RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep, het college
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/2377
en
(gemachtigde: B. Boci).
Procesverloop
1. Bij besluit van 23 december 2024 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Bij besluit van 27 augustus 2025 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) heeft het college die last gehandhaafd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten en de last onder dwangsom
2. Eiser is eigenaar van het perceel het aan de [adres 1] in [woonplaats] . Hij exploiteerde daar tot 1 januari 2026 een roofvogelressort, met uiteenlopende soorten uilen en roofvogels. Op het perceel staat een nishut, althans (de Romney) loods. Ook staan er volières, die niet langer in gebruik zijn en die eiser momenteel bezig is van het perceel te verwijderen.
3. Tijdens een controle op 7 mei 2024 hebben toezichthouders van het college op het perceel – voor zover relevant – het volgende geconstateerd:
“Er staan verschillende bouwwerken die verschillende functies hebben met betrekking tot de fok van roofvogels of de opslag van materialen die nodig zijn voor de verzorging van de dieren en het onderhouden van het terrein. In de Romney loods is een gedeelte gebruikt voor de opslag van persoonlijke goederen een gedeelte word gebruikt als werkplaats.”
In het controleverslag zijn een schets en daarbij behorende lijst opgenomen, waarin de bouwwerken zijn aangeduid met de letters A tot en met Z.
Bij besluit van 23 december 2024, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft het college de bouwwerken gekwalificeerd als in strijd met de bestemming ‘Natuur’, die overeenkomstig het bestemmingsplan ‘Buitengebied Gennep (geconsolideerde versie)’ voor het perceel geldt. Het college heeft eiser gelast om deze overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan eiser doen door de bouwwerken A, B, C, D, F, L, N, P en Q uit het controleverslag van 7 mei 2024 af te breken. Als eiser dit verzaakt binnen de gestelde termijn van vijf jaar na verzenddatum, is hij van rechtswege een dwangsom verschuldigd. Deze is bij het bestreden besluit door het college vastgesteld op € 15.000,00 ineens voor het strijdig gebruik en € 15.000,00 ineens voor de gerealiseerde bouwwerken (dat wil zeggen, de bouwwerken A, B, C, D, F, L, N, P en Q uit het bezoekverslag van 7 mei 2024).
Heeft het college de last onder dwangsom terecht aan eiser opgelegd?
4. In deze beroepsprocedure staat niet ter discussie dat sprake is van een overtreding ten aanzien van de bouwwerken op het perceel, genoemd in het bezoekverslag van 7 mei 2024. De bestemming ‘Natuur’, die overeenkomstig het bestemmingsplan geldt op het perceel van eiser, voorziet niet in bouwwerken ten behoeve van de fok van roofvogels. Ook niet in geschil is dat eiser ter zake kan worden aangemerkt als overtreder, aangezien hij de eigenaar is van het perceel.
5. De vraag die in hier moet worden beantwoord, is of het college af had moeten zien van handhaving. Eiser meent van wel en ter zitting is bevestigd dat hij zich daartoe beroept op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
6. De rechtbank is van oordeel dat van een schending van het gelijkheids- of vertrouwensbeginsel hier geen sprake is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Dit betekent dat het college terecht de last onder dwangsom aan eiser heeft opgelegd. Dat motiveert de rechtbank als volgt.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden. Dit staat bekend als de beginselplicht tot handhaving. De Afdeling benadrukt dat deze beginselplicht onder meer geldt ten aanzien van de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. De rechtszekerheid vereist namelijk dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Het algemeen belang is dus gediend met handhaving.
Een gerechtvaardigd beroep op het gelijkheids- of vertrouwensbeginsel kan reden zijn om van handhavend optreden af te zien. Daarvan is hier echter geen sprake, gelet op het volgende.
Gelijkheidsbeginsel
7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het aan degene is die een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel – hier, eiser – om dat beroep te onderbouwen met concrete gevallen die volgens hem op relevante punten vergelijkbaar zijn met zijn situatie.
Van zulke gevallen is niet gebleken uit wat eiser heeft aangevoerd. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat de twee situaties waarnaar hij in zijn beroepschrift verwijst als soortgelijk, de locaties betreffen:
aan de [adres 2] in [woonplaats] , waar tevens het kadastrale perceel met nummer [kadasternummer 1] bij zou horen; en
het perceel, kadastraal bekend onder nummer [kadasternummer 2] .
Figuur 1: Luchtfoto van de [adres 2] op www.omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart, waarop tevens te zien zijn de kadastrale percelen [kadasternummer 1] (links, met het rode vierkant aangegeven) en [kadasternummer 2] (rechts, met het blauwe vierkant aangegeven).
Ter zitting is vastgesteld dat overeenkomstig het bestemmingsplan de bestemming ‘Recreatie’ geldt voor de [adres 2] . Dat is dus een andere bestemming dan de bestemming ‘Natuur’, die rust op het perceel waar eiser de bouwwerken in geschil heeft staan. Van een soortgelijk geval is op dit punt dan ook geen sprake. Dat op het perceel met nummer [kadasternummer 1] , dat volgens eiser bij de [adres 2] zou horen, wél de bestemming ‘Natuur’ rust, biedt hem geen soelaas. Het lag namelijk op zijn weg om aannemelijk te maken dat op dit perceel eveneens bouwwerken (stacaravans) staan, waartegen het college niet handhavend zou optreden. Dat heeft eiser nagelaten. Nu de rechtbank ook niet anderszins heeft kunnen vaststellen of op het perceel met nummer [kadasternummer 1] bouwwerken (stacaravans) staan, slaagt het beroep ter zake niet.
Eenzelfde oordeel treft het beroep op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van het perceel met nummer [kadasternummer 2] . Dit perceel valt namelijk zowel onder de bestemming ‘Natuur’, als onder de bestemming ‘Wonen’. Dat maakt dat ook hier sprake is van een andere situatie dan de situatie van eiser in dezen.
Uit het voorgaande volg dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel faalt.
Vertrouwensbeginsel
8. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin, nu de rechtbank niet is gebleken van een ondubbelzinnige toezegging van het college om de bouwwerken in geschil te behouden. Daartoe is het volgende van belang.
In haar uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Afdeling een stappenplan uiteengezet dat wordt gehanteerd bij een beroep op het vertrouwensbeginsel. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating en/of gedraging kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen, volgt de derde stap. Die omvat de vraag of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen eraan in de weg staan dat aan gerechtvaardigde verwachtingen moet worden voldaan.
In dit geval wordt niet toegekomen aan de tweede en derde stap. Geen sprake is namelijk van een uitlating en/of gedraging, die kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat hij zich op dit punt beroept op een gesprek met (inmiddels voormalig) burgemeester [naam 1] . Die zou hem hebben toegezegd dat de bouwwerken – de rechtbank begrijpt, in het bijzonder de (Romney) loods – mochten blijven staan. Ter onderbouwing van deze toezegging heeft eiser een brief van 16 mei 2012 overgelegd. Anders dan eiser, heeft de rechtbank op grond hiervan niet kunnen vaststellen dat hier sprake is geweest van een toezegging ten aanzien van de bouwwerken aan de [adres 1] in [woonplaats] . Voornoemde brief biedt daartoe onvoldoende aanknopingspunten, daar deze ziet op een inspraakreactie en zienswijze van eiser tegen respectievelijk het voornontwerpbestemmingsplan Buitengebied en het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied. De [adres 1] in [woonplaats] en de bouwwerken aldaar gelegen, worden in deze brief niet genoemd.
Ter zitting heeft eiser verder nog naar voren gebracht dat hij beschikt over een geluidsopname, waarop de gemachtigde van het college en diens collega, mevrouw [naam 2] , te horen zouden zijn. De uitlatingen van hen op die opname staan volgens eiser haaks op het plan van het college om zijn (Romney) loods te verwijderen. Eiser heeft deze uitlatingen ter zitting geciteerd. De rechtbank is van oordeel dat ook hieruit geen ondubbelzinnige toezegging blijkt, maar dat partijen elkaar slechts over de mogelijkheden ten aanzien van de (Romney) loods hebben gesproken.
Resumerend treft ook het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel geen doel.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college van handhavend optreden af had moeten zien, vanwege een schending van het gelijkheidsbeginsel en/of het vertrouwensbeginsel.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Trifunović, rechter, in aanwezigheid van
V.A.F.T. Voorn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 9 juli 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 9 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.