RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/351078 / HA ZA 26-141
Vonnis in incident van 12 augustus 2026
in de zaak van
1. [koper 1] ,
2. [koper 2],
beiden wonend te [woonplaats],
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [kopers] ,
advocaat: mr. P.M.H. Cruts,
tegen
1. [verkoper 1] ,
2. [verkoper 2],
beiden briefadres houdend te [plaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [verkopers] ,
advocaat: mr. R.T.L.J. Jongen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 17,
- de conclusie van antwoord tevens incidentele vordering op grond van artikel 195 lid 1 Rv met producties 1 t/m 6,
- de incidentele conclusie van antwoord met producties 18 t/m 22.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. Het geschil
in de hoofdzaak
Kort samengevat stellen [kopers] het volgende. In juni 2024 hebben [kopers] de woning van [verkopers] aan de [adres] te [woonplaats] gekocht. Volgens [kopers] deugt de fundering van het huis niet, verzakt het huis en vertoont het huis scheuren. [kopers] menen dat [verkopers] geweten hebben van de gebrekkige fundering. [verkopers] hebben hen echter bij de aankoop hierover niet geïnformeerd. [verkopers] hebben derhalve een woning verkocht met een duidelijk gebrek. [kopers] vorderen op grond van tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst primair van [verkopers] vergoeding van de schade van € 115.316,15, die bestaat uit de herstelkosten en de kosten van de deskundigen. Ook vorderen zij een verklaring voor recht dat [verkopers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade aan de binnenzijde van de woning, nader op te maken bij staat.
in het incident
[verkopers] vorderen in het incident dat de rechtbank [kopers] veroordeelt om aan hen te verstrekken:a. het rapport van de bouwkundige keuring die [kopers] voor de aankoop van de woning hebben laten doen;
b. de nulmeting van het Consortium Grensmaas B.V. (hierna: Consortium) van eind 2024-begin 2025 inclusief foto’s;
c. alle correspondentie met het Consortium in verband met de claim die [kopers] daar hebben ingediend;
d. het advies van de aannemer voor de bouw van de tweede garage met betrekking tot de fundering;
e. de overeenkomst met de aannemer die de heiwerkzaamheden heeft uitgevoerd.
[kopers] zijn van mening dat de gevorderde stukken weinig tot niets toevoegen aan de feitelijke en juridische verhoudingen. Omdat zij niet de indruk willen wekken dat zij informatie achterhouden, hebben [kopers] alle gevorderde informatie – voor zover aanwezig en/of niet reeds bij dagvaarding verstrekt – overgelegd bij conclusie van antwoord in het incident.
3. De beoordeling in het incident
Gelet op de inhoud van artikel 194 lid 1 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) hebben [verkopers] recht op afschrift van de gevorderde stukken omdat zij, gelet op de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt, daarbij voldoende belang hebben. [verkopers] hebben voor de procedure gevraagd om de stukken. Onbetwist is dat [kopers] de stukken toen niet verstrekt hebben, waardoor [verkopers] genoodzaakt waren het incident ex artikel 195 lid 1 Rv in te stellen. [kopers] hebben de stukken inmiddels in het incident in het geding gebracht, zodat de incidentele vordering bij gebrek aan belang zal worden afgewezen.
Zonder het incident had [verkopers] niet de beschikking gekregen over de overgelegde stukken. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om [kopers] te veroordelen in de kosten van het incident. De proceskosten aan de zijde van [verkopers] worden vastgesteld op:
salaris advocaat € 653,00
nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in dictum)
totaal € 842,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de vordering af,
veroordeelt [kopers] in de proceskosten van [verkopers] , tot op heden begroot op € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [kopers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [kopers]
€ 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
veroordeelt [kopers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 26 augustus 2026 voor opgave verhinderdata aan de zijde van beide partijen voor een mondelinge behandeling in de periode november 2026 tot en met februari 2027,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken.