RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rekestnummer: 12159862 \ AZ VERZ 26-47
Beschikking van 12 augustus 2026
in de zaak van
[verzoekende partij] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
gemachtigde: mr. L.S.F. de Jong-Vanhommerig,
tegen
B.V. EXPLOITATIE DE HUIFKARHOEVE EN AAN DE HOEVE (DE GITSTAP),
te Vlodrop,
verwerende partij,
hierna te noemen: de Gitstap,
gemachtigde: mr. B.M.G. Paulissen.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt een BBL-leerling om voor recht te verklaren dat er tussen partijen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW en daarnaast onder meer om toekenning van achterstallig loon, een gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter wijst de verzoeken toe.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 26 maart 2026 ontvangen verzoekschrift
- de aanvullende productie van [verzoekende partij] van 4 mei 2026
- het op 30 juni 2026 ontvangen verweerschrift.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli 2026. Bij die gelegenheid hebben de gemachtigden van partijen spreekaantekeningen in het geding gebracht.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
De Gitstap exploiteert een horecagelegenheid waar tevens praktijkplaatsen en stageplekken worden aangeboden in het kader van beroepsopleidingen.
[verzoekende partij] , geboren op [geboortedag] 2006, was student bij de Gilde Opleidingen en volgde daar de opleiding Keuken (zelfstandig werkend kok) in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL). [verzoekende partij] , de Gitstap en de Gilde Opleidingen zijn op 2 december 2025 een Praktijkovereenkomst aangegaan.
Op 2 december 2025 is [verzoekende partij] met de beroepspraktijkvorming bij de Gitstap gestart. Hij was 32 uur per week bij de Gitstap werkzaam en ging 6 uur per week naar school.
In januari 2026 heeft een aantal gesprekken tussen [verzoekende partij] en de heer [persoon] van de Gitstap plaatsgevonden. De Gitstap was niet tevreden over het functioneren van [verzoekende partij] en vond daarnaast dat [verzoekende partij] de Nederlandse taal onvoldoende beheerste.
Op 16 januari 2026 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekende partij] , de Gitstap en de Gilde Opleidingen. Tijdens dat gesprek is de voortgang van het leertraject besproken. In de week van 19 januari 2026 is met [verzoekende partij] opnieuw gesproken over afspraken gericht op verbetering van zijn inzet en leerhouding. Toen is ook, mede op advies van de Gilde Opleidingen, met hem besproken dat het BBL-traject mogelijk niet passend was en dat een overstap naar een BOL-opleiding beter zou aansluiten bij zijn niveau en taalvaardigheid.
Op 26 januari 2026 heeft de Gilde Opleidingen met [verzoekende partij] gesproken over het vervolg van zijn opleiding, waarbij [verzoekende partij] heeft aangegeven niet te willen overstappen naar een BOL-traject.
Op 29 januari 2026 vond er een gesprek plaats tussen [verzoekende partij] , zijn moeder en de heer [persoon] van de Gitstap. Tijdens dat gesprek heeft de heer [persoon] aangegeven dat hij de samenwerking met [verzoekende partij] wilde beëindigen.
De werkzaamheden van [verzoekende partij] bij de Gitstap zijn per 31 januari 2026 geëindigd.
[verzoekende partij] is vervolgens ook met zijn opleiding bij de Gilde Opleidingen gestopt.
3. Het verzoek en het verweer
[verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat er tussen [verzoekende partij] en de Gitstap sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek (BW) en om de Gitstap te veroordelen om aan [verzoekende partij] te betalen:
a. een bedrag aan achterstallig loon bestaande uit het verschil tussen het aan [verzoekende partij] toekomende maandloon van € 2.924,48 bruto en de aan [verzoekende partij] toekomende vakantiebijslag van € 233,96 bruto en het reeds aan [verzoekende partij] uitbetaalde bedrag van
€ 2.080,17 netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% over dit verschil, tevens te vermeerderen met de wettelijke rente over dit verschil vanaf 31 januari 2026 tot aan de dag van algehele voldoening,
een bedrag van € 360,23 wegens niet genoten vakantie-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% over dit verschil, tevens te vermeerderen met de wettelijke rente over dit verschil vanaf 28 februari 2026 tot aan de dag van algehele voldoening,
een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten begroot op € 261,09 over het achterstallig loon en het loon over de niet genoten vakantie-uren,
een bedrag van € 9.475,32 bruto wegens het loon inclusief vakantiebijslag over de periode dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2026 tot aan de dag van algehele voldoening,
een bedrag van € 94,38 bruto wegens de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2026 tot aan de dag van algehele voldoening,
een bedrag van € 10.000,00 bruto wegens billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na deze beschikking.
Voorts verzoekt [verzoekende partij] – samengevat – De Gitstap te veroordelen tot afgifte van deugdelijke salarisspecificaties en het doorgeven van de correcte einddatum en loongegevens aan het UWV, een en ander op straffe van een dwangsom en tot veroordeling van De Gitstap in de kosten van deze procedure.
Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt [verzoekende partij] – kort samengevat – dat hij in dienst is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. De Gitstap heeft hem per 31 januari 2026 ontslagen met verwijzing naar de proeftijd. Aangezien er geen sprake is van een geldig proeftijdbeding en er evenmin sprake is van een ontslag met instemming van [verzoekende partij] , is het ontslag als een onregelmatig ontslag aan te merken. [verzoekende partij] berust in het ontslag en maakt op grond van artikel 7:681 BW aanspraak op een billijke vergoeding. Ook maakt hij aanspraak op achterstallig loon conform de toepasselijke cao Horeca.
De Gitstap voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Volgens de Gitstap is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst maar enkel van een (BBL-) praktijkovereenkomst.
Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
4. De beoordeling
Arbeidsovereenkomst
Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of er tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen.
[verzoekende partij] stelt zich op het standpunt dat naast de praktijkovereenkomst, gesloten door [verzoekende partij] , de Gitstap en de Gilde Opleidingen, ook een mondelinge arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen tussen [verzoekende partij] en de Gitstap. De toepasselijke Horeca-cao gaat er volgens [verzoekende partij] bij de BBL-opleiding vanuit dat naast de beroepspraktijkovereenkomst ook een arbeidsovereenkomst met het leerbedrijf bestaat. [verzoekende partij] moest eenvoudige ondersteunende taken verrichten: spullen pakken, borden klaarzetten, soms brood of sla snijden en soep in de magnetron opwarmen. Als het rustig was, moest hij schoonmaken, vuilnis wegbrengen en afwassen. Dit zijn geen werkzaamheden die zijn gericht op het behalen van leerdoelen van een BBL-opleiding tot zelfstandig werkend kok. Hij werd vooral ingezet voor werkzaamheden die voor de bedrijfsvoering nuttig waren.
De Gitstap voert aan dat zij [verzoekende partij] niet heeft aangetrokken om een reguliere arbeidsplaats in te vullen, maar uitsluitend om hem de gelegenheid te bieden praktijkervaring op te doen in het kader van zijn opleiding. Dit was vanaf het allereerste begin voor alle betrokkenen duidelijk. Anders dan bij een reguliere arbeidsovereenkomst was sprake van een driehoeksverhouding tussen de student, de onderwijsinstelling en het leerbedrijf.
De kantonrechter overweegt het volgende.
Tussen partijen is niet in geschil dat op hun rechtsverhouding de algemeen verbindend verklaarde Cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf (looptijd 1 januari 2025 tot en met 31 december 2026) van toepassing is. De voor de beoordeling relevante bepalingen uit die cao luiden als volgt:
‘5.4 1. Naast je beroepspraktijkovereenkomst, kom je als BBL-student met je leerbedrijf een arbeidsovereenkomst overeen voor ten hoogste 12 maanden. Daarbij geldt dat naast het opleidingsbelang ook het bedrijfsbelang bepalend is.
2. (…)
De arbeidsovereenkomst voor BBL-studenten en de beroepspraktijkovereenkomst zijn aan elkaar gekoppeld. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst eindigt zodra de beroepspraktijkovereenkomst eindigt.
2. (…)
3. De beroepspraktijkovereenkomst van BBL-studenten op wie de Wet educatie beroepsonderwijs van toepassing is, eindigt ook op grond van het bepaalde in de beroepspraktijkovereenkomst.’
De hiervoor aangehaalde bepalingen uit de cao laten naar het oordeel van de kantonrechter geen ruimte voor de stelling van de Gitstap dat er tussen partijen geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Het wel of niet aangaan van een arbeidsovereenkomst naast de beroepspraktijkovereenkomst staat op grond van de cao niet ter vrije keuze aan partijen. Dat is in deze zaak anders dan in de door de Gitstap aangehaalde voorbeelden uit de jurisprudentie. Nu er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, is er sprake van een mondeling aangegane arbeidsovereenkomst. De gevraagde verklaring voor recht is dus toewijsbaar.
Rechtsgeldige beëindiging?
De tweede vraag die voorligt is of de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Voor opzegging en beëindiging van de arbeidsovereenkomst gelden de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de nadere bepalingen in de cao. Volgens de cao eindigt de arbeidsovereenkomst zodra de beroepspraktijkovereenkomst eindigt. De Gitstap stelt zich op het standpunt dat de praktijkovereenkomst is geëindigd conform artikel 14 van de (aanvullende bepalingen bij de) praktijkovereenkomst. De kantonrechter kan de Gitstap daarin echter niet volgen. Op welke beëindigingsgrond van artikel 14 de Gitstap dan ook een beroep wenst te doen, artikel 14.2 schrijft dwingend voor dat een ontbinding van de praktijkovereenkomst door een van de partijen op grond van artikel 14.1 schriftelijk moet plaatsvinden met vermelding van de reden van ontbinding. Dat is niet gebeurd. De Gitstap refereert slechts aan de gesprekken die met [verzoekende partij] hebben plaatsgevonden en aan overleg met Gilde Opleidingen, echter een schriftelijke ontbinding door Gilde Opleidingen of de Gitstap ontbreekt. Van een rechtsgeldige beëindiging van de praktijkovereenkomst is derhalve niet gebleken zodat de arbeidsovereenkomst niet op grond van artikel 5.6. van de cao is geëindigd. Wat dan resteert is de mondelinge opzegging van de arbeidsovereenkomst door de Gitstap op 29 januari 2026. Omdat er tussen partijen geen tussentijds opzegbeding is overeengekomen is er sprake van een onregelmatige opzegging.
Gefixeerde schadevergoeding
[verzoekende partij] maakt aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding van € 9.475,32 bruto, zijnde zes maandsalarissen. Hij stelt daartoe dat de einddatum van zijn arbeidsovereenkomst 31 juli 2026 zou zijn geweest. De vordering is gelet op het bepaalde in artikel 7:672 lid 11 BW toewijsbaar.
Transitievergoeding
[verzoekende partij] maakt voorts aanspraak op de transitievergoeding die hij heeft berekend op € 94,38 bruto. De verschuldigdheid van een transitievergoeding is door de Gitstap niet betwist. De kantonrechter zal de vordering toewijzen.
Billijke vergoeding
[verzoekende partij] maakt tot slot aanspraak op een billijke vergoeding van € 10.000,00 bruto. Het verzoek van [verzoekende partij] tot toekenning van een billijke vergoeding is op grond van artikel 7:681 lid 1, onderdeel a BW toewijsbaar, omdat hiervoor is geoordeeld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldige opzegging als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
Het verwijt dat de Gitstap kan worden gemaakt betreft naar het oordeel van de kantonrechter de schending van de cao-bepalingen en de onregelmatigheid van de opzegging. Dat er sprake zou zijn geweest van een gebrek aan begeleiding van [verzoekende partij] op de werkvloer is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. Wel kan gezegd worden dat het contact tussen Gilde Opleidingen en de Gitstap verre van optimaal is geweest. De kantonrechter kan echter niet vaststellen in hoeverre dat aan de Gitstap valt te verwijten.
De financiële gevolgen van het ontslag voor [verzoekende partij] zijn naar het oordeel van de kanonrechter beperkt, in die zin dat het loon over de periode dat de arbeidsovereenkomst zou hebben geduurd zonder de onregelmatige opzegging wordt gecompenseerd door de hiervoor toewijsbaar geoordeelde gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter wil wel rekening houden met de overige gevolgen van het ontslag die door de Gitstap niet zijn weersproken. Het verlies van zijn praktijkplaats bij de Gitstap heeft voor [verzoekende partij] een negatieve invloed gehad op zijn opleiding en gezondheid. In het verzoekschrift wordt uitgegaan van enkele maanden studievertraging. Bij de mondelinge behandeling is echter gebleken dat [verzoekende partij] na de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst helemaal is gestopt met zijn opleiding en dat hij sindsdien (ziek) thuis zit. De kantonrechter gaat er echter vanuit dat [verzoekende partij] – mede gelet op zijn nog jonge leeftijd – na de zomervakantie een (andere) opleiding of betaald werk zal oppakken.
De kantonrechter acht – alles afwegende – een billijke vergoeding ter hoogte van € 1.500,00 op zijn plaats, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
Cao-loon
[verzoekende partij] heeft ook verzocht om – kort gezegd – nabetaling van zijn loon, nu de Gitstap niet het hem toekomende uurloon conform de cao aan hem heeft uitbetaald, en om uitbetaling van de niet genoten vakantie-uren. De Gitstap erkent die vorderingen en heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat haar salarisadministrateur een oude versie van de cao heeft gehanteerd. De Gitstap heeft de door [verzoekende partij] gemaakte berekening, gebaseerd op een uurloon van € 10,55 bruto en rekening houdend met de reeds betaalde bedragen, niet betwist. De kantonrechter zal de loonvordering van [verzoekende partij] dan ook toewijzen, te vermeerderen met de verzochte wettelijke verhoging en wettelijke rente, onder afgifte van een loonspecificatie conform artikel 7:626 BW.
Gegevensverstrekking aan UWV
De Gitstap heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij bereid is de juiste gegevens met betrekking tot de einddatum van het dienstverband en het salaris van [verzoekende partij] aan het UWV door te geven. De vordering van [verzoekende partij] dienaangaande is toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
[verzoekende partij] verzoekt om de Gitstap te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten over het achterstallig loon en het loon over de niet genoten vakantie-uren. [verzoekende partij] heeft dit verzoek niet onderbouwd, zodat het wordt afgewezen.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van de Gitstap, omdat zij overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van de Gitstap. De proceskosten aan de zijde van [verzoekende partij] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
verklaart voor recht dat tussen [verzoekende partij] en de Gitstap sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW,
veroordeelt de Gitstap tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoekende partij] te betalen:
een bedrag aan achterstallig loon bestaande uit het verschil tussen het aan [verzoekende partij] toekomende maandloon van € 2.924,48 bruto en de aan [verzoekende partij] toekomende vakantiebijslag van € 233,96 bruto en het reeds aan [verzoekende partij] uitbetaalde bedrag van € 2.080,17 netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% over dit verschil, tevens te vermeerderen met de wettelijke rente over dit verschil vanaf 31 januari 2026 tot aan de dag van algehele voldoening,
een bedrag van € 360,23 wegens niet genoten vakantie-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% over dit verschil, tevens te vermeerderen met de wettelijke rente over dit verschil vanaf 28 februari 2026 tot aan de dag van algehele voldoening,
een bedrag van € 9.475,32 bruto wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2026 tot aan de dag van algehele voldoening,
een transitievergoeding van € 94,38 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2026 tot aan de dag van algehele voldoening,
een billijke vergoeding van € 1.500,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving is betaald,
veroordeelt de Gitstap om binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking tot afgifte aan [verzoekende partij] van een deugdelijke schriftelijke bruto/netto specificatie van de gedane betalingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag tot een maximum van € 5.000,00 wanneer de Gitstap met deze afgifte in gebreke blijft,
veroordeelt de Gitstap om binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking over te gaan tot het doorgeven van de correcte einddatum en loongegevens aan het UWV, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag tot een maximum van € 5.000,00 wanneer de Gitstap daarmee in gebreke blijft,
veroordeelt de Gitstap in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt de Gitstap tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.