RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12268486 \ CV EXPL 26-3040
Vonnis in kort geding van 3 augustus 2026
in de zaak van
[huurder] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. S.L.T.A. Scheepers,
tegen
[verhuurder] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: mr. J.G. van Heertum.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de akte met producties 1 en 2 van [verhuurder]- de mondelinge behandeling van 20 juli 2026 ter gelegenheid waarvan namens [verhuurder] spreekaantekeningen zijn overgelegd.
Tot slot is een datum voor dit vonnis bepaald.
2. De feiten
[huurder] huurt vanaf 14 februari 2020 van [verhuurder] een woonwagenstandplaats met chalet en berging gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het gehuurde). De beheerder van het chalet is [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ).
De maandelijkse huurprijs is bij vooruitbetaling verschuldigd. Ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst betrof de maandelijkse huurprijs € 651,03. [verhuurder] heeft op enig moment een tijdelijke huurprijsvermindering toegekend in verband met enkele bouwtechnische gebreken aan het chalet.
[huurder] heeft [bedrijf 2] BV (hierna: [bedrijf 2] ) ingeschakeld om het chalet te inspecteren op larven en rupsen. In de werkbon van [bedrijf 2] van 15 november 2024 is vermeld (productie 4 bij dagvaarding):
“Cacaomot aangetroffen. Advies: voedingsmiddelen nakijken op aanwezigheid en evt verwijderen. Kasten goed schoonmaken”.
Ook op 22 september 2025 heeft [bedrijf 2] het chalet van [huurder] geïnspecteerd. In de werkbon van diezelfde datum is vermeld (productie 4 bij dagvaarding):
“Larven in alle kamers aangetroffen bestrijding niet mogelijk in woonwagen zelf. Waarschijnlijk komt overlast vanuit dak. Geen kadavers dode dieren aangetroffen. (Waarschijnlijk cacaomot) larven worden aktief zo gauw verwarming aangezet wordt. Ramen worden opgezet.”.
Op 16 april 2026 heeft [huurder] een verzoek tot huurprijsverlaging ingediend bij de Huurcommissie. Op 29 juni 2026 heeft het onderzoek plaatsgevonden door (de rapporteur van) de Huurcommissie. Bij het onderzoek was de coördinator beheer van [bedrijf 1] , de heer [persoon] (hierna: [persoon] ), aanwezig, die in een eigen gespreksverslag heeft vermeld (productie 2 van [verhuurder] ):
“Uitkomst onderzoek (mondelinge toelichting Huurcommissie)
Ondergetekende heeft de medewerker van de Huurcommissie gevraagd naar de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek. De medewerker heeft daarbij het volgende aangegeven:
Ongedierte:
Er is geen ongedierte geconstateerd in de woonwagen. Alle ruimtes zijn geïnspecteerd, inclusief de vliering en de ruimte onder de woonwagen. Er zijn geen eitjes of andere sporen aangetroffen.”.
Het onderzoeksrapport van de Huurcommissie was ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet gereed.
3. Het geschil
[huurder] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [verhuurder] verplicht om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis alle noodzakelijke maatregelen te treffen teneinde de overlast van larven en motten in het gehuurde volledig te verhelpen en verholpen te houden,
II. [verhuurder] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 voor iedere dag dat [verhuurder] niet voldoet aan het onder I. gevorderde,
III. [verhuurder] veroordeelt in de proceskosten.
[huurder] legt aan haar vordering ten grondslag dat er voortdurend larven/rupsen of motten in het gehuurde aanwezig zijn, hetgeen een gebrek oplevert zoals bedoeld in artikel 7:204 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens artikel 7:206 BW is [verhuurder] als verhuurder gehouden de gebreken in het gehuurde te verhelpen. [verhuurder] en [bedrijf 1] zijn al geruime tijd op de hoogte van de problematiek maar hebben nagelaten om enige actie te ondernemen. [huurder] verblijft momenteel elders omdat de ongedierteplaag het normaal gebruik van het gehuurde in de weg staat. De kwestie is bovendien spoedeisend omdat de minderjarige dochters van [huurder] op korte termijn weer bij haar komen wonen.
[verhuurder] betwist dat er sprake is van een gebrek zoals bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW. Zowel uit de werkbonnen van [bedrijf 2] als het onderzoek door de rapporteur van de Huurcommissie blijkt niet dat sprake is van een heuse ongedierteplaag. Op grond van de wet is het bestrijden van ongedierte in beginsel voor rekening van de huurder (bijlage bij artikel I van het Besluit kleine herstellingen). Over noemenswaardige kosten van bestrijding of dat de aanwezigheid van ongedierte het gevolg is van de bouwkundige situatie van het gehuurde heeft [huurder] niets gesteld. De vordering moet worden afgewezen, aldus [verhuurder] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [huurder] daarbij een spoedeisend belang heeft.
[huurder] stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering om – kort gezegd – [verhuurder] te verplichten de overlast door ongedierte te verhelpen.
[verhuurder] voert daartegen aan dat [huurder] voorafgaand aan dit kort geding circa tien maanden niet in het gehuurde heeft verbleven waardoor een spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening ontbreekt.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of er een spoedeisend belang is hier in het midden kan blijven, omdat de gevorderde voorziening ook om inhoudelijke redenen niet toewijsbaar is. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Geen gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW
Ingevolge artikel 7:204 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) is een gebrek ‘een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft’.
Volgens de hoofdregel van artikel 7:206 lid 1 BW is de verhuurder verplicht om op verlangen van de huurder een gebrek te verhelpen. Op grond van lid 2 van dat artikel geldt deze verplichting onder andere niet ten aanzien van het verrichten van kleine herstellingen waartoe de huurder krachtens artikel 7:217 BW verplicht is.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering niet kan worden toegewezen, allereerst omdat [huurder] onvoldoende heeft onderbouwd dat er ongedierte aanwezig is in het gehuurde. Zij heeft foto’s overgelegd (productie 2 bij dagvaarding), maar de foto’s zijn onduidelijk, onscherp en ongedateerd. Daaruit blijkt in ieder geval niet dat er op dit moment larven/rupsen of motten in het gehuurde aanwezig zijn. Dat blijkt evenmin uit de door haar overgelegde werkbonnen van [bedrijf 2] , waarvan de laatste dateert van 22 september 2025 (zie randnummer 2.3. van dit vonnis; productie 4 bij dagvaarding). Daar staat tegenover dat, zoals blijkt uit het gespreksverslag van [persoon] van [bedrijf 1] , de Huurcommissie op 29 juni 2026 kennelijk ook geen ongedierte, eitjes of andere sporen in het gehuurde heeft aangetroffen (zie randnummer 2.4. van dit vonnis; productie 2 van [verhuurder] ).
Het lag op de weg van [huurder] om te stellen, en bij gemotiveerde betwisting door [verhuurder] ook voldoende te onderbouwen, dat er dermate veel ongedierte in het gehuurde aanwezig is waardoor sprake kan zijn van een gebrek als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [huurder] verklaard dat er video-opnames zijn die haar stelling dat sprake is van een ongedierteplaag in het gehuurde onderbouwen en dat zij deze video-opnames naar haar gemachtigde heeft gestuurd. De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen video-opnames namens [huurder] in de procedure zijn ingebracht zodat deze niet als steun kunnen dienen voor haar stelling over ongedierte. Aangezien het hier een procedure in kort geding betreft, is voor nadere bewijslevering geen plaats. Daarom zal aan de verklaring van [huurder] op dit punt voorbij worden gegaan.
De voorzieningenrechter concludeert dat nu onvoldoende is onderbouwd dat er op dit moment in het gehuurde ongedierte aanwezig is, wordt feitelijk aan de beoordeling van de vraag of dit kwalificeert als een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW en wat daar de gevolgen van zijn niet toegekomen. Reeds daarom is de vordering niet toewijsbaar.
Wellicht ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat, ook als wel vast zou komen te staan dat er dusdanig veel ongedierte in het gehuurde aanwezig is dat dit te kwalificeren is als een ongedierteplaag, de bestrijding daarvan als een kleine herstelling wordt gezien die conform artikel 7:206 lid 2 BW en de bijlage behorende bij het Besluit kleine herstellingen onder r (hierna: het Besluit) voor rekening van [huurder] als huurder komt. Dit is slechts anders, zo blijkt uit het Besluit, als aan de bestrijding van ongedierte noemenswaardige kosten verbonden zijn én de aanwezigheid daarvan een gevolg is van de bouwkundige situatie van het gehuurde. Over kosten heeft [huurder] niets gesteld. Dat [bedrijf 2] heeft aangegeven dat hetgeen zij destijds heeft aangetroffen in het gehuurde afkomstig is van het dak, is bij gebreke van een deugdelijk onderzoek naar de staat van het dak op dit moment onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook dit staat aan de toewijzing van de vordering in de weg.
Aangezien de hoofdvordering onder I. wordt afgewezen, volgt de nevenvordering tot betaling van een dwangsom zoals gevorderd onder II. datzelfde lot.
Proceskosten
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.009,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [huurder] af,
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026.