RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/498
(gemachtigde: mr. F.Y. Gans),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), het Uwv
(gemachtigde: M. Wardenburg).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de ingangsdatum van de uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ingangsdatum terecht bepaald is op de aanvraagdatum van de uitkering. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Het Uwv heeft deze aanvraag met het besluit van 12 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 januari 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en aan haar vanaf 27 november 2023 een Wajong-uitkering toegekend.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.
De rechtbank heeft op 2 april 2026 het onderzoek heropend, teneinde het Uwv om een nadere motivering te vragen. Nadat partijen over en weer hebben gereageerd en partijen geen behoefte hebben aan een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten op 29 juli 2026 en de datum van de uitspraak bepaald op vandaag.
Beoordeling door de rechtbank
Wat zijn de feiten?
3. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1987 (18 jaar op [geboortedatum] 2005), heeft op 9 juni 2006 een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Deze aanvraag werd op 14 februari 2007 afgewezen omdat eiseres na medisch en arbeidskundig onderzoek minder dan 25% arbeidsongeschikt bevonden werd. Dit besluit staat in rechte vast.
Eiseres heeft op 12 oktober 2011 een tweede Wajong-aanvraag gedaan. Deze aanvraag is met het besluit van 14 november 2011 niet in behandeling genomen.
Eiseres heeft op 27 november 2023 een derde aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Dat is de aanvraag waar het in deze procedure om gaat. Bij de aanvraag is vermeld dat eiseres niet met stress kan omgaan, in bed plast, straatvrees heeft, dat er sprake is van wantrouwen en veel trauma’s door gebeurtenissen uit het verleden. Een overzicht van de huisarts is aanwezig. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een voor het Uwv werkzame arts dossieronderzoek verricht. Volgens deze arts heeft eiseres, na daartoe twee maal mondeling te zijn verzocht, geen nieuwe medische informatie verstrekt waaruit blijkt dat de eerdere Wajong-beoordeling herzien moet worden. Dit oordeel is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts. Bij primair besluit van 12 februari 2024 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van de besluiten omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat deze besluiten onjuist zouden zijn. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. In bezwaar is een medisch dossier van Mondriaan en van de huisarts (inclusief brieven van behandelend specialisten) overgelegd alsmede een Trajectplan WSW van 6 oktober 2008, een psychologisch verslag van MEE van 8 februari 2005, een verslag BZW-indicatie MEE van 23 maart 2006 en informatie van Bureau Jeugdzorg uit 2003 en 2004.
Standpunten partijen
4. Bij besluit van 14 januari 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 12 februari 2024 gegrond verklaard en eiseres met ingang van 27 november 2023 in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering. Hieraan ligt een rapport ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven om van het besluit van 14 februari 2007 terug te komen. Omdat de (medische) informatie van destijds niet meer aanwezig is kan die niet vergeleken worden met de huidige informatie. Wel is de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat de beschikbare medische informatie aanleiding geeft om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 14 februari 2007, omdat eiseres, gelet op alle medische informatie die thans aanwezig is, volledig arbeidsongeschikt is op basis van het hebben van geen benutbare mogelijkheden bij volledig persoonlijk en sociaal disfunctioneren bij een ernstige psychische stoornis. Er is sprake van een duurzame situatie. Bij de bepaling van de ingangsdatum van de Wajong-uitkering heeft het Uwv aangesloten bij de datum van de aanvraag van eiseres van 27 november 2023.
Eiseres heeft in beroep, kort samengevat, aangevoerd dat zij het niet eens is met de ingangsdatum van de Wajong-uitkering. Het standpunt van het Uwv is innerlijk tegenstrijdig; er kan niet beoordeeld worden of er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden om terug te komen op het eerdere besluit terwijl het Uwv hierover wel een standpunt inneemt, namelijk dat er niet teruggekomen wordt op het eerdere besluit. De verzekeringsarts heeft onvoldoende gemotiveerd of de ingangsdatum niet verder in het verleden had kunnen liggen. Er is sprake van complexe meervoudige problematiek en een zeer kwetsbare persoonlijkheid. Verder meent eiseres dat het risico van onrechtmatige besluitvorming alleen voor risico van het Uwv kan komen en dus ook het feit dat een dossier niet compleet of voorhanden is. Gelet op alle aangeleverde medische informatie had de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen vaststellen dat er sprake is van een veranderde belastbaarheid binnen de Wajong-relevante periode. Gelet op de WSW-indicatie van 2008 is er een duidelijke aanwijzing dat de situatie van eiseres al langer zodanig was dat zij geen arbeidsvermogen had. Gewezen wordt ook op de beoordeling door de bedrijfsarts van de Arbo Unie uit 2008. Verder stelt eiseres dat de in 2007 door het Uwv geduide functies niet geschikt zijn. Het Uwv heeft verzuimd de periode van [geboortedatum] 2005 tot en met [geboortedatum] 2010 te beoordelen. Bovendien heeft er geen arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden in bezwaar hetgeen eveneens onzorgvuldig is.
Het Uwv heeft zich desgevraagd nader op het standpunt gesteld dat de bewaartermijn voor het Uwv van medische stukken tien jaar bedraagt, wat maakt dat het niet meer beschikbaar zijn van medische gegevens en rapportages uit 2007 voor rekening en risico van eiseres komt. Het Uwv wijst op de artikelen 7:446, vierde lid en 7:464, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en op artikel 5, eerste lid, van de Archiefwet en de daarop gebaseerde selectielijsten. Artikel 5.1 en verder van de Selectielijst regelt dat een bewaartermijn van een dossier met een sociaal-medische beoordeling tien jaar is.
Eiseres wijst in reactie op de bewaartermijn op een eerdere uitspraak van deze rechtbank, waarvan het Uwv niet in hoger beroep is gekomen en waar van een langere bewaartermijn wordt uitgegaan. Eiseres vindt het standpunt van het Uwv onvoldoende gemotiveerd.
Wat vindt de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht en op juiste gronden geoordeeld heeft dat de door eiseres ingebrachte (medische) informatie niet is aan te merken als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De medische informatie die de verzekeringsarts destijds ter beschikking had bij de medische beoordeling die ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van 14 februari 2007 is niet meer te achterhalen. Volgens vaste jurisprudentie dient het risico dat medische gegevens door het tijdsverloop niet meer te achterhalen zijn voor risico van degene die de laattijdige aanvraag indient te komen. De stelling dat het voor rekening en risico van het Uwv komt dat de medische informatie van de eerste Wajong-beoordeling niet meer aanwezig is, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Voor het Uwv gold op grond van de Archiefwet en de Selectielijst Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) na tien jaar geen algemene bewaarplicht meer voor de aan de eerste Wajong-beoordeling ten grondslag liggende documenten en eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan toch een langere bewaarplicht moet worden aangenomen. Het beroep van eiseres op de eerdere uitspraak van de rechtbank, genoemd onder noot 1 kan niet slagen. De rechtbank kan het Uwv volgen in zijn standpunt dat er in die zaak, zoals ook op zitting door het Uwv is aangegeven, uitgegaan is van een onjuiste termijn. Het Uwv heeft in die uitspraak berust. Dat wil niet zeggen dat de rechtbank bij de beoordeling in deze zaak moet uitgaan van een onjuiste termijn. Anders dan eiseres acht de rechtbank het standpunt over de bewaartermijn voldoende gemotiveerd. Gewezen wordt op de uitvoerige reactie van het Juridisch Kennis Centrum van het Uwv van 30 april 2026.
Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt nader gemotiveerd in zijn rapport van 12 januari 2025 dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. In dat rapport wordt aangegeven dat de medische informatie van PsyQ over de periode van 25 juli 2011 t/m maart 2012 en de informatie van de huisarts over het jaar 2022 en 2023 van ruim ná de 18e verjaardag, na de datum van het besluit van
14 februari 2007 of ná de Amber-periode is. Er is wel informatie over de relevante periode, te weten het Trajectplan WSW van 6 oktober 2008, het verslag van Radar van 8 februari 2005, de correspondentie van MEE van 23 maart 2006 en van Bureau Jeugdzorg van 15 maart 2004 en 7 april 2003. Nu alle gegevens van de eerste Wajong-beoordeling uit 2006/2007 ontbreken kan niet beoordeeld worden of deze betreffende informatie, met uitzondering van het Trajectplan, nieuw is, in die zin dat deze toentertijd niet meegenomen is door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts ziet geen reden om te veronderstellen dat die informatie ten tijde van de beoordeling niet bekend was. Evident andere inzichten geeft deze informatie niet. Er zou zelfs betwijfeld kunnen worden of de betreffende informatie niet op arbeidsvermogen wijst omdat daarin verwezen wordt naar een rapportage en FML van “bedrijfsarts Arbo Unie van 15 augustus 2008”.
De bestuursrechter kan aan de hand van wat eiseres heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om met terugwerkende kracht terug te komen van een eerdere beslissing evident onredelijk is. Dit kan het geval zijn als dat besluit ten tijde van het nemen ervan onmiskenbaar onjuist was. Wat eiseres in het voorliggende geval heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de gevolgen van het bestreden besluit evident onredelijk moeten worden geacht.
Niet in geschil is dat het Uwv terecht op grond van de zogenoemde duuraanspraakjurisprudentie aanleiding heeft gezien eiseres voor de toekomst in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat de beoordeling van het arbeidsvermogen, met alle informatie die er thans aanwezig is, aanpassing behoeft. Eiseres wordt, waarbij de informatie van PsyQ meegewogen wordt, volledig arbeidsongeschikt geacht op basis van het hebben van geen benutbare mogelijkheden bij volledig persoonlijk en sociaal disfunctioneren bij een ernstige psychiatrische stoornis. Deze situatie wordt duurzaam geacht.
Eiseres kan niet worden gevolgd in haar betoog dat het Uwv de ingangsdatum van de Wajong-uitkering op een eerdere datum dan 27 november 2023 had moeten bepalen. Een aanvraag om voor de toekomst terug te komen van een eerder besluit bij een duuraanspraak wordt immers altijd ingewilligd per datum van ontvangst van deze aanvraag.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, rechter, in aanwezigheid van mr. Horsten-Kuijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 10 augustus 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.