RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/352115 / HA ZA 26-207
Vonnis in incident van 5 augustus 2026
in de zaak van
SWECO NEDERLAND BV,
te Venlo ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Volantis ,
advocaat: mr. L.W.J.P.F. Einig ,
tegen
AIB GMBH,
te Duisburg (Duitsland),
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: AIB ,
advocaat: mr. D.F. Spoormans .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 41;
- de exceptie vanwege het ontbreken van rechtsmacht, tevens voorwaardelijk verzoek om regiebeslissing met producties 1 tot en met 8;
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident met productie 1.
Bij haar exceptie van onbevoegdheid heeft de in de hoofdzaak gedaagde partij Volantis BV de rechtbank verzocht om haar naamsaanduiding te wijzigen in Sweco Nederland BV. Dit, omdat Volantis BV op 1 juni 2026 is gefuseerd met Sweco Nederland BV. Nu Volantis BV ten gevolge van deze fusie is opgehouden te bestaan, heeft de rechtbank het verzoek tot naamswijziging hierbij gehonoreerd. Voor de overzichtelijkheid wordt in dit vonnis dezelfde naamsaanduiding aangehouden als in de processtukken van partijen, te weten ‘ Volantis ’.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten
Volantis is een in Nederland gevestigd ingenieursbureau. AIB is een architectenbureau en gevestigd in Duitsland.
Volantis heeft voor AIB (engineers)werkzaamheden verricht voor twee bouwprojecten, te weten de realisatie van een datacenter in [plaats 1] (hierna: [project 1] ) en de realisatie van een chocoladefabriek in [plaats 2] (hierna: [project 2] ).
Voor [project 1] heeft Volantis aanvullende werkzaamheden verricht. Voor deze werkzaamheden heeft Volantis op 11 december 2024 een bedrag van € 228.889,50 gefactureerd.
Ten aanzien van [project 2] zijn twee facturen van Volantis niet door AIB betaald. Het betreft een factuur van 22 april 2024 ten bedrage van € 15.809,65 en een factuur van 19 juni 2024 ten bedrage van € 78.900,97.
3. Het geschil
In de hoofdzaak
In de hoofdzaak vordert Volantis kort gezegd een veroordeling van AIB tot betaling van:
€ 228.889,50 uit hoofde van de onbetaalde aanvullende werkzaamheden voor [project 1] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 8 oktober 2025;
€ 94.710,62 uit hoofde van de twee onbetaald gebleven facturen ten behoeve van [project 2] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 8 oktober 2025;
€ 3.393,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.
In het incident
Bij dagvaarding heeft Volantis het standpunt ingenomen dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is op grond van artikel 7 lid 1 onder b van de Brussel I-bis Verordening (hierna: de Verordening). Volantis voert aan dat uit voornoemd artikel volgt dat de rechtbank van de lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst zijn of hadden moeten worden verricht, bevoegd is. Omdat het merendeel van de werkzaamheden in Venlo is uitgevoerd, is daarom de Nederlandse rechter volgens Volantis bevoegd.
Volgens AIB is echter niet de Nederlandse rechter, maar de Duitse rechter op grond van artikel 7 lid 1 onder b van de Verordening bevoegd, omdat de diensten van Volantis volgens de overeenkomsten in Duitsland verstrekt werden of hadden moeten worden. AIB vordert daarom in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart.
Voor het geval de rechtbank oordeelt dat zij wel bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, verzoekt AIB te bepalen dat – voordat de zaak voor conclusie van antwoord komt te staan – partijen zich nader mogen uitlaten over het toepasselijk recht in deze zaak en daarover vervolgens een beslissing te nemen. AIB voert daarbij aan dat zij wil voorkomen dat partijen hun stellingen naar zowel het Nederlandse als het Duitse recht moeten inkleden, hetgeen de processtukken onnodig lang maakt en dit partijen noodzaakt om zowel naar Nederlands als naar Duits recht advies in te winnen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling in het incident
Bevoegdheidsincident
De Brussel I-bis Verordening is bepalend voor de vraag of de Nederlandse of de Duitse rechter bevoegd is. Op grond van artikel 4 van de Verordening zou AIB moeten worden opgeroepen voor het gerecht van het land waar zij is gevestigd, te weten Duitsland. Artikel 5 van de Verordening bepaalt echter dat AIB op grond van de artikelen 7 tot en met 26 van de Verordening voor het gerecht van een andere lidstaat kan worden opgeroepen.
Artikel 7 van de Verordening regelt de bevoegdheid ten aanzien van – onder andere – verbintenissen uit overeenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst tussen hen kwalificeert als een overeenkomst van opdracht en deze daarmee onder het bereik valt van artikel 7 van de Verordening.
Artikel 7 lid 1 sub b tweede streepje van de Verordening bepaalt dat AIB moet worden opgeroepen voor het gerecht van het land waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden.
Uit Europese rechtspraak volgt dat de plaats waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden/hadden moeten worden, allereerst moet worden afgeleid uit de bepalingen van de overeenkomst. Als dit niet tot een uitkomst leidt, dan moet worden gekeken naar de plaats waar de werkzaamheden feitelijk werden uitgeoefend. Mocht dit ook geen uitkomst bieden, dan is de woonplaats van de dienstverlener, in dit geval Volantis , beslissend.
Volgens AIB volgt uit de bepalingen van de overeenkomst dat de Duitse rechter bevoegd is, omdat – samengevat – de geleverde diensten van Volantis naar hun aard (gelet op de overeenkomsten) gebonden zijn aan Duitsland. Volantis voert daarentegen aan dat tussen partijen geen schriftelijke overeenkomst is gesloten op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat de door Volantis geleverde diensten zijn gebonden aan Duitsland. Volgens Volantis moet daarom worden gekeken naar de plaats waar de werkzaamheden feitelijk werden uitgeoefend, te weten Venlo .
De rechtbank overweegt als volgt. De werkzaamheden die Volantis uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomsten verrichtte voor [project 1] zien op het ontwerpen van TGA-installaties. Hieronder vallen onder meer verwarming, ventilatie en klimaatbeheersing, sanitaire installaties, elektrotechnische installaties, gebouwautomatisering, brandveiligheid en duurzame en hernieuwbare energiesystemen. Voor [project 2] zien de werkzaamheden van Volantis op het herontwerpen van de installaties voor een nieuwe chocoladefabriek.
Uit de bepalingen van de overeenkomst van partijen, welke wordt gevormd door de correspondentie die als producties 4 tot en met 6 zijn overgelegd, kan worden opgemaakt dat de objecten van de overeenkomsten tussen partijen in Duitsland gelegen zijn. De engineerswerkzaamheden werden verricht ten behoeve van het datacenter in [plaats 1] en de chocoladefabriek in [plaats 2] voor een Duitse Partij. Daar komt bij dat de oplevering van de werkzaamheden van Volantis ook in Duitsland plaatsvond. Een redelijke uitleg van de overeenkomst leidt er dan ook toe dat moet worden aangesloten bij de plaats ten behoeve waarvan de werkzaamheden zijn verricht, te weten Duitsland, omdat die plaats heeft te gelden als de plaats waar de te verrichten prestatie diende te worden geleverd. Dat Volantis de engineerswerkzaamheden, welke bureaumatig van aard zijn, feitelijk verrichte vanuit haar kantoor in Venlo doet aan het voorgaande niets af. De werkzaamheden van Volantis lenen er zich naar hun aard immers voor om op afstand te worden verricht. Het zou daarbij praktisch ondoenlijk zijn om bij een bevoegdheidsvraagstuk zoals die hier aan de orde is, aan te sluiten bij de locatie waar het werk feitelijk is uitgevoerd. De werkzaamheden van Volantis konden immers – te meer door de toenemende mogelijkheden om op afstand te werken – op iedere willekeurige locatie worden verricht en zelfs in een reeks van meerdere landen. Het is in een dergelijk geval dan ook praktisch bezwaarlijk en daarmee niet wenselijk om de feitelijke locatie van de werkzaamheden als aanknopingspunt te hanteren; de betrokken bepalingen dienen derhalve niet te worden uitgelegd zoals Volantis heeft verdedigd. De rechtbank concludeert dan ook dat de Duitse rechter bevoegd is.
Voorwaardelijk incident
Omdat naar het oordeel van de rechtbank de Duitse rechter in deze zaak bevoegd is, wordt aan een beoordeling van het voorwaardelijk incident niet toegekomen.
Proceskosten
Volantis is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in het incident (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Volantis worden begroot op:
- salaris advocaat
€
653,00
(1 punt × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
842,00
5. De beslissing
De rechtbank
verklaart zich onbevoegd van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen,
veroordeelt Sweco Nederland BV in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Volantis niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.