RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/336920 / HA ZA 24-551
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[partij 1] ,
wonende te [plaats 1] (België),
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: ‘ [partij 1] ’,
advocaat: mr. T.E.J. Devens,
tegen
[partij 2] ,
wonende te [plaats 1] (België),
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: ‘ [partij 2] ’,
advocaat: mr. D.A.J. Roomberg.
1. De procedure
Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 12 februari 2025,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met de producties 13 tot en met 26,
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens wijziging en vermeerdering van eis met de producties 13 tot en met 36,
- de akte indiening producties tevens wijziging en vermeerdering van eis van [partij 1] met de producties 37 tot en met 42,
- het B8-formulier van [partij 2] met de producties 27 tot en met 38,
- de spreekaantekeningen van [partij 1] ,
- de spreekaantekeningen van [partij 2] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 januari 2026,
- het B8-formulier van [partij 1] met productie 8,
- de opmerkingen van [partij 2] van 6 februari 2025 ten aanzien van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen zijn broers van elkaar. Zij hebben ook een zus, genaamd [zus] .
[partij 1] , [partij 2] en [zus] bezitten gezamenlijk op persoonlijke titel alsmede via diverse vennootschappen, waaronder de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. (hierna: ‘ [bedrijf 1] ’), een aantal (beleggings)panden en ondernemingen.
Op 1 augustus 2022 hebben [partij 1] , [partij 2] en [zus] het pand aan [adres 1] te [plaats 2] gezamenlijk aangekocht. [partij 2] is na de aankoop gestart met de verbouwing van dit pand.
In datzelfde jaar besloten [partij 1] , [partij 2] en [zus] een deel van de gezamenlijke bezittingen te verdelen. Begin oktober 2022 bereikten zij daarover overeenstemming en op 2 november 2022 hebben zij een verdelingsovereenkomst getekend. Daarin is overeengekomen dat aan [partij 2] zou toekomen [adres 2] en [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] evenals [adres 7] te [plaats 2] en aan [adres 8] , [adres 9] , [adres 10] en [adres 11] , [adres 12] en [adres 13] te [plaats 2] .
In het kader van voornoemde verdeling heeft [partij 1] een aanvullende overeenkomst (verder: ‘de aanvullende overeenkomst’) opgesteld en toegestuurd aan [partij 2] op 23 november 2022 met de volgende inhoud:
“(…)
Overeenkomst splitsing met huurtegoed.
[partij 2] en [partij 1] zijn akkoord gegaan met de splitsing van onroerend goed onder voorwaarde dat [partij 1] verzekerd is van huurinkomsten totdat zijn panden [adres 9] als ook het pand [adres 8] verzekerd zijn van huurinkomsten.
Dit geldt niet voor de panden [adres 13] en [adres 12] die ook aan [partij 1] gaan toebehoren.
De huurinkomsten die [partij 2] krijgt van [adres 2] , [adres 3] en
[adres 7] dienen gedeeld te worden.
(…)”
[partij 2] heeft [partij 1] op dezelfde dag via Whatsapp als volgt bericht:
“(…)
Bij de verklaring graag erbij; de parkeerplaats [adres 8] , hetgeen verkregen is voor 1 euro, linkerzijde en achterzijde [straat] wordt van mij, alleen hetgeen voorkomt uit de RvS tbv [pand] word van [partij 1] .
(…)”
Bij Whatsapp-bericht van 24 november 2022 heeft [partij 1] aan [partij 2] het volgende laten weten:
“(…)
Lijkt mij beter om de panden ook nu niet te splitten, totdat alles verhuurd is en dan starten wij opnieuw de verdeling van voren af aan. Dit geeft mij meer rust en verzekerd van mijn huurinkomsten. De overdrachtkosten zijn volgend jaar duurder, maar het zij zo. Ik voel mij hier prettiger door en geeft mij meer rust. [zus] kan wel gesplit worden.
(…)”
[partij 2] heeft de aanvullende overeenkomst met door hem gedane aanpassingen vervolgens ondertekend. Via Whatsapp stuurde [partij 2] aan [partij 1] op 23 december 2022 de volgende berichten:
“Het convenant waarbij ik heb getekend dat we de huur zullen delen had ik graag gehad, dit moet nog naar de notaris gestuurd worden.”
(...)
“Jij moet dit ook ondertekenen.”
Op 29 december 2022 hebben [partij 1] , [partij 2] en [zus] ter uitvoering van de partiële verdeling een notariële akte van verdeling ondertekend bij de notaris. Tijdens deze afspraak bij de notaris hebben partijen eveneens de aanvullende overeenkomst getekend, waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen:
“(…)
Overeenkomst splitsing met huurtegoed
[partij 2] en [partij 1] zijn akkoord gegaan met de splitsing van onroerend goed onder voorwaarde dat [partij 1] verzekerd is van huurinkomsten totdat zijn panden [adres 9] als ook het pand [adres 8] verzekerd zijn van huurinkomsten .
Dit geldt niet voor de panden [adres 13] en [adres 12] die ook aan [partij 1] gaan toebehoren.
De huurinkomsten die [partij 2] krijgt van [adres 2] , [adres 3] en [adres 7] dienen gedeeld te worden. De kosten van deze panden worden ook gedeeld. De parkeerplaats komt toe aan [partij 2] (alleen het gedeelte verkregen voor 1 euro uitspraak RvS). Bij het verkrijgen van pand [straat] wordt alleen het blauw gearceerde van [partij 1] . Verder komt alleen, de komende uitspraak van verruiming [pand] aan [partij 1] toe.
(…)”
Op 7 maart 2024 heeft [partij 2] per e-mail het volgende aan [partij 1] bericht:
“Dag,
Je bent begonnen met de verbouwing van [adres 8] , om dit zelf te betrekken als
meubelzaak.
Dit betekent dat het verdelen van mijn huur stopt.
Immers is [adres 9] verhuurd en is voormalig [pand] verhuurd.
(…)”
[partij 1] heeft op 14 oktober 2024 conservatoir beslag gelegd op het pand aan de [adres 7] te [plaats 2] .
3. Het geschil
In conventie
[partij 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn eis onder (iii) vermeerderd met € 1.653,75, omdat volgens hem [partij 2] op 6 januari 2026 dit bedrag (nogmaals) van de gezamenlijke bankrekening van partijen heeft opgenomen als rentevergoeding. [partij 2] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. De rechtbank acht de eisvermeerdering, gelet op de geringe aard en omvang daarvan, niet in strijd met de goede procesorde en laat deze toe.
[partij 1] vordert – na wijziging, vermindering en vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht zal verklaren dat tussen partijen is afgesproken dat [partij 2] aan [partij 1] de helft van zijn huurinkomsten (na aftrek van kosten en belasting zoals weergegeven in de berekening van de accountant) zou voldoen vanaf 1 januari 2023 tot 1 maart 2025;
[partij 2] zal veroordelen tot betaling aan [partij 1] , tegen behoorlijk bewijs van
kwijting, een bedrag van € 197.305,06, binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de rechter vast te stellen periode, althans een veroordeling die de rechtbank in deze geraden acht, te vermeerderen met de wettelijke rente over de vervallen huurtermijnen (voor het eerst vanaf 1 februari 2023), dan wel vanaf 7 maart 2024, en de buitengerechtelijke incassokosten (€ 2.840,87), althans te vermeerderen met de wettelijke rente en incassokosten die de rechtbank in goede justitie vermeent te bepalen;
[partij 2] zal veroordelen tot betaling op de gezamenlijke rekening van partijen met
[rekeningnummer 1] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 5.807,50, binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de rechter vast te stellen periode, althans een veroordeling die de rechtbank in deze geraden acht, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 oktober 2025, althans te vermeerderen met de wettelijke rente die de rechtbank in goede justitie vermeent te bepalen;
[partij 2] zal veroordelen tot betaling aan [partij 1] , tegen behoorlijk bewijs van
kwijting, een bedrag van € 14.035,00, binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de rechter vast te stellen periode, althans een veroordeling die de rechtbank in deze geraden acht, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van ontvangst van die
betaling door [partij 2] op 8 april 2024, althans te vermeerderen met de wettelijke rente en incassokosten die de rechtbank in goede justitie vermeent te bepalen;
[partij 2] zal veroordelen tot betaling aan [partij 1] , tegen behoorlijk bewijs van
kwijting, een bedrag ad € 681,71 ten behoeve van de door [partij 1] gemaakte beslagkosten, althans een veroordeling die de rechtbank in deze geraden acht;
[partij 2] zal veroordelen in de kosten van dit geding, met inbegrip van de nakosten zoals genoemd in artikel 27 lid 4 Rv, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat [partij 2] in verzuim is deze kosten te voldoen.
Aan deze vorderingen legt [partij 1] , kort samengevat, ten grondslag dat [partij 2] de aanvullende overeenkomst dient na te komen en dat hij ten onrechte bedragen aan de gemeenschappelijke rekening heeft onttrokken dan wel niet met [partij 1] heeft gedeeld.
[partij 2] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
[partij 2] vordert dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair: [partij 1] zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij 2] te betalen een bedrag van € 193.568,46 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
1 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
Subsidiair: [partij 1] zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij 2] te betalen een bedrag van € 135.670,03 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
1 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
Meer subsidiair: [partij 1] zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij 2] te betalen een bedrag van € 127.607,23 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
1 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:
I. voor recht zal verklaren dat [partij 1] een derde deel van de verbouwingskosten voor het pand aan [adres 1] te [plaats 2] aan [partij 2] dient te betalen, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
II. [partij 1] zal veroordelen in de kosten van dit geding, onder de bepaling dat hij daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn indien de kosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis zijn betaald.
Aan deze vorderingen legt [partij 2] onder meer ten grondslag dat [partij 1] hem huurpenningen verschuldigd is voor de huur van parkeerplaatsen bij het pand [adres 3] en dat [partij 1] als mede-eigenaar van het pand aan [adres 1] naar evenredigheid in de kosten van de verbouwing van dat pand dient bij te dragen.
[partij 1] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
Rechtsmacht
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of zij bevoegd is kennis te nemen van dit geschil. In deze zaak hebben beide partijen immers woonplaats in België, maar de zaak is door [partij 1] aangebracht bij de Nederlandse rechter. [partij 2] is in de procedure verschenen zonder verweer te voeren met betrekking tot de internationale bevoegdheid. Desgevraagd heeft [partij 2] verklaard zich om proceseconomische redenen aan te sluiten bij het standpunt van [partij 1] dat in dit geval de Nederlandse rechter bevoegd is; daarbij heeft [partij 2] naar voren gebracht dat het geschil goederen en zaken betreft die zich in Nederland bevinden.
De onderhavige kwestie betreft een internationale burgerlijke- of handelszaak, waarbij de gedaagde partij is gevestigd en woonplaats heeft op het grondgebied van een Europese lidstaat, terwijl sprake is van een rechtsvordering die na 10 januari 2015 is ingesteld. Dit betekent dat op onderhavig geschil de ‘Brussel I bis-verordening’ (hierna: ‘Brussel I bis-Vo’) van toepassing is. Het onderhavige geschil heeft een grensoverschrijdend karakter in de zin van de Brussel I bis-Vo nu beide partijen woonplaats hebben in een andere lidstaat dan de lidstaat van de aangezochte rechter. Daarnaast vloeit het internationale aspect voort uit het onderwerp van het geschil: beide partijen wonen in België, terwijl het geschil (onder meer) betrekking heeft op onroerende zaken die zich in Nederland bevinden. Nu [partij 2] voor deze rechtbank is verschenen stelt de rechtbank vast dat zij op grond van artikel 26 Brussel I bis-Vo bevoegd is om kennis te nemen van dit geschil.
Toepasselijk recht
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord welk recht op dit geschil van toepassing is. Deze zaak, waarbij uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen, betreft een internationale burgerlijke- of handelszaak, waarbij beide partijen zijn gevestigd en hun gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van een Europese lidstaat, terwijl sprake is van een overeenkomst die na 17 december 2009 is gesloten. Dit betekent dat de vraag welk recht van toepassing is moet worden beantwoord aan de hand van de ‘Rome I Verordening’ (hierna: ‘Rome I’).
Op grond van art. 3 lid 1 Rome I kunnen partijen zowel een expliciete als impliciete rechtskeuze doen. Van een expliciete rechtskeuze is niet gebleken. Een impliciete rechtskeuze kan volgen uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. In dit geval is daarbij relevant dat dit geschil zich volledig in Nederlandse context heeft afgespeeld. Alle betrokken panden bevinden zich in Nederland en partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. De notariële akte van verdeling, waarop de aanvullende overeenkomst voortbouwt, is naar Nederlands recht bij een Nederlandse notaris opgesteld en gepasseerd. Daar komt bij dat beide partijen in de processtukken zijn uitgegaan van Nederlands recht. Het betreft dus een geschil tussen Nederlanders met betrekking tot vermogensbestanddelen in Nederland. Alleen de woonplaats van partijen bevindt zich buiten Nederland. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank Nederlands recht van toepassing.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de toepasselijkheid van Nederlands recht ook voortvloeit uit artikel 4 lid 3 Rome I: hoewel de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats in België heeft, blijkt uit voornoemde omstandigheden dat de aanvullende overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met Nederland.
In conventie
[partij 1] stelt dat hij met [partij 2] een overeenkomst heeft gesloten (de aanvullende overeenkomst), waaruit volgt dat [partij 2] de huurinkomsten van de in die overeenkomst genoemde panden met [partij 1] zou delen totdat [partij 1] zelf huurinkomsten zou genereren uit zijn panden aan de adressen [adres 9] en [adres 8] . Pas vanaf maart 2025 genereerde [partij 1] zelf huurinkomsten en tot dat moment had [partij 2] zijn huurinkomsten dus moeten delen. Dat is tot op heden echter niet gebeurd en [partij 2] verkeert in verzuim, aldus [partij 1] . Op die grond vordert [partij 1] de nog niet betaalde huurinkomsten van [partij 2] .
[partij 2] betwist niet dat partijen de aanvullende overeenkomst hebben gesloten, maar voert aan dat deze overeenkomst vernietigbaar is wegens misbruik van omstandigheden. Daarnaast betwist [partij 2] dat hij in verzuim is en betwist hij eveneens de door [partij 1] gestelde duur en omvang van de betalingsverplichting op grond van de overeenkomst, in welk verband hij een beroep doet op verrekening. Deze verweren zullen hierna worden besproken.
Overeenkomst vernietigbaar wegens misbruik van omstandigheden?
[partij 2] voert primair het verweer dat sprake is van misbruik van omstandigheden, meer in het bijzonder misbruik van een economische dwangpositie, zodat de overeenkomst vernietigd moet worden. Het was [partij 1] bekend dat [partij 2] de verdeling snel wilde afwikkelen en dat de notariële akte vóór het einde van 2022 gepasseerd moest worden om een hogere overdrachtsbelasting in het nieuwe kalenderjaar te voorkomen. Toch kwam [partij 1] pas eind november met de aanvullende overeenkomst en dreigde hij geen medewerking te zullen verlenen aan het ondertekenen van de notariële akte van verdeling als [partij 2] niet akkoord zou gaan met het delen van de huurinkomsten. [partij 1] heeft zijn positie misbruikt waardoor [partij 2] in een noodtoestand terecht is gekomen.
[partij 1] betwist deze stellingen van [partij 2] . Hij voert aan dat hij nog niet zo lang wist dat een aantal van de aan hem bij de verdeling toe te delen panden niet verhuurd waren. Het was aanvankelijk de bedoeling dat [partij 1] verhuurde panden toebedeeld zou krijgen, maar [partij 2] heeft de verdeling in oktober 2022 zelf gewijzigd. Dit was voor [partij 1] de aanleiding om te vragen om huurdeling. [partij 2] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de aanvullende overeenkomst en is het gesprek met [partij 1] aangegaan. Hij kwam dezelfde dag nog met een tekstvoorstel en stuurde drie dagen later een gewijzigde overeenkomst die zelfs al door hem getekend was. Dit tegenvoorstel was voor [partij 2] ook nog eens bijzonder gunstig, aldus [partij 1] .
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat bij het aangaan van de overeenkomst sprake was van misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Voor een geslaagd beroep op voornoemd artikel is vereist dat [partij 2] door bijzondere omstandigheden is bewogen tot het aangaan van de aanvullende overeenkomst en dat [partij 1] [partij 2] op grond daarvan van het aangaan van die overeenkomst had moeten weerhouden. [partij 2] heeft in dit kader onder meer gesteld dat hij de overeenkomst onder tijdsdruk moest tekenen. De rechtbank volgt [partij 2] daarin niet. [partij 2] was reeds eind november 2022 op de hoogte van het voorstel voor de aanvullende overeenkomst. Hij had vervolgens voldoende tijd om zich te beraden, een deskundige in te schakelen of om zelf nadere voorwaarden te stellen. Dat laatste heeft hij ook gedaan, blijkens de aangepaste overeenkomst die hij heeft teruggestuurd aan [partij 1] . De wijzigingen die [partij 2] heeft doorgevoerd zijn ook in de definitieve aanvullende overeenkomst opgenomen.
Daarnaast heeft [partij 2] gesteld dat hij zich onder druk gezet voelde om de aanvullende overeenkomst te tekenen omdat de overdrachtsbelasting per 1 januari 2023 verhoogd zou worden. Dit acht de rechtbank eveneens onvoldoende om (misbruik van) bijzondere omstandigheden aan te nemen. Dat bij (nadere) onderhandelingen sprake kan zijn van enige druk brengt nog niet mee dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Dat in dit geval sprake is geweest van bijzondere omstandigheden die dat anders maken, of dat [partij 2] in een zwakkere positie verkeerde is niet gebleken. Dit verweer wordt dan ook verworpen. Het beroep van [partij 2] op vernietiging van de aanvullende overeenkomst op grond van artikel 3:44 lid 4 BW gaat daarom niet op.
Duur van de overeenkomst/betalingsverplichtingen
Tijdelijk karakter
Subsidiair betwist [partij 2] de door [partij 1] gestelde duur (tot maart 2025) van de aanvullende overeenkomst. Hij voert hiertoe aan dat een redelijke uitleg van de afspraken meebrengt dat de aanvullende overeenkomst slechts een tijdelijk karakter van enkele maanden had. De overeenkomst staat volgens [partij 2] op gespannen voet met de verdeling tussen partijen en [zus] , waarbij de bedoeling juist was dat iedere partij volledige autonomie zou verkrijgen over de aan hem of haar toebedeelde panden.
[partij 1] betwist dat de aanvullende overeenkomst slechts was bedoeld als kortdurende overbrugging. De tekst van de aanvullende overeenkomst is duidelijk; daarin staat niets over een beperkte tijd. In de aanvullende overeenkomst is immers bepaald dat de afspraak tot het delen van huurinkomsten pas eindigt op het moment dat de beide panden [adres 9] en [adres 8] verzekerd zijn van huurinkomsten. Dat is ook logisch, aldus [partij 1] , nu voor beide partijen duidelijk was dat het pand [adres 8] al geruime tijd leegstond en dat het de vraag was hoe snel dit verhuurd zou kunnen worden. [partij 2] heeft zelf in 2023 aangegeven dat dit pand zonder bestemmingswijziging onverhuurbaar zou zijn. Als partijen een beperkte duur hadden willen overeenkomen, hadden zij dat wel opgenomen in de aanvullende overeenkomst, aldus [partij 1] .
De rechtbank overweegt als volgt. Een overeenkomst als deze moet worden uitgelegd aan de hand van de zogenaamde Haviltex-maatstaf. Deze maatstaf komt er op neer dat de vraag hoe in een contract de verhouding van partijen is geregeld, en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract; voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij zijn van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar wat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.
De rechtbank stelt voorop dat de tekst van de aanvullende overeenkomst vermeldt dat partijen akkoord zijn gegaan met de verdeling van het onroerend goed onder voorwaarde dat [partij 1] is verzekerd van huurinkomsten totdat zijn panden [adres 9] en [adres 8] verzekerd zijn van huurinkomsten (zie rov. 2.9). Daarnaast vermeldt de tekst van de aanvullende overeenkomst dat de huurinkomsten die [partij 2] krijgt van [adres 2] , [adres 3] en [adres 7] gedeeld dienen te worden.
Zowel uit deze tekst als uit de stellingen van partijen volgt dat de strekking van de aanvullende overeenkomst – en daarmee de partijbedoeling – was het opheffen van de onevenredigheid in huurinkomsten ten gevolge van de verdeling. Naar het oordeel van de rechtbank kan, mede gelet op deze partijbedoeling, de overeenkomst niet anders worden uitgelegd dan dat de verplichting van [partij 2] tot het delen van huurinkomsten voortduurt tot het moment dat [partij 1] is verzekerd van huurinkomsten voor zowel het pand [adres 9] als het pand [adres 8] . Dat partijen deze bedoeling hadden volgt ook uit hun onderlinge correspondentie. De voorgaande uitleg past overigens bij de stelling van [partij 2] dat de aanvullende overeenkomst was bedoeld als ‘overbrugging’. De stelling van [partij 2] dat het de bedoeling was dat die overbrugging slechts een paar maanden zou duren vindt echter geen steun in de gestelde feiten en omstandigheden; niet is gebleken dat partijen dat zijn overeengekomen of dat [partij 1] dit zo had moeten begrijpen.
Beroep op het opschortingsrecht
[partij 2] heeft daarnaast aangevoerd dat uit de aanvullende overeenkomst voortvloeit dat op [partij 1] een inspanningsverplichting rustte om zijn leegstaande panden zo snel mogelijk te verhuren. Voor zover dit niet uit de aanvullende overeenkomst blijkt, is sprake van een leemte die aan de hand van de redelijkheid en billijkheid zou moeten worden aangevuld, aldus [partij 2] . Nu [partij 1] aan die inspanningsverplichting niet heeft voldaan, was [partij 2] gerechtigd een beroep te doen op het hem toekomende opschortingsrecht. [partij 2] heeft dit opschortingsrecht bij e-mail van 7 maart 2024 ingeroepen, zodat [partij 1] vanaf dat moment in ieder geval geen aanspraak meer kan maken op verdeling van de door [partij 2] gegenereerde huurinkomsten.
Dit beroep van [partij 2] op opschorting slaagt niet. Op grond van artikel 6:262 BW is bij een wederkerige overeenkomst, indien een der partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daar tegenover staande verplichtingen op te schorten. Anders dan [partij 2] stelt blijkt uit zijn e-mailbericht van 7 maart 2024 (zie rov. 2.10) echter niet dat [partij 2] zijn verplichting tot huurdeling heeft opgeschort. Hij schrijft slechts dat hij stopt met het delen van zijn huur, omdat [partij 1] is begonnen met de verbouwing van het pand [adres 8] , om dit zelf te betrekken. Bovendien verwijst [partij 2] in zijn e-mail niet naar enige inspanningsverplichting die door [partij 1] zou zijn geschonden. Het beroep op opschorting is onvoldoende onderbouwd en faalt dus. Het verweer van [partij 2] inzake de inspanningsverplichting kan verder onbesproken blijven, nu [partij 2] daaraan geen ander rechtsgevolg heeft verbonden dan opschorting.
Einde overeenkomst per 1 september 2023?
Subsidiair voert [partij 2] aan dat het delen van de huurinkomsten per 1 september 2023 is gestopt, omdat op dat moment beide panden verhuurd waren. [adres 9] was verhuurd aan [persoon 1] en [adres 8] was volgens [partij 2] door [partij 1] zelf in gebruik genomen ten behoeve van zijn meubelzaak. Volgens [partij 2] heeft [partij 1] een uitverkoop gehouden in het pand met zowel afgeschreven meubels als nieuwe meubels van zijn eigen bedrijf [bedrijf 2] . Ter onderbouwing hiervan heeft [partij 2] enkele foto’s overgelegd en een bericht op de Facebookpagina van [bedrijf 2] , waaruit volgens [partij 2] zou blijken dat [partij 1] showroommodellen van zijn [bedrijf 2] verkocht.
[partij 1] betwist dat de aanvullende overeenkomst per 1 september 2023 datum is gestopt, omdat [adres 8] op dat moment nog altijd niet verhuurd was en hij het pand ook niet zelf in gebruik had genomen. De uitverkoop had geen betrekking op (nieuwe) meubels van [bedrijf 2] . [partij 1] verwijst in dit verband naar Whatsappcorrespondentie omtrent de verbouwingsuitverkoop. Zo schrijft [partij 1] aan [partij 2] op 15 september 2023 “Dan moet ik iets verzinnen om de goederen te slijten. De tapijten zijn het grootste probleem. Maar ik wil dit niet koppelen aan [bedrijf 2] .” en aan [persoon 2] op 20 september 2023 “Ik wil de naam [bedrijf 2] niet hieraan koppelen. Komen ze straks ook nog terug voor een klacht of krijgt [bedrijf 2] geen goede naam. Moet echt gescheiden zijn”. Daarnaast wijst [partij 1] erop dat [partij 2] wisselende standpunten inneemt met betrekking tot de vraag wanneer het delen van de huurinkomsten zou eindigen. Zo schreef [partij 2] op 21 maart 2024 dat de huurdeling zou stoppen per 1 juni 2024 en op 30 mei 2024 dat vanaf 1 mei 2024 geen huurinkomsten meer zouden worden gedeeld.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de aanvullende overeenkomst per 1 september 2023 is geëindigd. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat [adres 9] met ingang van deze datum aan een derde was verhuurd. Voor [adres 8] was dat echter niet het geval. Dat [adres 8] 10 door [partij 1] in eigen gebruik zou zijn genomen voor de verkoop van zijn meubels is, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [partij 1] , niet gebleken. De stellingen van [partij 1] worden bovendien ondersteund door de verklaring van de zoon van [partij 2] , [persoon 2] , tijdens de mondelinge behandeling. [persoon 2] heeft verklaard dat hij de verkoop van de afgeschreven meubels twee tot drie weken voor zijn rekening heeft genomen en dat hij de opbrengst daarvan mocht houden. Volgens [persoon 2] verkocht [partij 1] de nieuwe meubels. Mede op grond daarvan is voldoende aannemelijk geworden dat [partij 1] de verkoop uit handen had gegeven aan [persoon 2] – waarbij [partij 2] ook heeft geholpen – en dat de opbrengst van de uitverkoop niet aan [partij 1] toekwam. Daar komt bij dat [partij 2] op zitting heeft verklaard dat hij er zelf bij [partij 1] op had aangedrongen om het pand leeg te maken. Dit is de reden voor de uitverkoop geweest. Gelet op de gemotiveerde stellingen van [partij 1] heeft [partij 2] onvoldoende onderbouwd dat [partij 1] het pand in eigen gebruik had door meubels te verkopen. Dat [partij 2] hier destijds zelf ook niet van uitging volgt bovendien uit zijn e-mailberichten van 21 maart 2024 en 30 mei 2024, waarin hij schrijft dat de huurdeling per 1 juni 2024, respectievelijk 1 mei 2024 wordt gestopt. Deze stelling wordt dus verworpen.
Einde overeenkomst per 1 maart 2024?
Volgens [partij 2] is de afspraak tot huurdeling (meer subsidiair) in ieder geval gestopt per 1 maart 2024, omdat [adres 9] toen was verhuurd en [adres 8] door [partij 1] werd verbouwd om vervolgens zelf in gebruik te nemen (en later te verhuren aan [bedrijf 3] ). Ter onderbouwing van zijn argument verwijst [partij 2] naar een e-mail van 7 maart 2024 waarin [partij 1] schrijft:
“(…)
Zoals ik je eerder heb geschreven is dat zodra het pand niet verhuurd wordt, ik per 1-1-2025 zelf erin begin.
Ik ben het huurklaar aan het maken zoals jij ook schreef dat de plafond, vloeren, electriciteit etc vernieuwd en eruit gehaald moet worden om voor de huurder het zo aantrekkelijk mogelijk te maken.
Anders krijg ik het verwijt dat ik niet mijn best heb gedaan om het te verhuren.
(…)”
[partij 1] betwist deze stelling van [partij 2] en stelt – onder verwijzing naar hetzelfde e-mailbericht – dat hij het pand is gaan verbouwen om het aantrekkelijker te maken voor potentiële huurders. [partij 2] was er in maart 2024 van op de hoogte dat [partij 1] aan [bedrijf 3] wilde gaan verhuren, hetgeen blijkt uit de door [partij 1] overgelegde Whatsapp-conversatie.
Naar oordeel van de rechtbank blijkt – anders dan [partij 2] meent – uit bovenstaand e-mailbericht van 7 maart 2024 niet dat de verbouwing diende om het pand zelf in gebruik te nemen. De tekst van het bericht wijst eerder op het tegendeel, namelijk dat [partij 1] inspanningen verrichtte voor de verhuur(baarheid) van het pand en hij het pand pas als de verhuur niet zou lukken (met ingang van 1 januari 2025) zelf in gebruik zou nemen. Daar komt bij dat [partij 1] in het Whatsappgesprek van 20 maart 2024 schrijft: “Indien [bedrijf 3] doorgaat zullen pas de huurinkomsten januari zijn”. Dit ondersteunt niet alleen de stelling van [partij 1] dat hij bezig was met verhuur van het pand aan [bedrijf 3] (en dat [partij 2] daarvan op de hoogte was), maar daaruit blijkt bovendien dat ook voor [partij 2] op dat moment duidelijk was dat er nog geen sprake was van huurinkomsten voor dat pand, terwijl over eigen gebruik van het pand in het geheel niet wordt gesproken. Na de verbouwing is het gelukt om het pand te verhuren aan [bedrijf 3] , zodat het niet tot eigen gebruik is gekomen. De door [partij 2] overgelegde foto’s, waaruit zou blijken dat [partij 1] ook in de periode rond maart 2024 nog uitverkoop hield, maken dit niet anders. Op basis daarvan kan geen eigen gebruik worden aangenomen. Tot slot geldt dat [partij 2] er destijds zelf kennelijk ook niet van uitging dat de huurdeling was gestopt op 1 maart 2024, gelet op zijn e-mailberichten van 21 maart 2024 en 30 mei 2024, waarin hij schrijft dat de huurdeling per 1 juni 2024, respectievelijk 1 mei 2024 wordt gestopt. De rechtbank verwerpt dus ook dit verweer van [partij 2] .
Einde overeenkomst per 1 maart 2025?
Volgens [partij 1] is de verplichting tot huurdeling geëindigd op 1 maart 2025, omdat dat het moment is waarop beide panden aan [adres 9] en [adres 8] waren verzekerd van huurinkomsten. Met ‘verzekerd van huurinkomsten’ in de overeenkomst is volgens [partij 1] bedoeld dat [partij 1] voor beide panden een huurder heeft gevonden die daadwerkelijk huur betaalt en dat voor een redelijke termijn. Pas vanaf maart 2025 ontving [partij 1] ook huur voor [adres 8] en was hij ‘verzekerd van huurinkomsten’ voor beide panden. Het pand was weliswaar verhuurd vanaf november 2024, maar vanwege een verbouwing die moest plaatsvinden door de huurder ( [bedrijf 3] ) is de eerste huurbetaling pas ontvangen op 27 januari 2025 voor de maand februari 2025.
[partij 2] stelt zich op het standpunt dat [partij 1] zijn stellingen met betrekking tot de startdatum van de verhuur en het ontvangen van de eerste huurtermijnen onvoldoende heeft onderbouwd. Het is bovendien niet redelijk dat [partij 2] zou moeten opdraaien voor het feit dat [partij 1] aan zijn huurders gratis huurmaanden weggeeft. Het maken van dergelijke afspraken is de verantwoordelijkheid van [partij 1] en kan niet ten laste van [partij 2] komen, aldus [partij 2] .
De rechtbank stelt vast dat niet wordt betwist dat het pand aan de [adres 8] vanaf 1 november 2024 aan [bedrijf 3] is verhuurd, zodat de rechtbank dat als vaststaand aanneemt. Wel is de rechtbank van oordeel dat [partij 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij op 27 januari 2025 de eerste betaling heeft ontvangen. Uit het overgelegde transactieoverzicht blijkt dit niet, terwijl een andere onderbouwing (bijvoorbeeld door middel van het overleggen van (een deel van) de huurovereenkomst, dan wel andere stukken waaruit de betalingsafspraken met [bedrijf 3] blijken) ontbreekt. Het had op de weg van [partij 1] gelegen deze onderbouwing aan te leveren, zodat het ontbreken daarvan voor zijn rekening dient te komen. Gelet hierop neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat [partij 1] was verzekerd van huurinkomsten voor beide panden vanaf 1 november 2025.
Het voorgaande in ogenschouw nemend concludeert de rechtbank dat voor [partij 2] een verplichting bestond tot het delen van zijn huurinkomsten uit de in de aanvullende overeenkomst genoemde panden in de periode van 1 januari 2023 tot 1 november 2024. Dit betekent dat vordering i. in conventie in zoverre kan worden toegewezen.
Omvang betalingsverplichtingen
[partij 1] vordert in totaal een bedrag van € 197.305,06 aan huurinkomsten van [partij 2] . Dit bedrag bestaat uit de helft van de maandelijkse huurinkomsten ad € 7.794,16 over een periode van 26 maanden (gebaseerd op een berekening van de accountant van partijen) minus de helft van de parkeerkosten ad € 3.509,- en minus een bedrag van € 1.834,10 conform de eisvermindering van [partij 1] .
[partij 2] betwist (de grondslag van) het door [partij 1] berekende bedrag van € 7.794,16 per maand niet, maar voert verschillende verweren tegen de berekening van het door hem verschuldigde totale bedrag.
Bedrag van € 69.803,- in mindering (reeds betaald)
Allereerst voert [partij 2] aan – onder verwijzing naar zijn productie 11 – dat een bedrag van € 69.803,- in mindering moet worden gebracht, omdat dit bedrag reeds aan [partij 1] is betaald in het kader van de huurdeling.
[partij 1] erkent dat hij een bedrag van [partij 2] heeft ontvangen maar betwist dat dit om de huurinkomsten van [partij 2] gaat. Het betrof volgens [partij 1] een bedrag van
€ 65.790,90 aan huur uit hoofde van inkomsten van de eigen panden van [partij 1] die op een vroegere gezamenlijke rekening waren binnengekomen.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is aan [partij 2] – die zich immers op het rechtsgevolg beroept – om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij al een bedrag van
€ 69.803,- inzake huurdeling op grond van de aanvullende overeenkomst aan [partij 1] heeft betaald. Uit het door [partij 2] overgelegde Exceloverzicht kan de rechtbank niet opmaken of dit het geval is. Nu [partij 1] gemotiveerd heeft betwist dat hij betalingen heeft ontvangen uit huurdeling en [partij 2] zijn stelling (ook desgevraagd op zitting) niet nader heeft toegelicht of gemotiveerd, zal de rechtbank aan deze stelling als onvoldoende onderbouwd voorbijgaan.
Kosten tussentijdse leegstand en makelaar
Daarnaast voert [partij 2] aan dat bij de berekening ten onrechte geen rekening is gehouden met de kosten van tussentijdse leegstand van zijn panden en makelaarskosten die zijn gemaakt voor de verhuur. Dit betreft een bedrag van in totaal € 20.498,05; de helft daarvan bedraagt € 10.249,03. Deze kosten moeten volgens hem verrekend worden. Voor de berekening en een korte toelichting verwijst [partij 2] naar de door hem overgelegde productie 15.
[partij 1] betwist dat de genoemde kosten in mindering zouden moeten worden gebracht op zijn vordering. Productie 15 van [partij 2] betreft een aantal geknipte en geplakte screenshots van [partij 2] , zonder verdere toelichting in de processtukken. [partij 1] kan dit niet volgen, laat staan controleren of dit juist is.
De rechtbank is met [partij 1] van oordeel dat de door [partij 2] ingebrachte productie 15, nu dit een zelf opgesteld document betreft, niet te controleren valt en bovendien niet navolgbaar is. De gestelde kosten zijn daarmee onvoldoende onderbouwd. Dit verweer zal dan ook worden verworpen.
Extra hypotheekaflossing € 22.500,-
Voorts voert [partij 2] aan dat hij een extra hypotheekaflossing heeft gedaan van € 22.500,- voor het gemeenschappelijke pand van partijen aan de [adres 14] . [partij 1] dient als mede-eigenaar de helft van dit bedrag (€ 11.250,-) te voldoen, aldus [partij 2] .
[partij 1] betwist deze vordering en voert aan dat [partij 2] de aflossing geheel onverplicht en zonder zijn instemming heeft gedaan. [partij 2] wist volgens [partij 1] dat hij niet zou instemmen, omdat [partij 1] bij herhaling had aangegeven het geld nodig te hebben. Er was dus geen sprake van beheer door de deelgenoten tezamen in de zin van artikel 3:170 BW. Daarom is er ook geen sprake van een verplichting tot bijdragen naar evenredigheid (ex artikel 3:172 BW) volgens [partij 1] .
De rechtbank overweegt als volgt. [partij 1] heeft onweersproken gesteld dat de extra hypotheekaflossing onverplicht en zonder overleg is gedaan door [partij 2] . Op grond van artikel 3:170 BW dient een onverplichte aflossing op de hypothecaire geldlening van een gemeenschappelijk pand door de deelgenoten tezamen te geschieden. Van een handeling dienende tot gewoon onderhoud of behoud van het goed, dan wel een handeling die geen uitstel kan leiden is immers – althans in de context van dit geval – geen sprake. Nu [partij 2] zonder toestemming van [partij 1] is overgegaan tot voornoemde aflossing leidt dit ertoe dat het beroep op verrekening van € 11.250,- in het kader van deze procedure zal worden verworpen.
Delen huurinkomsten [partij 1] .
[partij 2] heeft verder nog aangevoerd dat een redelijke uitleg van de aanvullende overeenkomst – dan wel de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid – meebrengt dat de huurinkomsten van [partij 1] ook moeten worden gedeeld. [partij 1] heeft ook zelf richting [partij 2] uitgesproken dat hij zijn huurinkomsten wilde delen, aldus [partij 2] , onder verwijzing naar een ongedateerde Whatsapp-conversatie. Subsidiair stelt [partij 2] zich op het standpunt dat het beroep van [partij 1] op verdeling van de volledige huurinkomsten van [partij 2] , zonder daarbij rekening te houden met de huurinkomsten van [partij 1] , naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
[partij 1] betwist dat hij is gehouden ook zijn huurinkomsten te delen. De overeenkomst is op dit punt duidelijk: er is alleen gesproken over het delen van de huurinkomsten van [partij 2] , waarbij ook de desbetreffende panden duidelijk zijn benoemd. Als partijen hadden willen afspreken dat ook [partij 1] zijn huurinkomsten zou delen, dan hadden zij dit wel opgeschreven. Van een leemte is dan ook geen sprake, aldus [partij 1] . Ook de redelijkheid en billijkheid, dan wel de uitleg van de overeenkomst brengt volgens [partij 1] niet anders mee. [partij 1] wijst er in dat verband op dat [partij 2] de parking kreeg voor € 1,- als onderdeel van de deal en bovendien conform zijn wensen al de panden in verhuurde staat toebedeeld had gekregen. Dat [partij 1] ooit heeft aangegeven dat hij bereid zou zijn de huren te delen, maakt dit niet anders. Dit Whatsappbericht kwam voort uit wanhoop, nu hij geen euro ontving van [partij 2] en was slechts een poging om nader tot elkaar te komen. Het was niet bedoeld om een afdwingbare verplichting aan te gaan (hetgeen [partij 2] ook begreep) en partijen hebben hier nooit overeenstemming over bereikt.
De rechtbank stelt voorop dat de overeenkomst geen aanknopingspunten biedt voor de stelling van [partij 2] dat partijen zouden zijn overeengekomen dat [partij 1] ook zijn huurinkomsten zou delen. Een dergelijke uitleg volgt noch uit de tekst, noch uit andere omstandigheden van het geval. Ook uit het gedrag van partijen na het tekenen van de overeenkomst blijkt dit niet. Bij wijze van voorbeeld wijst de rechtbank op de Whatsappcorrespondentie waarin [partij 1] aan [partij 2] schrijft “ , de huur ,moet de helft naar mij betaald worden! Basta!”, waarop [partij 2] reageert met “dat weet ik wat zeik je nou”. Indien [partij 1] zijn huurinkomsten had moeten delen, dan ligt het voor de hand dat [partij 2] [partij 1] ook verzocht had om te betalen. Uit een latere e-mail van [partij 2] aan [partij 1] van 21 maart 2024 blijkt ook het tegendeel. [partij 2] schrijft daarin: “Ik zou dat contract hebben opgesteld? Ben je nou knetter, iedereen kan toch zien dat dit eenzijdig is opgesteld in jouw voordeel. Had ik dit gedaan dan hadden we alle panden gedeeld en niet die alleen van mij! Dan had er een datum op gestaan en een maximale termijn.”.
De e-mail van de accountant van 23 december 2022 waarnaar [partij 2] heeft verwezen maakt het voorgaande niet anders. Weliswaar volgt uit die e-mail dat partijen erover gesproken hebben de huuropbrengsten van hun panden voorlopig te verdelen, maar dit is kennelijk niet doorgegaan. Het ongedateerde Whatsappgesprek met [partij 1] , waarin [partij 1] spreekt over het delen van de huren maakt het voorgaande evenmin anders, nu niet alleen onduidelijk is wanneer dit gesprek heeft plaatsgevonden, maar hieraan kennelijk door partijen ook geen vervolg is gegeven. Kortom, voor de door [partij 2] gestelde uitleg van de aanvullende overeenkomst – en voor het feit dat [partij 1] dat ook zo had moeten begrijpen – bieden de processtukken geen steun. Evenmin kan op grond van het voorgaande – waarbij [partij 2] als gelijkwaardige contractspartij de aanvullende overeenkomst heeft ondertekend – worden geconcludeerd dat het beroep van [partij 1] op verdeling van de volledige huurinkomsten van [partij 2] zonder rekening te houden met de huurinkomsten van [partij 1] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het verweer van [partij 2] op dit punt zal dan ook worden verworpen.
Huurdeling pro rato
Ten slotte stelt [partij 2] zich op het standpunt de huurdeling pro rato moet plaatsvinden over de periode dat [adres 9] was verhuurd (van september 2023 tot en met april, dan wel mei 2024) en dat het verschuldigde bedrag aan huurinkomsten daarom naar verhouding verminderd moet worden. Volgens [partij 2] brengt een redelijke uitleg van de overeenkomst, dan wel de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, dat mee.
Dit wordt door [partij 1] betwist. De overeenkomst bevat volgens hem geen leemte. [partij 2] heeft de parking voor € 1,- gekregen en alle panden in verhuurde staat. Er is dan ook heel bewust gekozen voor een constructie, waarbij [partij 2] de volledige huur moest delen van bepaalde panden die aan hem waren toebedeeld tot de beide bij naam genoemde
panden van [partij 1] allebei waren verhuurd. Van naar rato verdelen was geen sprake. Daarbij wijst [partij 1] erop dat [partij 2] dit standpunt niet eerder heeft ingenomen.
Voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 6:248 lid 1 BW is plaats indien een overeenkomst ter zake van een bepaald onderwerp, zoals in dit geval: de pro rato-vermindering van huurdeling, een leemte bevat. Of de overeenkomst een leemte bevat, moet worden bepaald door uitleg van de overeenkomst. De rechtbank ziet die ruimte in dit geval niet. Partijen zijn expliciet overeengekomen dat [partij 1] verzekerd diende te zijn van huurinkomsten totdat zijn panden [adres 9] en [adres 8] verzekerd waren van huurinkomsten en, in verband daarmee, dat [partij 2] zijn huurinkomsten uit de panden [adres 2] , [adres 3] en [adres 7] diende te delen. Daarbij is op verzoek van [partij 2] een aantal aanvullende bepalingen in de overeenkomst opgenomen. Gelet hierop hebben partijen naar het oordeel van de rechtbank een ‘totaalpakket’ aan afspraken gemaakt, waarbij de voor- en nadelen over en weer zijn gecompenseerd. In reactie op het op dit punt gevoerde verweer van [partij 1] had het op de weg van [partij 2] gelegen nader te onderbouwen waarom, ondanks dit totaalpakket (dat ook voordelen voor hem bevatte), toch sprake zou zijn van een leemte inzake de pro rato-vermindering van de huurdeling. Dit heeft [partij 2] nagelaten, terwijl feiten of omstandigheden die op een dergelijke leemte zouden wijzen ook anderszins niet zijn gebleken.
Het voorgaande betekent dat [partij 2] uit hoofde van de aanvullende overeenkomst voor de duur van 22 maanden de helft van zijn huurinkomsten uit de in die overeenkomst genoemde panden dient te delen met [partij 1] . Zoals reeds overwogen betwist [partij 2] niet dat daarbij het bedrag van € 7.794,16 per maand als grondslag dient te worden gehanteerd, zodat de rechtbank dit bedrag tot uitgangspunt zal nemen. Gelet hierop is [partij 2] uit hoofde van huurdeling een bedrag van (22 x € 7.794,16 =) € 171.471,52 aan [partij 1] verschuldigd. Na de eisvermindering van € 1.834,10 en de parkeerkosten van € 3.509,- die [partij 1] in mindering brengt op dit bedrag, resteert een bedrag van € 166.128,42 waarop [partij 1] bij deze stand van zaken recht heeft. Hierna zullen andere stellingen en verweren van partijen worden besproken die mogelijk van invloed kunnen zijn op het bedrag dat aan [partij 1] toekomt.
Wettelijke rente
[partij 1] vordert wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 februari 2023 dan wel vanaf 7 maart 2024. Volgens [partij 1] was sprake van (fatale) maandelijkse termijnen voor het delen van de huur. Daarnaast kunnen de twee e-mails van [partij 2] van respectievelijk 7 maart 2024 en 21 maart 2024 worden opgevat als een mededeling in de zin van artikel 6:83 sub c BW, zodat verzuim is ingetreden zonder een ingebrekestelling, aldus [partij 1] .
[partij 2] betwist dat hij wettelijke rente verschuldigd is: er is geen sprake van fatale termijnen en hij heeft geen ingebrekestelling ontvangen. Daar komt bij dat [partij 1] zelf in verzuim verkeerde vanaf september 2023 omdat hij [adres 8] zelf in gebruik had genomen zodat [partij 2] niet in verzuim kon komen te verkeren, aldus [partij 2] .
Wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van een geldsom. Dat partijen een fatale maandelijkse betalingstermijn zijn overeengekomen is in dit geval niet gebleken: dit blijkt niet uit de tekst van de overeenkomst, terwijl andere feiten of omstandigheden waaruit dit zou kunnen blijken niet, althans onvoldoende gemotiveerd, zijn gesteld. Daarnaast staat vast dat [partij 1] geen ingebrekestelling aan [partij 2] heeft doen toekomen. [partij 1] heeft in januari 2023 weliswaar via Whatsapp een verzoek tot betaling gedaan, maar dit schrijven voldoet niet aan de vereisten van een ingebrekestelling. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat [partij 2] vanaf 1 februari 2023 in verzuim was.
De stelling van [partij 1] dat [partij 2] in verzuim is geraakt op 7 maart 2024 slaagt echter wel. Op die datum heeft [partij 2] per e-mail aan [partij 1] laten weten dat hij geen huur meer zal delen, omdat [adres 8] zelf in gebruik zou hebben genomen. Uit deze mededeling, in combinatie met de omstandigheid dat [partij 2] tot dat moment nog niets had betaald, mocht [partij 1] opmaken dat [partij 2] zijn verplichting niet zou nakomen. Daarmee is (op grond van artikel 6:83 sub c BW) verzuim ingetreden zonder ingebrekestelling. Het verweer dat [partij 1] zelf in verzuim verkeerde waardoor [partij 2] niet in verzuim kon raken slaagt niet, nu de stelling dat [adres 8] zelf in gebruik had genomen, is verworpen (zie rov. 4.17). De gevorderde wettelijke rente zal daarom worden toegewezen van 7 maart 2024 tot de dag van algehele voldoening.
Vordering iii: € 5.807,50 (terug)storten op gezamenlijke rekening
[partij 1] vordert dat [partij 2] een bedrag van € 5.807,50 (terug)stort op de gezamenlijke rekening van partijen. Dit bedrag bestaat volgens [partij 1] uit twee onterechte onttrekkingen aan die rekening van elk € 1.653,75 en het ten onrechte onthouden van betaling aan die rekening van een bedrag van € 2.500,-. De onttrekkingen van € 1.653,75, afgeschreven op 1 oktober 2025 en 6 januari 2026, betroffen door [partij 2] zelf bepaalde vergoedingen inzake rente (van 7,35%) die hij partijen zou hebben bespaard door het versneld aflossen van € 22.500,-. Dit volgt uit de door [partij 2] bij de overboeking van 1 oktober 2025 vermelde omschrijving: “in jan 2024 versneld 22500 euro afgelost en alleen in 2024 liefst 1653,75 euro aan rente bespaard(7,35rente). Volgens [partij 1] bestaat er geen enkele grondslag voor het in rekening brengen van deze rente.
Het bedrag van € 2.500,- betrof een bedrag van € 5.000,- dat een gezamenlijke huurder per abuis had overgemaakt op de voormalig gezamenlijke rekening van [partij 2] , [partij 1] en [zus] (eindigend op - [rekeningnummer 2] ) die (thans) alleen op naam van [partij 2] staat. Daarvan heeft [partij 2] slechts de helft (€ 2.500,-) overgemaakt naar de gezamenlijke rekening, eindigend op -99. [partij 1] vordert dat ook de andere helft (€ 2.500,-) wordt overgemaakt naar die gezamenlijke rekening. [partij 1] beroept zich in dit verband op inbreuk op zijn eigendomsrecht dan wel ongerechtvaardigde verrijking.
[partij 2] voert verweer. Hij meent dat hij recht heeft op de rentebesparingen, omdat deze zijn ontstaan door de hypotheekaflossing die hij heeft gedaan voor het gemeenschappelijke pand aan de [adres 14] en deze aflossing de totale gemeenschappelijke schuld heeft verlaagd. Het bedrag van € 2.500,- betreft slechts een borgsom van een gezamenlijke huurder, welke borgsom noch aan [partij 2] nog aan [partij 1] toebehoort. Dit bedrag wordt gehouden als zekerheid en is daarom niet doorgestort naar de gezamenlijke rekening, aldus [partij 2] .
De rechtbank zal deze vordering van [partij 1] toewijzen nu een grond voor de onttrekking (van de rentevergoedingen) en het onthouden van de borgsom (van € 2.500,-) door [partij 2] aan de gemeenschappelijke rekening ontbreekt. Zoals hiervoor (rov. 4.35) reeds overwogen is de onverplichte aflossing op de hypothecaire geldlening zonder instemming van [partij 1] verricht. Dit heeft niet alleen tot gevolg dat [partij 1] bij de huidige stand van zaken niet is gehouden aan die aflossing bij te dragen, maar ook dat [partij 2] niet is gerechtigd de door die aflossing kennelijk bespaarde rente (door hemzelf berekend) van de gezamenlijke rekening te incasseren. Wat betreft de borgsom is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag op de gemeenschappelijke rekening dient te worden gestort; het betreft immers een aan partijen gezamenlijk toekomende borgsom. Dat een borgsom (naar zijn aard) wordt gehouden als zekerheid maakt dit niet anders. De vordering onder iii. in conventie ligt dus gereed voor toewijzing.
Vordering iv: € 14.035,00 terugstorten op gezamenlijke rekening
[partij 1] maakt verder aanspraak op een derde deel van het bedrag dat [partij 2] op de voorheen gezamenlijke [rekeningnummer 2] heeft ontvangen van de gemeente Maastricht in het kader van de onteigeningsprocedure die de gemeente jegens [partij 1] , [partij 2] en [zus] was gestart. De gemeente heeft de procedure uiteindelijk ingetrokken en er is een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij de gemeente geld heeft uitgekeerd ter compensatie van gemaakte kosten. Volgens [partij 1] moet dit bedrag ad € 42.105,- gelijkelijk worden verdeeld over [partij 2] , [zus] en hemzelf nu zij allen hierbij betrokken waren.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij 2] (voor het eerst) beargumenteerd dat dit bedrag geheel aan hem toe zou komen, omdat de vergoeding van de gemeente de advocaatkosten betrof en deze kosten door [partij 2] zouden zijn betaald. [partij 2] heeft deze stelling slechts onderbouwd door verwijzing naar een door [partij 1] overgelegde e-mail van 5 maart 2024, waarin [partij 2] aan een medewerkster van de gemeente schrijft dat het geen vergoeding betreft, maar restitutie van gemaakte advocaatkosten en dat deze niet aan [partij 1] , maar op [rekeningnummer 2] moeten worden betaald (van welke rekening ook de advocaatkosten zijn betaald). Uit dit e-mailbericht blijkt echter slechts dat het volgens [partij 2] ging om terugbetaling van advocaatkosten. Daarnaast is – voor zover het een vergoeding van advocaatkosten zou betreffen, hetgeen de rechtbank thans in het midden laat – niet duidelijk of die kosten door [partij 2] alleen of door [partij 2] , [partij 1] en [zus] gezamenlijk zijn betaald. Volgens [partij 1] was [rekeningnummer 2] nog gezamenlijk in de relevante periode. De conclusie luidt dan ook dat [partij 2] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het aanbod tijdens de mondelinge behandeling om facturen van de advocaat en betalingsbewijzen over te leggen komt te laat; [partij 2] was reeds vanaf de conclusie van antwoord op de hoogte van deze vordering van [partij 1] en heeft voldoende gelegenheid gehad om voor die tijd de aangeboden stukken over te leggen. Dat hij dit heeft nagelaten komt voor zijn rekening. Gelet op het voorgaande is de vordering van [partij 1] onder iv. bij onvoldoende gemotiveerde betwisting toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
Daarnaast vordert [partij 1] buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 2.840,87. [partij 2] heeft de verschuldigdheid hiervan betwist.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 lid 2 onder c en lid 5 en 6 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [partij 2] in de onderhavige rechtsverhouding een consument is (een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [partij 1] heeft een aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW ( de zogenaamde ‘veertiendagenbrief’) niet overgelegd. Omdat de rechtbank hierdoor niet kan vaststellen dat een correcte aanmaning is verstuurd zal de gevorderde vergoeding worden afgewezen.
Beslag
[partij 1] heeft op 14 oktober 2024 conservatoir beslag gelegd op de onroerende zaken gelegen aan het adres [adres 7] te [plaats 2] . [partij 1] vordert betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden, overeenkomstig de vordering, vastgesteld op € 681,71 voor kosten deurwaardersexploten.
Proceskosten
Gelet op de familierelatie tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
In reconventie
Huur parkeerplaatsen
[partij 2] vordert een bedrag van € 14.036,- van [partij 1] inzake achterstallige huurtermijnen van zijn parkeerplaatsen gelegen achter de [adres 2] , over de periode van 1 januari 2023 tot en met mei 2025. [partij 1] huurt twee parkeerplaatsen voor zijn huurders van [adres 10] en [adres 11] te [plaats 2] . Hiervoor dient [partij 1] de reguliere huurprijs van € 200,- exclusief BTW per maand per parkeerplaats te betalen, aldus [partij 2] .
[partij 1] betwist de hoogte van de huurprijs. Volgens hem bedroeg de huurprijs voorafgaand aan de verdeling van de panden € 100,- exclusief btw per parkeerplaats. De prijs is door [partij 2] na de verdeling (met ingang van september 2024) onterecht eenzijdig verhoogd vanwege disputen tussen partijen. Voorts voert [partij 1] aan dat hij de huur niet betaald heeft omdat [partij 2] zich niet hield aan de afspraak om de huurinkomsten te delen. De huurinkomsten van deze parkeerplaatsen vallen verder onder de afspraak tot het delen van de huurinkomsten, zodat [partij 1] slechts de helft van de verschuldigde huursom is verschuldigd. Met betrekking tot die helft beroept [partij 1] zich op verrekening.
De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat [partij 1] van 1 januari 2023 tot 1 juni 2025 geen huur heeft betaald, zodat dit als vaststaand kan worden aangenomen. De rechtbank stelt verder vast dat de huur van de parkeerplaatsen tot september 2024 steeds € 100,- (exclusief btw) per maand is geweest en dat [partij 2] deze met ingang van september 2024 eenzijdig heeft verhoogd naar € 200,- exclusief btw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij 2] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat hij daartoe gerechtigd was. De mogelijkheid tot tussentijdse prijsverhogingen tijdens de looptijd van de overeenkomst moet immers worden overeengekomen. [partij 2] heeft echter geen overeenkomst overgelegd waaruit dit blijkt, noch heeft hij gesteld dat hierover afspraken zijn gemaakt, en zo ja wat deze afspraken inhielden. [partij 2] stelt weliswaar – naar de rechtbank begrijpt – dat na de verdeling niet langer de huurders van de appartementen huurders van de parkeerplaatsen zouden zijn, maar dat [partij 1] als huurder in hun plaats zou zijn getreden Hij licht echter op geen enkele wijze toe hoe dit – mede in het licht van artikel 7:226 BW (‘koop breekt geen huur’) – mogelijk is en zo ja, op welke wijze deze overgang zou hebben plaatsgevonden. Opzegging of ontbinding van de huurovereenkomst voor de parkeerplaatsen met de huurders van de appartementen is in ieder geval gesteld noch gebleken. Dat [partij 1] zou hebben ingestemd met de huurprijsverhoging maakt het voorgaande ten slotte niet anders, nu dit, gelet op de stellingen van [partij 1] , noodgedwongen is geweest. [partij 1] was immers contractueel verplicht de huurders de parkeerplaatsen ter beschikking te stellen. De rechtbank merkt daarbij ten overvloede op dat, gelet op de stelling van [partij 2] dat ‘in de huurovereenkomsten met de huurders van de appartementen een betaling [was] verdisconteerd van € 100,- per maand per parkeerplek’ niet is uit te sluiten dat de parkeerplaatsen moeten worden aangemerkt als (aanhorigheden bij) gehuurde woonruimte, zodat het huurprijsregime ten aanzien van woonruimte van toepassing is.
Gelet op het voorgaande zal de vordering van [partij 2] , voor zover die is gebaseerd op een huurprijs hoger dan € 100,- (exclusief btw) per parkeerplaats per maand, worden afgewezen.
Een tweede punt dat partijen verdeeld houdt is de vraag of de huur van de parkeerplaatsen behorend bij het [adres 2] valt onder de verplichting tot huurdeling uit de aanvullende overeenkomst. [partij 1] stelt dat dit het geval is. De parkeerplaatsen horen bij het pand. Het pand en de parkeerplaatsen aan [adres 2] zijn destijds ook als één geheel, voor één koopprijs gekocht. Dat de parkeerplaatsen in de aanvullende overeenkomst niet expliciet zijn vermeld betekent niet dat deze niet onder de huurdeling vallen; bij [adres 3] zijn de nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] ook niet genoemd, maar ze horen er wel bij. Dat geldt dus ook voor de parkeerplaatsen bij [nummer 4] . Voor zover sprake is van een leemte in de overeenkomst moeten deze inkomsten op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid worden meegenomen, aldus [partij 1] . [partij 2] betwist dat de parkeerplaatsen onder de huurdeling vallen: dit blijkt niet uit de tekst van de aanvullende overeenkomst en ook niet uit de feitelijke situatie. De parkeerplaatsen hebben namelijk een separate ingang.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de uitleg van de aanvullende overeenkomst, in combinatie met de omstandigheden van het geval, dat de huurinkomsten van de parkeerplaatsen bij [adres 2] wel moeten worden gedeeld. In de aanvullende overeenkomst wordt weliswaar uitsluitend ‘ [adres 2] ’ genoemd, maar uit de akte van verdeling, waarop deze overeenkomst een aanvulling is, volgt dat bij de verdeling is betrokken ‘het bedrijfspand met aanhorigheden, staande en gelegen te (…) [adres 2] (…)’ ter grootte van 1.610 m2. De rechtbank leidt daaruit af dat bij de verdeling de combinatie van het pand en de parkeerplaatsen aan [adres 2] als één geheel zijn beschouwd. Dit volgt ook uit de aan de akte ten grondslag liggende overeenkomst, waarin partijen in de opsomming van de te verdelen onroerende zaken volstaan met de aanduiding ‘ [adres 2] ’. De getaxeerde waarde van ‘ [adres 2] ’ in die opsomming is gelijk aan de in de akte van verdeling genoemde waarde (€ 1.682.000,-), waaruit de rechtbank afleidt dat het om dezelfde (samenstelling van) onroerende zaken gaat. Tot slot volgt de betrokkenheid van de huurinkomsten van de parkeerplaatsen bij de aanvullende overeenkomst ook uit de berekening die na de verdeling is opgesteld door de accountant van partijen, waarin de huurinkomsten van de parkeerplaatsen bij [adres 2] zijn meegenomen. De rechtbank weegt daarbij mee dat [partij 2] hiertegen kennelijk geen bezwaar heeft gemaakt en op dit punt ook geen verweer heeft gevoerd in het debat over de huurdeling in conventie.
De conclusie luidt op grond van het voorgaande dat de huur van de parkeerplaatsen onder de verplichting tot huurdeling op grond van de aanvullende overeenkomst valt. Zoals hiervoor in conventie door de rechtbank is overwogen geldt de verplichting tot huurdeling voor de periode van 1 januari 2023 tot 1 november 2024. De nu voorliggende vordering tot huurbetaling van [partij 2] ziet echter op de periode van 1 januari 2023 tot 1 juni 2025. Dit betekent dat het beroep van [partij 1] op (verrekening met de verplichting tot) huurdeling in beginsel slechts geldt voor de eerste 22 maanden (januari 2023 tot en met oktober 2024). Over deze maanden bedraagt de verschuldigde huur voor de twee appartementen (€ 121 x 22 x 2 =) € 5.324,- inclusief btw. [partij 1] heeft op basis daarvan recht op de helft (€ 2.662,-) aan huurdeling en is de overige helft (€ 2.662,- incl. btw) verschuldigd. Voor de resterende zeven maanden is [partij 1] aan huur verschuldigd (€ 121 x 7 x 2 =) € 1.694,-. In totaal is [partij 1] daarmee – onder verrekening van de huurdeling – over de periode van 1 januari 2023 tot 1 juni 2025 verschuldigd (€ 2.662,- + € 1.694,- =) € 4.356,-. [partij 1] heeft in conventie in verband met zijn beroep op verrekening € 3.509,- in mindering gebracht op zijn vordering inzake huurdeling. Daarmee resteert een door [partij 1] te betalen bedrag van (€ 4.356,- - € 3.509,- =) € 847,-. De gevorderde wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 is toewijsbaar.
Verbouwingskosten [adres 1]
[partij 2] vordert vergoeding van een derde deel van de kosten die hij tot nu toe heeft gemaakt en van toekomstige kosten voor de verbouwing van het pand aan [adres 1] te [plaats 2] . De reeds gemaakte kosten van de verbouwing tot 27 maart 2025 bedragen € 295.438,37 (een derde daarvan is € 98.479,46). De verbouwing is bijna afgerond en de verwachte totale verbouwkosten bedragen circa € 340.000,-. Volgens [partij 2] was het vast gebruik binnen de familie dat een gezamenlijk aangekocht pand door [partij 2] werd gerenoveerd voor de verhuur. Dat was ook de bedoeling bij de [adres 1] . [partij 1] dient de gemaakte afspraken na te komen en als mede-eigenaar van het pand bij te dragen aan de renovatiekosten. Subsidiair stelt [partij 2] zich op het standpunt dat [partij 1] ongerechtvaardigd is verrijkt.
[partij 1] betwist dat hij een bijdrage in de kosten verschuldigd is aan [partij 2] . In het verleden kwamen de huurinkomsten van gezamenlijke panden binnen op de gezamenlijke rekeningen. Als er iets verbouwd moest worden dan zorgde [partij 2] daarvoor, waarbij hij met goedkeuring van [partij 1] en [zus] de gelden gebruikte die binnenkwamen op deze rekeningen. Vanaf 1 januari 2023 was deze situatie echter wezenlijk anders: de verdeling had plaatsgevonden, de voorheen gezamenlijke rekeningen zouden alleen nog worden gebruikt door [partij 2] en partijen konden niet meer goed met elkaar door een deur. Gelet daarop kon [partij 2] niet meer uitgaan van een vast gebruik en mocht hij er niet meer op vertrouwen dat sprake was van overeenstemming om op de gebruikelijke wijze voort te gaan. [partij 1] stelt primair dat hij al vanaf 1 januari 2023 heeft aangegeven niet in te stemmen met een dergelijke handelswijze en dat hij de inkomsten van de gezamenlijke rekeningen zelf nodig had. [partij 2] is echter doorgegaan met de verbouwing. [partij 1] en [zus] hebben daar in eerste instantie geen bezwaar tegen gemaakt, in verband met lopende onderhandelingen. Zij zijn echter, op een e-mail uit november 2023 na, nooit geïnformeerd over de gemaakte en nog te maken kosten en de informatie die zij in november 2023 kregen was niet te controleren. Kosten die zouden oplopen tot € 340.000,- zouden zij nooit hebben goedgekeurd. Subsidiair stelt [partij 1] zich op het standpunt dat de kosten vanaf 15 oktober 2023 dan wel 1 november 2023 of januari 2024 voor eigen rekening en risico van [partij 2] komen. Vanaf dat moment was in ieder geval duidelijk dat [partij 1] en [zus] niet van plan waren bij te dragen in de kosten. Volgens [partij 1] heeft [partij 2] zonder overleg gehandeld en heeft hij de bezwaren van [partij 1] genegeerd. Daarbij stelt [partij 1] dat van kosten die zijn gemaakt voor noodzakelijk behoud of normaal gebruik van het gemeenschappelijk goed geen sprake is. [partij 1] was het niet eens met de kosten en heeft dat herhaaldelijk aangegeven. Ook de hoogte van de gestelde verbouwingskosten wordt door [partij 1] betwist.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Het pand aan [adres 1] is gemeenschappelijk eigendom van partijen (en [zus] ). Dit brengt mee dat de verbouwing op grond van artikel 3:170 BW door de deelgenoten samen dient te geschieden. Dit betekent dat daarvoor de instemming van alle deelgenoten nodig is. Dat sprake zou zijn van een handeling dienende tot gewoon onderhoud of behoud van het goed, dan wel een handeling die geen uitstel kan leiden is niet gesteld of gebleken.
Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat partijen bij de aankoop van [adres 1] het voornemen hadden om het pand te verbouwen op gezamenlijke kosten. Het was de bedoeling van [partij 1] , [partij 2] en [zus] dat hun moeder een van de appartementen zou kunnen betrekken. Ook staat voldoende vast dat [partij 2] de verbouwing zou regelen. Niet is gebleken dat [partij 1] en [zus] hiertegen vanaf het begin bezwaar hebben gemaakt. De rechtbank wijst in dat verband op de WhatsApp-correspondentie van 30 maart 2023 en 18 augustus 2023 waaruit volgt dat [partij 1] ervan op de hoogte was dat [partij 2] aan het verbouwen was (en ter plaatse is gaan kijken), zonder dat daarbij van enig bezwaar blijkt. Op 15 en 16 oktober 2023 heeft [partij 1] echter wel duidelijk bezwaar gemaakt tegen de verbouwingskosten. Op 15 oktober 2023 heeft [partij 1] via Whatsapp aan [partij 2] geschreven: “Leg het werk op de [adres 1] neer. Van mij krijg je geen ene cent meer. (…) vanaf morgen exit [adres 1] ”. Op 16 oktober 2023 heeft hij dit herhaald: “Dus nogmaals. Leg de [adres 1] stil. (…)”. Naar het oordeel van de rechtbank had [partij 2] vanaf dat moment moeten begrijpen dat hij de verbouwing niet zomaar kon voortzetten mede op kosten van [partij 1] . [partij 2] stelt dat hij de verbouwing moest doorzetten, omdat hij bepaalde afspraken met derde partijen niet kon stopzetten. Deze stelling is door [partij 1] gemotiveerd betwist met de stelling dat [partij 2] het volledig in zijn macht had op ieder moment te stoppen met werkzaamheden en het maken van kosten, omdat de werkzaamheden werden uitgevoerd door een ZZP-er (in overleg met [partij 2] ) die al jaren voor de familie werkt en niet door een aannemer aan wie vooraf een opdracht was verstrekt. [partij 2] stelt tegenover deze betwisting dat er ‘bindende opdrachten’ waren gegeven aan diverse partijen (voor ramen en kozijnen, elektra en sanitair). Ter onderbouwing van deze stelling heeft [partij 2] enkele niet ondertekende offertes overgelegd. Daaruit volgt echter niet dat (i) op grond van deze offertes overeenkomsten tot stand zijn gekomen en (ii) dat deze werkzaamheden in oktober 2023 nog niet waren verricht. Dat er vóór 15 oktober 2023 bindende opdrachten waren verstrekt die na die datum nog moesten worden afgemaakt (en betaald) is derhalve niet komen vast te staan.
In het licht van het voorgaande verwerpt de rechtbank ook het standpunt van [partij 2] dat [partij 1] ongerechtvaardigd zou zijn verrijkt. Gelet op de schending van artikel 3:170 BW door [partij 2] bestaat voor eventuele verrijking aan de zijde van [partij 1] een redelijke grond, zodat niet gezegd kan worden dat die verrijking ongerechtvaardigd is.
De conclusie op grond van het voorgaande is dat [partij 1] in beginsel is gehouden zijn deel (een derde) in de kosten van de verbouwing te dragen tot en met 15 oktober 2023. [partij 2] heeft een overzicht van de door hem gestelde kosten overgelegd (productie 21), maar dit overzicht is voor de rechtbank niet leesbaar en bovendien niet onderbouwd met onderliggende stukken. [partij 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht waarom de onderbouwing nog niet is verstrekt en aangeboden dit alsnog te doen. Gelet hierop zal de rechtbank [partij 2] in de gelegenheid stellen om bij akte een leesbaar overzicht van de verbouwingskosten tot en met 15 oktober 2023 over te leggen, voorzien van een deugdelijke onderbouwing, waarna [partij 1] hierop mag reageren. In afwachting van de aktewisseling zal de rechtbank iedere verdere beslissing op dit punt aanhouden. De rechtbank wijst partijen er op dat de aktewisseling uitsluitend betrekking dient te hebben op voornoemde kosten tot en met 15 oktober 2023.
De gevorderde verklaring voor recht inzake de verbouwingskosten zal worden afgewezen nu deze vordering onvoldoende bepaald is.
Verrekening
Op het beroep van [partij 2] op verrekening van zijn vorderingen met de vorderingen van [partij 1] zal pas beslist kunnen worden indien duidelijk is of en wat de omvang van de vordering van [partij 2] op [partij 1] is inzake de verbouwingkosten van [adres 1] . Dit zal na aktewisseling blijken.
Proceskosten
Gelet op de familierelatie tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
In afwachting van de aktewisseling zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
houdt iedere beslissing aan.
in reconventie
stelt [partij 2] in de gelegenheid om op rol van 2 september 2026 bij akte een overzicht op te stellen, voorzien van onderbouwing, van de verbouwingskosten van het pand aan het adres [adres 1] tot en met 15 oktober 2023, waarop [partij 1] vier weken later mag reageren bij antwoordakte;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.