ECLI:NL:RBLIM:2026:7833

ECLI:NL:RBLIM:2026:7833

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 30-07-2026
Zaaknummer 12015529 \ CV EXPL 25-5663
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Politiegeweld. Onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Artikel 7 Politiewet. Proportionaliteit en subsidiariteit. Rechtvaardigingsgrond aanwezig. Vorderingen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 12015529 \ CV EXPL 25-5663

Vonnis van 5 augustus 2026 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eisende partij] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

gemachtigde: mr. S.C.W. van Wijk,

tegen

POLITIE, EENHEID POLITIE LIMBURG,

te Maastricht,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de Politie,

gemachtigde: mr. T. Terpstra-Rezaie.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- de aanvullende producties 13 tot en met 18 van [eisende partij]

- de aanvullende productie 8 van de Politie

- de mondelinge behandeling van 3 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

- de spreekaantekeningen van [eisende partij] .

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Op 22 oktober 2024 omstreeks half een ’s nachts trof [eisende partij] zijn vrouw thuis ziek aan in bed. De vrouw van [eisende partij] kampt met gezondheidsproblemen. [eisende partij] , die zelf meer dan 40 jaar bij de Politie werkzaam is geweest (verantwoordelijk voor opleidingen en trainingen mobiele eenheid), heeft toen 112 gebeld. De centralist heeft vragen gesteld aan [eisende partij] . [eisende partij] kon deze vragen niet beantwoorden. De verbinding is verbroken en [eisende partij] heeft daaropvolgend de huisartsenpost gebeld. De centralist van 112 heeft [eisende partij] teruggebeld. De Politie heeft omstreeks 0.55 uur vanuit de meldkamer het verzoek gekregen om met spoed naar de woning van [eisende partij] te gaan.

Omstreeks 1.03 uur arriveerde een politiewagen met twee agenten ( [agent 1] en [agent 2] ) bij de woning van [eisende partij] . De twee agenten zijn naar de woning van [eisende partij] gegaan, hebben aangebeld en [eisende partij] heeft de voordeur geopend. Omstreeks 1.06 uur arriveerde een tweede politiewagen met twee agenten ( [agent 3] en [agent 4] ) die zich ook naar de woning van [eisende partij] begaven. Tussen [eisende partij] en de agenten ontstond een discussie over het naar boven gaan naar de vrouw van [eisende partij] . [agent 1] is naar boven gegaan naar de slaapkamer waar de vrouw van [eisende partij] zich bevond. [eisende partij] heeft zich daarbij recalcitrant opgesteld jegens de agenten. De agenten hebben [eisende partij] vastgepakt en uiteindelijk naar zijn knieën gewerkt. [eisende partij] was gewond op zijn linkerarm en [eisende partij] heeft het bloed uit die wond afgesmeerd aan de arm van [agent 3] . [eisende partij] is daaropvolgend aangehouden wegens belemmering c.q. beletting op grond van artikel 184 Wetboek van Strafrecht. [eisende partij] is daarbij met zijn buik richting de grond gewerkt en de agenten hebben transportboeien omgedaan bij [eisende partij] . [eisende partij] heeft daarbij aangegeven dat hij een week daarvoor geopereerd was aan zijn rug. Om 1.13 uur is de ambulance bij de woning gearriveerd. De ambulancemedewerkers zijn de woning binnengegaan naar de vrouw van [eisende partij] . Om 1.17 uur werd [eisende partij] geboeid naar de politieauto begeleid door [agent 1] en [agent 2] . Daarbij heeft [eisende partij] onder meer: “mongolen” geroepen. [agent 4] en [agent 3] zijn in de woning gebleven. [eisende partij] heeft die nacht in het cellencomplex doorgebracht.

[eisende partij] heeft verwondingen opgelopen. Van die verwondingen heeft de politie na de aanhouding foto’s gemaakt.

[eisende partij] lijdt aan lumbosacraal pseudoradiculair syndroom (pijn in de onderrug met uitstraling naar billen en benen). [eisende partij] heeft reeds meermaals een wortelblokkade (medische behandeling waarbij medicatie rondom een zenuwwortel in de wervelkolom gespoten wordt) ondergaan, zo ook één week voor het incident. Bij [eisende partij] is daarnaast sprake van purpura senilis (paarsachtige bloeduitstortingen).

In het proces-verbaal van het verhoor van de verdachte ( [eisende partij] ) d.d. 22 oktober 2024 is – voor zover relevant – het volgende opgenomen (O = opmerking verbalisant, V = vraag verbalisant en A = antwoord verdachte):

“(…)

O: Zoals ik u eerder vertelde bent u aangehouden voor beletten en belemmeren, wederspannigheid & belediging.

V: Wat kun u hierover verklaren?

A: Ik heb 112 gebeld want ik ging rond 00.30 uur naar boven en zag mijn vrouw wegdraaien. Ze sukkelt al lang met haar gezondheid. Ze heeft een verwijde aorta, iets aan de longen en wil nooit niets weten van artsen. Die aorta staat op springen, ze had last van duizeligheid de afgelopen week en ze lag total loss in bed. Dat is de manier hoe ik het beschreef. Zij was niet total loss, ik bedoelde niet bewusteloos, maar ze bewoog heel traag. Ze was er wel, maar niet 100% bij bewustzijn.

De meldkamer begon mij aan de telefoon allemaal vragen te stellen die ik niet kon beantwoorden. Aan de telefoon zei de telefoniste dat ik de vragen niet wilde beantwoorden. Uiteindelijk heb ik het gesprek afgekapt en belde ik de huisartsenpost. Op de een of andere manier kwam diezelfde mevrouw van de meldkamer terug op de lijn en nam zij contact met mij op. Ik heb de huisartsenpost niet gesproken en van de meldkamer van 112 ook geen bevestiging gehad dat er een ambulance aangestuurd werd.

Toen zei ze op een gegeven moment dat zij de politie ging bellen en ik zei dat ik dat ook zou doen. Ik weet niet zeker of ik daadwerkelijk nog gebeld heb of niet. Er kwam uiteindelijk een surveillancewagen aanrijden. Toen ik de deur opende zeiden de verbalisanten dat de ambulance eraan kwam. Ik zei dat ik geen politie nodig had, maar dat ik aan het wachten was op de ambulance. Inmiddels kwam er een tweede surveillancewagen aan.

In de veronderstelling dat ik in mijn eigen huis naar mijn zieke vrouw mag, liep ik de trapjes op richting de hal van mijn woning, en werd ik naar de grond gewerkt door 3 of 4 verbalisanten en werd ik een meter of 3 weg gesleurd.

V: Hebben de collega’s kenbaar gemaakt wat ze kwamen doen?

A: Nee, ik deed de deur open en vertelde dat ik de ambulance had gebeld. Ik draaide mij om en hop, ze zaten bovenop mij. Wat ik er van kan terug draaien is het volgende: ik heb vanochtend met [persoon] gesproken, werkzaam als inspecteur in [plaats 2] , en hij zei dat er mogelijk een bericht was van de meldkamer dat zij geluid op de achtergrond hoorden. Mijn vrouw heeft misschien gedraaid of gekreund tijdens het telefoongesprek. Ik werd steeds pissiger aan de telefoon en de mevrouw van de meldkamer heeft dit misschien geïnterpreteerd als huiselijk geweld. Zij zei op enig moment: “Ik hoor uw vrouw”. Hierop antwoorde ik : “Ik niet.”. Maar ik ben doof, dus het kan best zijn dat ik het niet hoorde. In mijn telefoongesprek met mijn vrouw vanochtend, bevestigde zij dit verhaal. Dat is misschien de reden dat er 4 verbalisanten op mij zaten omdat zij dachten door de meldkamer dat er huiselijk geweld plaatsvond. Ik denk dat iemand iets verkeerd heeft geïnterpreteerd.

V: Begrijpt u, nu u het verhaal zo hoort, dat er gedacht wordt aan huiselijk geweld?

A: Ja, maar ik vind niet dat ze dan meteen op mij moeten springen, maar dat zij eerst eens moeten controleren wat het verhaal precies is.

En daar begint het hem juist, de wederspannigheid, ik wilde mijn eigen huis in, naar mijn vrouw. Ik kreeg geen tekst en uitleg en werd tegengehouden in mijn eigen huis.

Ik ben 15 oktober 2024 geopereerd aan mijn ruggenwervel en gaf dit aan tegen de verbalisanten die mij naar de grond werkten. Zij hadden hier geen boodschap aan. Ik heb hier nu last van. Ik krijg regelmatig een soort van verdoving. Het heeft enige tijd nodig voordat die gaat zitten waar hij moet zitten. Omdat de operatie net geweest is, zat het nog niet goed. (…)

V: Waarom wilde u de politie niet uw woning inlaten om mogelijke zorg aan uw vrouw te kunnen verlenen?

A: Dat weet ik niet. Toen zat ik al geboeid in de auto. Ik ben niet meer binnen geweest. Ik wilde ze binnen laten, maar mocht zelf niet mee naar binnen. Toen ik zei kom maar en vooruit liep, hadden ze mij al te pakken. Met een beetje praten had ik misschien mijn vrouw in de ambulance geschoven zien worden, maar ik heb haar niet meer gezien. Ik heb wel de ambulance gezien, met de klep open toen ik afgevoerd werd. Mijn vrouw lag er toen nog niet in.

O: De politie wilde, voor het verlenen van hulp, uw woning betreden. In bevindingen van de verbalisanten werd benoemd dat u de deur versperde. Door de deuropening te versperren en de politie niet binnen te laten belemmert u hen tijdens hun werkzaamheden.

V: Wat wilt u hierover verklaren?

A: Dat is niet waar. Ik stond in de deuropening om vooruit te gaan naar boven, om ze de weg te wijzen. Toen werd het duwen en trekken en lag ik buiten.

Het is raar dat ik 112 bel voor een ambulance en dat de politie aan de deur staat. Ik heb niets geblokkeerd.

O: Tegen u wordt meermaals gezegd dat u buiten moet blijven wachten, dit deed de politie, omdat zij een veilige werkomgeving wilde creëren voor hun collega’s en de ambulance die onderweg was. Uw gedrag belemmerde dit.

V: Waarom luisterde u hier niet naar en wilde u telkens weer opstaan?

A: Ik wilde naar mijn vrouw. Ik belde een hulpverlener om mijn vrouw die doodziek op bed ligt te helpen. Als dan in een keer 4 personen zeggen dat ik mijn huis niet binnen mag, dan is dat wel vreemd. Het is toch vreemd dat ik mijn eigen huis niet in mag om bij mijn vrouw te zijn. Ik wou ze gewoon voor gaan. Ik stond op de bovenste tree van het plateau bij de voordeur en er werd al aan mij getrokken. Ze zeiden: “U blijft hier.” Ik zei tegen hen: “Het is mijn huis, ik loop even voor, dan weet je waar je moeten zijn.”

O: Volgens de politie was u verbaal en fysiek agressief.

V: Begrijpt u dat de collega’s wilde zorgen voor een veilige werkomgeving voor hun collega’s het ambulance personeel en u met deze reden buiten de woning hielden?

A: Nee, dat begreep ik dus niet. Dat verbaal agressief begon pas toen ze zeiden dat ik buiten moest blijven. Ik wilde ze binnenlaten en de weg wijzen. Nu begrijp ik waarom, omdat je begint over de veilige werkomgeving. Voor mij was het op dat moment veilig, dus op dat moment begreep ik het niet. Als ze gewoon gezegd hadden wat ze komen doen… Ik zie vertrouwde collega’s, ik heb 40 jaar bij de zelfde baas gewerkt, voor mij was het een veilige omgeving. Ik wilde er voor zeggen dat mijn vrouw zo snel mogelijk naar het ziekenhuis kon gaan. De communicatie van de verbalisanten is niet goed gegaan. Ik had deze reactie niet verwacht, het was gastvrij bedoeld om voorop te gaan en ze de weg te wijzen. Ik ben 8 jaar uit dienst, maar ben in hart en ziel politieman.

O: Uit uw verhaal haal ik dat u niet realiseerde dat de meldkamer mogelijk de melding iets anders had uitgegeven. Niet alleen met betrekking tot gezondheid, maar ook mogelijk huiselijk geweld.

A: Ik had een heel ander beeld. Ik wilde alleen maar zorgen dat mijn vrouw zo snel mogelijk naar het ziekenhuis kon gaan. Meer niet. Ik twijfel aan de deskundigheid van de centralisten van de ambulance. Ik was ook verrast dat er twee politieauto’s voor de deur stonden. Was mij van geen kwaad bewust.

O: U zat op enig moment op uw achterwerk op de grond naast uw woning. U sloeg met uw hand op de knie van een van de agenten.

V: Wat wilt u hierover verklaren?

A: Ik zat niet op mijn achterwerk toen ik die collega sloeg, ik lag op mijn buik. Met mijn neus in de stoeptegels. Er zat er eentje aan mijn hoofd te duwen, tegen de stoeptegels. Eentje zat op mijn arm en ik heb eentje met mijn hand tegen de knie gestompt. Als reactie werd ik meteen tegen mijn bovenbeen geschopt door een verbalisant. Dat verwacht ik niet van een politieagent. Dit was zeker niet proportioneel. Ik lag op mijn buik, kon geen kant op. Ik werd tegen mijn hoofd geduwd en er werd op mijn arm geduwd. Toen ik de ene agent tegen zijn knie stompte, werd ik meteen geschopt door een agent.

O: Wij hebben foto’s gemaakt van het zichtbare letsel aan het been, de armen en het hoofd.

V: Wat was uw doel van deze slag?

A: Op dat moment hadden zij mij al een heel stuk over de grond gesleept en het slaan was het enige wat ik kon doen. Dit was een verdediging reactie, omdat ik dit niet verwachtte. Vervolgens werd ik geboeid.

O: Uit de bevindingen maken wij op dat u op uw achterwerk zat, met de rug tegen de muur en dat een agente haar hand op uw schouder had om u op de plek te houden. U probeerde telkens op te staan en pakte de hand van de agente, streek uw bebloede arm over haar onderarm terwijl zij van te voren zei dat u van haar af moest blijven, omdat zij geen bloed van u op zich wilde krijgen.

V: Met welke reden deed u dit?

A: Dat deel herinner ik mij niet. Wel dat ik bij de voordeur zat en dat ik daarna naar de grond gewerkt ben door 2 of 3 man. Een vrouwelijke blonde collega hield mijn voorhoofd tegen de stoeptegels. Een andere man hield mijn arm vast en er was er nog een die tegen mijn bovenbeen schopte. Dat bloed afsmeren herinner ik mij niet.

V: Begrijpt u dat de agente zich vies voelde, omdat u uw bloed aan haar arm afveegde?

A: Als dat zo is, begrijp ik dat wel.

O: U noemde de collega’s ‘een stelletje mongolen en varkens’.

V: Waarom zei u dat?

A: Ze halen mij bij mijn eigen deur weg, ik zie mijn vrouw niet meer naar het ziekenhuis gaan, er is niet te communiceren met de collega’s. Schelden doet geen pijn, is misschien kinderachtig. Maar gezien de omstandigheden, is daar niks mis mee in dit verhaal.

V: Begrijpt u, als oud politiemedewerker, dat de collega’s zich hierdoor in hun goede naam en eer aangetast voelen?

A: Nee. Ik vind dat mijn naam en eer is aangetast. Ik ben 68 jaar en word door 4 snotneuzen naar de grond gewerkt. Ik ben vroeger ook vaak zat uitgescholden, dat doet geen pijn. Ik vind dit niet eens de moeite om het erover te hebben. Ik zat in een andere roes.

V: Wat is de reden dat u, als oud politiemedewerker, zich op deze manier gedroeg tegen de politieagenten?

A: Dat hele theater wat eraan vooraf ging. Elke politieagent kan koffie komen drinken, maar niet op deze manier. Ik heb op enig moment nog geroepen, op het laatste moment, dat ik ook 40 jaar bij de politie gewerkt heb, maar dit optreden was niet professioneel van hun.

(…)”

In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 oktober 2024 van de vier bij het incident aanwezige agenten is het volgende opgenomen:

“Op dinsdag 22 oktober 2024 waren wij, verbalisanten [agent 1] , [agent 2] , [agent 3] en [agent 4] , dienstdoende in het werkgebied [plaats 1] en [plaats 2] . (…)

Op bovengenoemde dag en datum, omstreeks 0.55 uur, krijgen wij de melding om met spoed te gaan naar de [adres] in [woonplaats] . Hier zou een vrouw buiten kennis zijn en een man, de melder, agressief richting de meldkamer zijn. Wij zagen dat de melder dhr. [eisende partij] betrof. Tijdens het aanrijden naar bovengenoemd adres zagen wij dat de melder ondertussen had ingebeld bij onze meldkamer. Wij zagen in de melding dat mevrouw duizelig was in haar en bijna bewusteloos in bed zou liggen. De collega had mevrouw op de achtergrond gehoord. De collega had de verbinding verbroken, omdat de melder zeer vervelend zou zijn en geen antwoorden wilde geven op de vragen die gesteld waren.

Op bovengenoemde dag en datum, omstreeks 1.05 uur, kwamen wij, verbalisanten [agent 1] en [agent 2] , ter plaatse bij bovengenoemd adres. Wij belden aan en even later werd de deur geopend door een man. Wij vroegen wat er aan de hand was en waarom hij gebeld had. Wij hoorden de man zeggen dat zijn vrouw doodziek was en dat hij had gebeld voor een ambulance. Hij zei dat ze bij de meldkamer van de ambulance allerlei vragen hadden gesteld, waar hij geen antwoord op kon geven.

Ik, [agent 2] , vroeg aan hem wat er dan was met zijn vrouw. Ik hoorde hem zeggen dat hij dat niet wist en geen medicus was. Ik vroeg aan hem hoe het nu met haar was en waardoor ze zich zo slecht voelde. Hij zei dat hij dat niet wist en de ambulance wilde.

Wij zeiden tegen hem dat de ambulance onderweg was en dat wij bij zijn vrouw wilde kijken of het goed met haar ging. Hij zei dat we niet naar binnen mochten. Vanwege het feit dat in eerste instantie de vrouw buiten kennis zou zijn en later volgens de melder doodziek zou zijn, wilde wij naar binnen gaan om te controleren hoe het met mevrouw ging, om eventueel medische hulp te bieden en om medische informatie te vergaren voor het ambulance personeel. Wij zagen dat de man voor ons ging staan en de weg naar de voordeur versperde. Ik, [agent 2] , pakte hem vast bij zijn armen. Ik voelde dat hij zijn armen terug probeerde te trekken. Hierop trok ik hem weg bij de voordeur, zodat mijn collega naar binnen kon. Ik voelde dat hij zijn armen en lichaam in tegengestelde richting probeerde te bewegen dan waar ik hem naartoe bracht.

Ik, verbalisant [agent 1] , liep de woning in en zocht naar de vrouw. Ik liep de trap op en liep in de richting van de slaapkamer. Ik riep dat ik van de politie was en dat ik wilde weten hoe het met haar ging. Toen ik de slaapkamer in liep, zag ik een vrouw in bed liggen. Ik vroeg hoe het met haar ging. Ik hoorde haar zeggen dat ze zich doodziek voelde. Ik vroeg aan haar of ze kon omschrijven wat ze voelde. Ik hoorde haar zeggen dat het voelde alsof al haar bloed uit haar hoofd weg trok. Ze zei dat ze hartkloppingen had en dat deze erger leken te worden. Ze zei dat ze een aneurysma had. Ik gaf de verkregen informatie door aan de meldkamer.

Omstreeks 1.05 uur, kwamen wij, verbalisanten [agent 3] en [agent 4] , aan op de [adres] in [woonplaats] . Wij zagen dat in de deuropening een man stond en dat de collega’s ij deze man stonden. Deze man wordt vanaf nu genoemd als verdachte. Wij hoorden dat de verdachte zei dat wij niet naar binnen mochten en dat hij de ambulance had gebeld.

Wij hoorden dat de verdachte zei dat hij naar binnen naar zijn vrouw wilde. Doordat de verdachte verbaal aanwezig was, wilde wij hem buiten de woning houden. Om voor onze collega [agent 1] , welke in de woning was voor de hulpverlening van de vrouw een veilige werkomgeving de creëren. Verbalisant [agent 1] betrad de woning voor het verlenen van hulp, politiewet artikel 3. Dit deden wij op grond van de politiewet artikel 7 lid 2.

Wij zeiden meermaals tegen de verdachte dat hij buiten moest blijven en dat de ambulance onderweg was. De verdachte trachtte meermaals zich richting de ingang van de woning te bewegen.

Waarop wij, verbalisanten [agent 3] en [agent 4] , de verdachte bewogen zodat hij voor de woning met zijn knieën op de grond kwam te zitten. Wij zagen dat hij een open wond had op zijn linkerarm en dat hier vers bloed om heen zat. Wij voelde meermaals dat de verdachte kracht zetten om op te staan. Wij zeiden meermaals tegen de verdachte dat hij moest blijven zitten.

Doordat de verdachte meermaals probeerde op te staan, bewogen wij de verdachte zodat hij op zijn achterwerk ging zitten. Wij verbalisanten [agent 3] en [agent 4] , zagen dat de verdachte op zijn achterwerk met zijn rug tegen de muur van het huis zat.

Verbalisant [agent 4] stond aan de rechterzijde van de verdachte. Wij zagen dat de verdachte met zijn hand een klap gaf tegen de rechterknie van verbalisant [agent 4] . Ik, verbalisant [agent 4] , weet niet meer met welke hand hij mij sloeg.

Om het verzet te breken, trapte ik, verbalisant [agent 4] , met mijn rechtervoet één keer tegen het onderlichaam/been van de verdachte.

De verdachte bleef tegenwerken door continu proberen op te staan. Ik, verbalisant [agent 3] had mijn hand op de linkerschouder van de verdachte zodat als hij omhoog wilde komen ik hem naar beneden kon bewegen. Wij hoorden dat de verdachte zei dat we van hem af moesten blijven. Ik, verbalisant [agent 3] had mijn hand op de verdachte zijn schouder, de verdachte pakte meermaals mijn hand en duwde deze van zijn schouder. Ik, verbalisant [agent 3] zei tegen de verdachte dat hij met zijn handen van mij af moest blijven omdat ik geen bloed van hem op mij wilde. Ik zag dat de verdachte met zijn rechterhand mijn linkerhand pakte. Ik zag dat hij mijn hand naar zijn linkerhand bewoog. Ik zag dat hij met zijn bebloede wond op zijn linkerarm over mijn linkerarm streek. Ik, trok mijn arm los. Ik zag dat op mijn linkerarm boven mijn pols bloed had zitten. Ik, verbalisant [agent 3] voelde mij verbaast dat de verdachte mij bewust onder smeerde met zijn bloed. Ik, voelde mij vies dat het bloed van de verdachte op mijn onderarm zat.

Aangezien wij, verbalisanten, door het verzet van de verdachte werden belemmerd bij de uitvoering van bovengenoemd wettelijk voorschrift conform artikel 7 Politiewet. Wij wilden de veiligheid van onze collega in de woning waarborgen en voor het ambulance personeel wat onderweg was. Hierom hielden wij, op dinsdag 22 oktober 2024, om 01.15 uur, verdachte [eisende partij] aan voor het beletten en belemmeren.

De verdachte werd met zijn buik naar de grond gebracht. De transportboeien werden aangebracht. Tijdens het verplaatsen naar het dienstvoertuig hoorden wij dat de verdachte zeiden dat we ‘een stelletje mongolen’ waren.

Wij, verbalisanten [agent 1] en [agent 2] , vervoerden de verdachte naar het cellencomplex in [plaats 2] . Tijdens de autorit naar het cellencomplex hoorden wij dat de verdachte ons ‘varkens’ noemde. Door de aanhoudende belediging van de verdachte voelde wij ons in onze goede naam en eer aangetast.

Wij, verbalisanten [agent 4] en [agent 3] , waren in de woning met de vrouw van de verdachte. Ik, verbalisant [agent 3] zei tegen de vrouw dat ze niet hoefde te verklaren. Ik, vroeg haar of haar man al een wond op zijn arm had. Wij hoorden dat de vrouw zei dat hij een wond had, door het snoeien in de tuin wondjes had opgelopen en dat hij een dunne huid heeft.”

In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 oktober 2024 van de vrouw van [eisende partij] is het volgende opgenomen:

“* Haar familie als ook zij gekend is met Aneurysma. Zij zich gisteren niet goed voelde en bang was dat zij nu een Aneurysma had. Zij aan haar echtgenoot had aangegeven zich niet goed voelde. Hierop nam haar man 112 contact op met de ambulancedienst om een ambulance naar hen toe te laten komen op de [adres] te [woonplaats] .

* Haar man zelf hartproblemen heeft en daar medicatie voor krijgt. Dat hij in het verleden ook eens de ambulancedienst had gebeld maar dat men hem niet meenam. Later bleek dat hij een hartinfarct had gehad. Dat haar man nu slechte ervaring had met het bellen van 112 ambulancedienst.

* Haar man altijd de rust zelve is, niet gewelddadig is en dat hij een groot rechtsvaardigheidsgevoel heeft. Dat hij naar haar toe wilde gaan maar dit niet toegelaten werd door de politie. Dit hoorde zij. Zij had zelf geen zicht op haar man en de politie die toen terplaatse was.

* Dat haar man erg bezorgd was om haar en dat dit hem triggerde.

* dat haar man jaren bij de politie / arrestantezorg gewerkt had en dat hij normaliter erg positief is over de politie. Onlangs zou nog een collega op bezoek zijn geweest.

* Dat haar man geen psychische of geriatrische problemen had.”

[eisende partij] is niet vervolgd voor het incident.

[eisende partij] heeft op 3 december 2024 aangifte gedaan tegen de agenten wegens (zware) mishandeling. De officier van Justitie heeft besloten om niet tot vervolging van de agenten over te gaan. Ter onderbouwing van deze beslissing overwoog de Officier van Justitie als volgt:

“Vooropgesteld dient te worden dat ik geen aanleiding zie om te twijfelen aan de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van de politie. Ook worden deze verbalen grotendeels ondersteund door het verhaal van uzelf en de door u beschreven camerabeelden. U belemmerde de politie in de uitoefening van de taak en bent daarop aangehouden. Ook heeft u de politie beledigd, fysiek geweld gebruikt en uw bloed afgesmeerd aan een arm van een van de verbalisanten.

Voorafgaand aan en tijdens de aanhouding heeft de politie geweld tegen u gebruikt. Dit geweld bestond uit het bij het bovenlichaam beetpakken, u op uw knieën plaatsen, één keer tegen uw ondereen trappen en het met uw buik naar de grond brengen. In uw geval had de politie voldoende reden om u aan te houden. Ook ben ik van mening dat de politie niet anders kon handelen dan geweld gebruiken om uw verzet te staken. Waarbij opgemerkt dient te worden dat de politie het geweld direct gestaakt heeft wanneer de situatie dit toeliet. Ook overweeg ik daarbij dat de politie voorafgaand aan het gebruik van het bovenomschreven geweld u (meermalen) heeft gevraagd om mee te werken.”

[eisende partij] heeft op 28 januari 2025 op grond van artikel 12 Sv een klaagschrift ingediend bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit gerechtshof heeft op 18 december 2025 een beschikking gewezen. In die beschikking is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“Oordeel van het hof

Het hof heeft te oordelen over het incident dat zich in de nacht van 22 oktober 2024 heeft afgespeeld voor de voordeur van klager en is zich ervan bewust dat de gebeurtenis voor klager veel verder reikt: van de 112-melding die niet prettig verliep en waarbij hij mogelijk ten onrechte als verdachte is aangemerkt, tot en met zijn ervaring dat hij tijdens zijn verblijf in de politiecel niet goed is behandeld en waarbij hem medische zorg zou zijn onthouden. Voor de andere omstandigheden die zich hebben afgespeeld, de schade die daaruit voortvloeit en het daaruit ontstane letsel is het aangewezen om andere wegen te bewandelen. Uit het gegeven dat de gemachtigde van klager reeds een aansprakelijkheidstelling en een klacht bij de politie heeft ingediend, leidt het hof af dat klager zich daarvan bewust is en deze wegen ook zal bewandelen.

Ingevolge artikel 7 van de Politiewet 2012 is een politieambtenaar in het kader van de uitoefening van zijn bediening bevoegd geweld te gebruiken indien en voor zover het daarmee beoogde doel deze geweldstoepassing rechtvaardigt (proportionaliteit) en het doel niet op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden bereikt (subsidiariteit).

Vast staat dat klager 112 heeft gebeld en melding heeft gedaan van een medische noodsituatie omdat zijn vrouw – die reeds last van gezondheidsklachten had – onwel was geworden. Naar aanleiding van deze melding zijn de agenten naar de woning van klager gegaan om hulp te verlenen aan zijn vrouw. De politie is bevoegd om op grond van artikel 7 lid 2 van de Politiewet in spoedeisende gevallen ook zonder toestemming van klager binnen te treden. Klager werd gesommeerd buiten te blijven, om voor de agenten een veilige werksituatie te creëren. Klager heeft zich hiertegen verzet en belemmerde de politie in de uitoefening van hun taak.

Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de door beklaagden afgelegde verklaringen, dat zij door klager werden belemmerd in de uitoefening van hun taak en dat zij gebruik hebben gemaakt van enig geweld om klager onder controle te krijgen. Het hof acht het dan ook aannemelijk dat het optreden van beklaagden een direct gevolg is geweest van het verzet van klager om te voorkomen dat beklaagden in zijn woning konden komen en bij zijn aanhouding.

Het hof is van oordeel dat beklaagden hebben gehandeld conform de ambtsinstructie en dat het tegen klager uitgeoefende geweld rechtmatig is geweest. Het hof gaat er van uit dat dit geweld niet buiten de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit is getreden. Het tegendeel kan niet worden vastgesteld op grond van de camerabeelden en de door klager in raadkamer afgespeelde geluidsfragmenten. Ook merkt het hof op dat niet is komen vast te staan dat al het letsel van klager toen en daar door de politie is veroorzaakt.

Nu het toegepaste geweld rechtmatig is geweest en er van uitgegaan wordt dat daarbij proportioneel en subsidiair is gehandeld, valt niet te verwachten dat een later oordelende strafrechter tot een veroordeling van beklaagden zal komen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de officier van justitie in deze terecht van strafvervolging van beklaagden heeft afgezien.

Uit het voorgaande volgt dat het beklag ongegrond is. er wordt beslist als volgt.

Beslissing

Het hof:

Wijst het beklag af.”

[eisende partij] heeft de Politie bij brief van 20 december 2024 aansprakelijk gesteld voor de schade. [verzekeraar] (aansprakelijkheidsverzekeraar van de Politie) heeft de aansprakelijkheid bij brief van 4 maart 2025 afgewezen. [eisende partij] heeft bij e-mailbericht van 20 juni 2025 gereageerd op de afwijzing en aan [verzekeraar] verzocht om alsnog aansprakelijkheid te erkennen. [verzekeraar] heeft bij e-mailbericht van 30 juni 2025 medegedeeld geen aanleiding te zien om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

3. Het geschil

[eisende partij] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. een verklaring voor recht dat de Politie onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld op 22 oktober 2024;

II. de Politie te veroordelen tot betaling van € 2.373,56 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;

III. de Politie te veroordelen tot betaling van € 14.100,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. de Politie te veroordelen tot betaling van € 1.137,08 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

V. de Politie te veroordelen in de proceskosten, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[eisende partij] legt een onrechtmatige daad overeenkomstig artikel 6:162 BW van de Politie jegens [eisende partij] aan zijn vordering ten grondslag. De Politie heeft bij haar handelen op 22 oktober 2024 de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit overschreden. Ook heeft de Politie zonder vooraankondiging geweld gebruikt. De Politie heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel 7 Politiewet 2012 (hierna: de Politiewet). Er is dus sprake van een handelen in strijd met een wettelijke plicht althans van onzorgvuldig handelen van de Politie. Deze onrechtmatige gedraging kan aan de Politie worden toegerekend. Als gevolg van deze toerekenbare onrechtmatige gedraging heeft [eisende partij] schade geleden. Het causaal verband tussen de schade en het handelen van de Politie volgt uit het medisch advies van [adviesbureau] . [eisende partij] vordert de materiële schade op grond van artikel 6:96 jo. 6:162 BW en de immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 2 BW.

De Politie voert verweer. De Politie concludeert tot afwijzing van de vorderingen dan wel tot gedeeltelijke toewijzing, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De politie voert het volgende aan. De Politie betwist dat sprake is van een onrechtmatige handeling van de Politie jegens [eisende partij] . De Politie heeft bij de uitoefening van het geweld, waartoe zij bevoegd is op grond van artikel 7 Politiewet, in overeenstemming gehandeld met de proportionaliteit en subsidiariteit. De Politie heeft [eisende partij] meermaals verzocht om mee te werken en rustig te blijven. Dit maakt dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Voorts stelt de Politie zich op het standpunt dat [eisende partij] de gestelde schade niet voldoende heeft aangetoond en dat ook niet is aangetoond dat deze schade het gevolg zou zijn van het handelen van de politie. Bij [eisende partij] is namelijk sprake van een predispositie. Tot slot doet de Politie een beroep op eigen schuld overeenkomstig artikel 6:101 BW.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Het toetsingskader

Voor het aannemen van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is vereist dat sprake is van onrechtmatig handelen, van schade en van causaal verband tussen dat onrechtmatig handelen en de schade (artikel 6:162 lid 1 BW). Als onrechtmatige daad kan worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond (artikel 6:162 lid 2 BW).

In artikel 3 van de Politiewet is bepaald dat de politie onder meer tot taak heeft te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van artikel 7 lid 1 van de Politiewet is een politieambtenaar bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken. De politie heeft daarbij een grote mate van vrijheid. Politieagenten zijn niet alleen bevoegd om onder bepaalde omstandigheden geweld te gebruiken in de uitvoering van hun maatschappelijke taak, maar dit wordt ook van hen verwacht wanneer de noodzaak hiertoe bestaat. Waar een ander in een gevaarlijke situatie kan terugtreden om te voorkomen dat hij geweld zal gebruiken, wordt van een politieagent juist verwacht dat hij in die situaties optreedt en actie onderneemt. De vrijheid om geweld te gebruiken is niet onbeperkt, omdat de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit daarbij niet mogen worden overschreden: de politie moet optreden op een manier die voor de betrokkene het minst bezwarend is (subsidiariteit) en er moet een redelijke verhouding zijn tussen de wijze van optreden en het beoogde doel van dat optreden (proportionaliteit). Als die grenzen worden overschreden, is sprake van onrechtmatig geweldsgebruik. Uit artikel 7 lid 1 van de Politiewet volgt verder dat aan het gebruik van geweld zo mogelijk een waarschuwing voorafgaat.

De Hoge Raad heeft bepaald dat, indien sprake is van een schadevergoedingsvordering uit onrechtmatige daad jegens de Politie, door een gewezen verdachte die is aangehouden op grond van de verdenking dat hij een strafbaar feit had gepleegd, maar vervolgens niet is vervolgd, het volgende geldt. Vereist is in dat geval dat sprake is geweest van hetzij het gebruik van een dwangmiddel in strijd met regels van geschreven of ongeschreven recht, waaronder begrepen het geval dat de toepassing van het dwangmiddel in de gegeven omstandigheden zo disproportioneel was dat zij daarom in strijd met de zorgvuldigheid kwam, hetzij een gedraging die in het geheel niet als het gebruik van enig dwangmiddel kan worden opgevat. Het enkele feit dat een bepaalde methode van aanhouding en het eventuele geweld daarbij dat leidt tot letsel bij de aangehouden verdachte, brengt nog niet met zich dat het optreden van de politie disproportioneel is en dat zij aansprakelijk is voor het daarbij ontstane letsel.

Bij de beoordeling van het handelen van politieagenten in gevallen als het onderhavige, moet terughoudendheid worden betracht. De rechter mag niet, achteraf oordelend, zijn eigen beoordeling in de plaats stellen van die van een politieagent ‘in de hitte van de strijd’. Beoordeeld moet worden of het toegepaste geweld aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldoet, niet of de politieagent redelijkerwijs een andere keuze had kunnen of zelfs had moeten maken. Voor die beoordeling gaat het niet alleen om wat er objectief gezien kan worden vastgesteld over het moment van geweldstoepassing, maar ook om de subjectieve beleving zoals daarvan sprake is geweest bij de betrokken politieambtenaren.

Voldaan aan artikel 7 Politiewet?

Tussen partijen is niet in het geschil dat de agenten op 22 oktober 2024 enig geweld hebben toegepast tegen [eisende partij] . De vraag is of dit geweld voldoet aan artikel 7 van de Politiewet. Volgens [eisende partij] is dit niet zo omdat de agenten de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit hebben overschreden en ook geen waarschuwing hebben gegeven voordat zij het geweld hebben toegepast. Volgens de Politie hebben de agenten wel degelijk gehandeld overeenkomstig artikel 7 Politiewet en is sprake van een rechtvaardigingsgrond. De stelplicht en bewijslast van feiten die kunnen leiden tot het bestaan van een rechtvaardigingsgrond rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op de Politie, aangezien sprake is van een bevrijdend verweer.

De kantonrechter kan zich voorstellen dat [eisende partij] enigszins verbaasd was toen vier agenten voor zijn deur verschenen, terwijl hij had gebeld voor een ambulance voor zijn zieke vrouw. De agenten waren aanwezig vanwege het onprettige telefoongesprek met de centralist, waarbij [eisende partij] overstuur dan wel agressief reageerde richting de centralist, de vragen van de centralist niet beantwoordde (volgens [eisende partij] kon hij de vragen van medische aard niet beantwoorden) en de centralist de vrouw van [eisende partij] op de achtergrond een kreunend geluid hoorde maken. Daarom werd er gedacht aan huiselijk geweld en zijn de agenten naar de woning van [eisende partij] gestuurd. Uit het proces-verbaal van het verhoor van [eisende partij] volgt dat [eisende partij] dit op het politiebureau ook zo is voorgehouden. [eisende partij] heeft toen verklaard dat hij die gedachtegang kan begrijpen, maar dat de agenten niet meteen op hem hadden moeten springen, maar dat zij eerst hadden moeten controleren wat het verhaal precies was.

De agenten zijn dus vanwege een mogelijke onveilige situatie (een mogelijk gewonde vrouw ten gevolge van huiselijk geweld) naar de woning gegaan. De agenten waren daar eerder dan de ambulance. Uit de opnamen van de camera bij de voordeur van de buren van [eisende partij] (waarop het incident niet te zien is, maar wel (gedeeltelijk) te horen) blijkt niet dat de agenten, zoals [eisende partij] stelt, op gespannen wijze aankwamen bij de woning. De agenten communiceerden aanvankelijk op een rustige toon. Volgens [eisende partij] hebben de agenten niet medegedeeld dat een ambulance onderweg was, maar op de opnamen is te horen dat dit wel is medegedeeld. Volgens de Politie was het voor de agenten gezien de aard van de melding in combinatie met het gedrag van [eisende partij] , zowel tegenover de centralist als tegenover de agenten, belangrijk om de woning binnen te treden zodat de toestand van de vrouw van [eisende partij] kon worden beoordeeld en eventueel eerste hulp kon worden verleend. Dit is immers hun taak op grond van artikel 3 van de Politiewet.

Volgens de Politie heeft [eisende partij] de agenten meteen de toegang tot de woning ontzegd. Volgens [eisende partij] is dit niet zo gebeurd. Volgens [eisende partij] wilde hij aanvankelijk juist samen met de agenten de woning ingaan om hen de weg te wijzen naar de slaapkamer. Op de hiervoor genoemde opnamen is echter duidelijk te horen dat [eisende partij] de agenten de toegang tot de woning heeft ontzegd, hij zegt letterlijk: “Nee, u komt niet binnen”. [eisende partij] heeft ter mondelinge behandeling aangevoerd dat hij dat deed omdat de agenten zeiden dat [eisende partij] niet naar binnen mocht, terwijl hij niet wist waarom dat niet mocht. De agenten hebben de reden daarvoor niet medegedeeld. Als hijzelf niet naar binnen mocht, dan de agenten ook niet, aldus [eisende partij] . Dat [eisende partij] zelf niet mee naar binnen mocht, is echter alleen een blote stelling van [eisende partij] zelf. Door de Politie is dit betwist. Zij heeft aanvullende verklaringen van de vier verbalisanten in het geding gebracht waarin door de vier verbalisanten wordt verklaard dat [eisende partij] meteen de toegang tot de woning weigerde en niet heeft aangegeven dat hij zelf mee naar binnen wilde om de weg te wijzen.

De kantonrechter volgt deze lezing van de verbalisanten.

Na het weigeren van de toegang tot de woning door [eisende partij] is de schermutseling tussen hem en de agenten aangevangen. Dit is geëscaleerd op het moment dat een van de agenten de woning is binnengegaan. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de agenten blijkt daarover het volgende. Uit de houding van [eisende partij] bleek dat hij niet van plan was om de agenten binnen te laten. [eisende partij] had de voordeur versperd en [agent 2] voelde zich genoodzaakt om [eisende partij] met geringe kracht bij de deur weg te halen, zodat [agent 1] naar binnen kon gaan. De agenten hebben toen aan [eisende partij] het bevel gegeven dat hij buiten moest blijven. De Politie heeft over de reden van dat bevel het volgende aangevoerd. [agent 1] is alleen de woning binnengetreden en naar de vrouw van [eisende partij] gegaan. De overige agenten wilden [eisende partij] buiten houden om op die manier een veilige werkomgeving te kunnen creëren voor [agent 1] . [eisende partij] bleef, ondanks de bevelen van de agenten dat hij buiten moest blijven, proberen om naar binnen te gaan en zich verzetten en tegenstribbelen.

[eisende partij] plaatst vraagtekens bij de geloofwaardigheid van de verklaringen van de agenten. Volgens [eisende partij] is hij uit het niets vastgepakt en tegen de grond gewerkt. Uit de opnamen volgt echter dat [eisende partij] meermaals verzocht is om rustig te blijven en mee te werken. Het is begrijpelijk dat [eisende partij] zich druk maakte om zijn zieke vrouw en dat hij graag naar zijn vrouw toe wilde. [eisende partij] had daarentegen, ondanks zijn emoties, moeten schikken naar het bevoegd gegeven bevel - ter waarborg van een veilige werkomgeving van een collega - door de agenten. De kantonrechter ziet geen reden om te twijfelen aan de onder ambtseed afgelegde verklaringen van de vier agenten (zie r.o. 2.6.). De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat het incident heeft plaatsgevonden op die wijze.

Het door de agenten toegepaste geweld (bovenlichaam beetpakken, op knieën plaatsen, één keer tegen onderbeen trappen en met de buik naar de grond brengen) is naar het oordeel van de kantonrechter op de meest laagdrempelige manier aangevangen en passend bij de mate van verzet van [eisende partij] . De kantonrechter beoordeelt het toegepaste geweld daarmee voldoende proportioneel. De agenten hebben [eisende partij] mogelijk nog licht tegen de grond gedrukt zodat hij niet kon opstaan en kon worden geboeid. Dit is volgens de Politie gebruikelijk bij een aanhouding. Dat de agenten hun knieën in de rug van [eisende partij] hebben gezet wordt betwist door de Politie. [eisende partij] heeft ter mondelinge behandeling aangevoerd dat hij ook met zijn hoofd tegen een muur is gegooid. Deze stelling wordt echter nergens door onderbouwd. De kantonrechter ziet ook ten aanzien van de mate van geweld geen reden om te twijfelen aan de onder ambtseed afgelegde verklaringen van de agenten, waarin niets is opgenomen over het plaatsen van knieën in de rug van [eisende partij] of het gooien van [eisende partij] tegen een muur. De verwondingen van [eisende partij] passen ook bij de verklaringen van de agenten. Dat er meer of forser geweld is toegepast, is niet aannemelijk.

De kantonrechter volgt het standpunt van [eisende partij] niet dat de Politie minder hard, maar in feite zelfs helemaal niet had hoeven ingrijpen. Gezien de verklaringen van de agenten en de opnamen dienden de agenten wel in te grijpen vanwege het gedrag van [eisende partij] . Aan het subsidiariteitsvereiste is dus ook voldaan. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben de agenten in de situatie gehandeld op een manier die voor [eisende partij] het minst bezwarend is en is de redelijke verhouding tussen de wijze van optreden en het beoogde doel van dat optreden gegeven. De feiten en omstandigheden rechtvaardigen het toegepaste geweld. De kantonrechter merkt nog op dat een expliciete waarschuwing, zoals correct aangevoerd door de Politie, geen absolute plicht betreft. De talrijke mededelingen van de agenten dat [eisende partij] rustig moest blijven en de verzoeken tot medewerking zijn in deze voldoende.

Conclusie

De conclusie is dat het handelen van de agenten voldeed aan de vereisten van artikel 7 van de Politiewet. Dit betekent dat er een rechtvaardigingsgrond bestond voor het door de agenten toegepaste geweld en er dus geen sprake is van een door de Politie gepleegde onrechtmatige daad.

Dit leidt ertoe dat de vorderingen van [eisende partij] worden afgewezen. De kantonrechter komt dan ook niet toe aan een bespreking van het causale verband, de hoogte van de gevorderde schade en het beroep op eigen schuld van de Politie.

Tot slot

De kantonrechter kan zich voorstellen dat de uitkomst van deze procedure teleurstellend is voor [eisende partij] , des te meer omdat [eisende partij] zelf meer dan 40 jaar in dienst is geweest bij de Politie. [eisende partij] is tevens teleurgesteld in het handelen van de Politie na het incident, met betrekking tot hoe hij behandeld is gedurende de nacht in het cellencomplex, maar ook de weken daarna waarin niemand van de Politie contact met hem heeft opgenomen. [eisende partij] had dit wel verwacht na zijn lange dienstverband.

De kantonrechter dient echter te toetsen aan het wettelijk kader en zoals hiervoor is overwogen leidt dit ertoe dat er geen rechtsgrond bestaat voor vergoeding van schade. Dit doet echter niet af aan het persoonlijke leed dat [eisende partij] , en de kantonrechter begrijpt ook zijn vrouw, nog steeds ervaren. Dat niemand, [eisende partij] niet, maar ook de betrokken verbalisanten niet, deze escalatie hebben gewild, is op de mondelinge behandeling voldoende naar voren gekomen en verwoord. Dat maakt de uitkomst van bovenstaande afweging niet anders.

De proceskosten

[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Politie worden begroot op:

- salaris gemachtigde

864,00

(2 punten × € 432,00)

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.008,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De kantonrechter

wijst de vorderingen van [eisende partij] af,

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na vonnisdatum zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand