deze te ontbinden. Uit hoofde van de herroeping c.q. ontbinding is [persoon 2] gehouden de reeds betaalde bedragen terug te betalen.
[persoon 2] voert verweer. Zijn identiteit is door [persoon 3] misbruikt. Op verzoek van [persoon 3] is er een eenmanszaak op naam van [persoon 2] gezet. [persoon 2] had geen enkele betrokkenheid bij de opdrachten van [persoon 1] en hij heeft ook de betalingen van [persoon 1] niet ontvangen. Het adres in [plaats 3] , dat op de offerte staat, hoort bij de onderneming [bedrijf 2] van [persoon 3] . Ook het btw-nummer op de offerte hoort bij die onderneming.
Het gedrag van [persoon 3] kan niet aan [persoon 2] worden toegerekend. [persoon 3] had geen volmacht van [persoon 2] . Er is ook geen sprake van schijn van volmachtverlening. [persoon 2] heeft geen enkele gedraging verricht waaruit [persoon 1] mocht afleiden dat er door [persoon 3] (of [naam 1] , [persoon 2] meent dat het om dezelfde persoon gaat) namens hem gehandeld werd. [persoon 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In de vrijwaring
[persoon 2] vordert, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [persoon 3] te veroordelen
I. [persoon 2] volledig te vrijwaren van al wat in de hoofdzaak aan [persoon 1] verschuldigd mocht worden verklaard;
II. tot betaling van alle door [persoon 2] in verband met de hoofdzaak gemaakte kosten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. ter betekening en executie buiten Nederland en binnen de EU, een certificaat te verstrekken betreffende een beslissing in burgerlijke- en handelszaken in de zin van EEX Verordening I;
IV. in de proceskosten van de vrijwaringzaak.
[persoon 2] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. Het is niet [persoon 2] geweest die bij de (niet dan wel niet goed uitgevoerde) werkzaamheden bij [persoon 1] betrokken is geweest, maar [persoon 3] . [persoon 2] heeft geen volmacht aan [persoon 3] verleend. Als er al een volmacht zou worden aangenomen, dan geldt dat [persoon 3] zich niet als goed gevolmachtigde heeft gedragen. [persoon 3] heeft daarmee jegens [persoon 2] onrechtmatig gehandeld. [persoon 3] moet de schade die [persoon 2] daardoor lijdt vergoeden. Ook is er sprake van ongerechtvaardigde verrijking op grond waarvan [persoon 3] ook gehouden is de schade aan [persoon 2] te vergoeden. Het is immers [persoon 3] die de betalingen van [persoon 1] heeft ontvangen, terwijl - wanneer de vordering in de hoofdzaak zou worden toegewezen, [persoon 2] gehouden is tot betaling aan [persoon 1] .
[persoon 3] is niet in de procedure verschenen en heeft dus geen verweer gevoerd.
Op de stellingen van [persoon 2] wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
In de hoofdzaak
Tussen partijen is niet in geschil dat er werkzaamheden in de kelder van de woning van [persoon 1] hebben plaatsgevonden en evenmin dat die werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd (de eerste opdracht). Ook staat niet ter discussie dat de werkzaamheden in/aan de keuken (de tweede opdracht) helemaal niet zijn uitgevoerd.
[persoon 2] stelt zich echter op het standpunt dat hij geen partij is bij de met [persoon 1] gesloten aannemingsovereenkomsten (en ook niet bij de uitvoering betrokken is geweest). De kantonrechter overweegt, dat als [persoon 2] geen partij is bij die overeenkomsten, de vorderingen van [persoon 1] - die tussen haar en [persoon 2] geldende aannemingsovereenkomsten tot uitgangspunt nemen - dan moeten worden afgewezen.
Volgens [persoon 1] is [persoon 2] , h.o.d.n. [bedrijf 1] , haar contractspartij, omdat [persoon 2] de natuurlijke persoon is achter [bedrijf 3] , en [naam 1] (die feitelijk de contacten tot en met het sluiten van de overeenkomsten heeft gevoerd) als vertegenwoordiger heeft gehandeld. Het verweer van [persoon 2] komt erop neer, dat hij niet de natuurlijke persoon achter [bedrijf 3] is, maar [persoon 3] .
De kantonrechter stelt vast dat als gesteld en niet weersproken vaststaat dat [naam 1] niet voor zichzelf heeft gecontracteerd maar namens een ander: [bedrijf 3] . Daarbij tekent de kantonrechter wel aan dat uit de stellingen van [persoon 1] niet duidelijk volgt op basis waarvan zij stelt dat [naam 1] niet voor zichzelf maar voor een ander heeft gehandeld, maar nu die stelling niet is weersproken, geldt deze als uitgangspunt.
De eerste vraag is vervolgens: wie of wat is [bedrijf 3] ? Hoewel [persoon 1] dat niet uitdrukkelijk stelt, lijkt zij ervan uit te gaan dat [bedrijf 3] geen rechtspersoonlijkheid bezit, en dus zelf niet contractspartij kan zijn. Omdat [persoon 2] niets heeft aangevoerd om daaraan te twijfelen en daar ook overigens geen aanwijzingen voor zijn gebleken, neemt de kantonrechter dit als vertrekpunt: [bedrijf 3] is geen onderneming met rechtspersoonlijkheid en kan dus niet zelf contractspartij zijn.
De volgende vraag is dan: is [persoon 2] de natuurlijke persoon achter de eenmanszaak of handelsnaam [bedrijf 3] ? Degene voor wiens rekening en risico onder deze naam werd gehandeld?
Pas als vaststaat dat [persoon 2] de natuurlijke persoon achter [bedrijf 3] is, komen de vragen aan de orde of [naam 1] de facto dan [persoon 2] bevoegd heeft vertegenwoordigd (op grond van een volmacht) en zo nee, of [persoon 1] zich tegenover [persoon 2] kan beroepen op toerekening van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 3:61 lid 2 BW). Komt niet in rechte vast te staan dat [persoon 2] de natuurlijke persoon is achter de eenmanszaak of handelsnaam [bedrijf 3] en dus degene voor wiens rekening en risico onder deze naam werd gehandeld, dan stopt het daar. In dat geval komt de kantonrechter niet tot overeenkomsten tussen [persoon 1] en [persoon 2] .
Is [persoon 2] de natuurlijke persoon achter [bedrijf 3] ?
De stelplicht en bewijslast liggen in dit kader bij [persoon 1] . Zij moet onderbouwd stellen welke omstandigheden maken dat ervan moet worden uitgegaan dat [persoon 2] de natuurlijke persoon achter [bedrijf 3] is, althans was toen er met haar zaken werd gedaan.
De kantonrechter is van oordeel dat [persoon 1] daarin niet is geslaagd en zij overweegt daartoe als volgt.
[persoon 1] heeft verklaard dat zij via een bekende en via google uitkwam bij [bedrijf 3] . Er is geen kvk-uittreksel (voorhanden) van [bedrijf 3] en uit het wel overgelegde kvk-uittreksel van [bedrijf 1] blijkt niet dat [bedrijf 3] een handelsnaam is van [persoon 2] en/of [bedrijf 1] . Aan die informatiebron zijn dus geen aanwijzingen te ontlenen dat [persoon 2] de natuurlijke persoon achter [bedrijf 3] is.
Omdat niet is gebleken dat [bedrijf 3] een handelsnaam is van [bedrijf 1] , legt het feit dat in de offerte van [bedrijf 3] wel het kvk-nummer van [bedrijf 1] is vermeld, mede tegen de achtergrond van het verweer van [persoon 2] dat [persoon 3] (wellicht maar niet zeker dezelfde persoon als [naam 1] ) onder de naam [bedrijf 3] heeft gehandeld, onvoldoende gewicht in de schaal. Het verweer van [persoon 2] is namelijk in zoverre onderbouwd, dat op de offerte niet alleen het adres van (ook) [bedrijf 1] is vermeld, maar ook de adresgegevens van een aan [persoon 3] gekoppelde onderneming, een Belgisch BTW-nummer en een rekeningnummer bij een Belgische bank.
Dat het op de offerte genoemde mobiele telefoonnummer “hoort” bij [persoon 2] , blijkt niet uit de stukken.
[persoon 1] heeft gewezen op de door [persoon 2] gedane aangifte bij de politie, waarin hij onder meer heeft verklaard: “Voorheen had mijn bedrijf de naam: [naam bedrijf] ”. Voor zover [persoon 1] daarmee betoogt dat [bedrijf 3] is ‘overgaan’ in dan wel van naam is veranderd in [bedrijf 1] , staat daar tegenover dat niet duidelijk is of dit al was vóórdat onder de naam [bedrijf 3] met [persoon 1] werd gecontracteerd. Het kvk-uittreksel van [bedrijf 1] bevat er in elk geval een aanwijzing voor dat dit dan ervóór moet zijn geweest. [bedrijf 1] is immers per 5 november 2024 geregistreerd, dus ruim voordat met [persoon 1] werd gecontracteerd. Een historisch overzicht, waarop bijvoorbeeld wijzigingen van handelsnamen te zien zouden kunnen zijn, is niet overgelegd. Gelet daarop is onzeker of het gebruik van de naam [bedrijf 3] er nog wel op duidt dat [persoon 2] de natuurlijke persoon hierachter is of was toen zaken werd gedaan met [persoon 1] .
Gesteld noch gebleken is dat op de website [website] melding wordt gemaakt van [persoon 2] en/of [bedrijf 1] . Ook heeft de kantonrechter geen duidelijke aanwijzingen ervoor dat deze website in beheer is bij [persoon 2] . Wie de rechthebbende op deze domeinnaam is en/of wie deze heeft geregistreerd, is niet duidelijk. De kantonrechter heeft daarvan geen stukken gezien. Volgens [persoon 1] leidt een online zoekopdracht via google naar [bedrijf 3] , rechtstreeks naar de onderneming [bedrijf 1] en is [website] de website die bij dat google my business profiel hoort. Volgens [persoon 1] heeft [persoon 2] dus het beheer over deze website. Maar een en ander is niet onderbouwd en blijkt dus niet uit het dossier.
[persoon 1] heeft aangevoerd dat zij meermalen e-mails heeft gestuurd naar [persoon 2] , maar dat betreft e-mails naar [e-mailadres] . Nergens blijkt uit dat [persoon 2] dit e-maildres heeft aangemaakt, beheert en/of er toegang toe heeft.
[persoon 1] heeft verder aangevoerd dat er in recente online recensies van [bedrijf 1] op internet wordt gesproken over [naam 1] . Zij heeft daar ook een print screen van overgelegd. Daar volgt echter op zichzelf nog niet uit dat ten tijde van de aannemingsovereenkomsten [persoon 2] (nog) de natuurlijke persoon achter [naam bedrijf] was.
[persoon 1] stelt ook dat zij de betalingen heeft overgemaakt naar een bankrekening
“op naam van de onderneming van [bedrijf 1] ”, maar die stelling is niet juist. Gebleken is dat [persoon 1] heeft betaald op [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 3] . Dat [persoon 2] die rekening heeft afgesloten en/of beheerd, blijkt niet uit de stukken.
Wat wel uit de stukken blijkt, is dat [persoon 2] diverse bedragen (maar niet specifiek te herleiden tot de door [persoon 1] gedane betalingen) heeft ontvangen vanuit deze KNAB-bankrekening. En ook dat [persoon 2] dus inderdaad heeft gehandeld onder de naam [bedrijf 3] . Dat roept vanzelfsprekend allerlei vragen op en dat er op de een of andere manier een verband is tussen [bedrijf 3] en [persoon 2] , dat staat voor de kantonrechter buiten kijf. Die constatering brengt echter niet noodzakelijkerwijs mee dat [persoon 2] ten tijde van de aannemingsovereenkomsten de natuurlijke persoon achter [bedrijf 3] was of wel moet zijn geweest.
Op 4 september 2025 is [persoon 2] voor het eerst (onder meer) per brief zelf (op zijn eigen naam) aangeschreven en daarop is op 14 september 2025 namens [persoon 2] meteen gereageerd, dat hij niet verantwoordelijk is voor de vorderingen van [persoon 1] .
De slotsom is dat, hoewel de zaak aan de zijde van [persoon 2] allerlei vragen oproept en hij mede door tegenstrijdige verklaringen erover te geven geen openheid van zaken heeft gegeven, de kantonrechter toch niet toekomt aan een verdere inhoudelijke beoordeling van de zaak. Uit het gestelde en de daarvoor voorhanden onderbouwing blijkt niet voldoende sluitend en op toereikende wijze dat Al Yayha toen er zaken werd gedaan met [persoon 1] , de natuurlijke persoon achter [bedrijf 3] was, voor wiens rekening en rekening werd gehandeld. Dit betekent, zoals overwogen, dat de vorderingen moeten worden afgewezen.
[persoon 1] moet de proceskosten betalen
[persoon 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [persoon 2] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [persoon 1] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [persoon 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.080,00
(3 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.224,00
In de vrijwaring
[persoon 2] wordt in de hoofdzaak niet veroordeeld om enig bedrag aan [persoon 1] te betalen. Het door [persoon 2] gevorderde jegens [persoon 3] is om die reden niet toewijsbaar. Wat [persoon 2] verder in het kader van de vrijwaringszaak naar voren heeft gebracht, behoeft verder geen bespreking.
Omdat de vordering van [persoon 2] wordt afgewezen moet [persoon 2] de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [persoon 3] is niet verschenen en heeft dus geen proceskosten gemaakt. De proceskosten aan de zijde van [persoon 3] worden daarom begroot op nihil.
5. De beslissing
De kantonrechter
In de hoofdzaak
wijst de vorderingen van [persoon 1] af,
veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 1.224,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart de in dit vonnis opgenomen kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
In de vrijwaring
wijst de vorderingen van [persoon 2] af,
veroordeelt [persoon 2] in de proceskosten, aan de zijde van [persoon 3] tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op
5 augustus 2026.