RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12048611 \ CV EXPL 26-129
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij],
gemachtigde: mr. E.T. van den Hout,
tegen
[gedaagde partij] V.H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
gemachtigde: mr. R.R.F.J. Palmen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek- de akte uitlaten van [eisende partij]
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eisende partij] en [gedaagde partij] zijn bekenden van elkaar.
[eisende partij] heeft op 7 juli 2024 een bedrag van € 3.000,00 overgemaakt naar [gedaagde partij].
3. Het geschil
[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 3.890,00, bestaande uit € 3.000,00 aan hoofdsom, € 425,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 465,00 aan verschenen wettelijke handelsrente tot 7 november 2025, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 7 november 2025 en de proceskosten.
[eisende partij] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [eisende partij] stelt dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat [eisende partij] aan [gedaagde partij] € 3.000,00 zou betalen zodat [gedaagde partij] dit bedrag in cryptovaluta kon beleggen. [gedaagde partij] heeft hierbij gezegd dat [eisende partij] geen risico zou lopen omdat hij haar bij verlies het bedrag zou restitueren. Omdat [gedaagde partij] het bedrag niet terugbetaalt, beroept [eisende partij] zich primair op een tekortkoming die ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Subsidiair stelt [eisende partij] dat de overeenkomst vernietigbaar is op grond van misbruik van omstandigheden, meer subsidiair op grond van bedrog en uiterst subsidiair op grond van dwaling.
[gedaagde partij] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij], dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
[gedaagde partij] betwist de door [eisende partij] gestelde afspraak. [gedaagde partij] voert aan dat partijen alleen de afspraak hebben gemaakt dat [eisende partij] aan hem € 3.000,00 betaalde, waarvan [gedaagde partij] dan voor haar cryptovaluta kocht. [gedaagde partij] stelt zich aan deze afspraak te hebben gehouden, maar dat de gekochte crypto in een vrije val is geraakt en dat de koers nul bedraagt. [gedaagde partij] betwist verder dat er sprake zou zijn van misbruik van omstandigheden, bedrog of dwaling.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Wat zijn de gemaakte afspraken?
De kernvraag in deze zaak is welke afspraken partijen hebben gemaakt. [eisende partij] stelt dat zij € 3.000,00 zou overmaken aan [gedaagde partij], dat [gedaagde partij] vervolgens dit bedrag voor haar zou beleggen in cryptovaluta en dat [gedaagde partij] haar dit volledige bedrag zou terugbetalen als de investering verlies opleverde. [gedaagde partij] erkent het eerste gedeelte van deze afspraak, namelijk dat [eisende partij] het bedrag van € 3.000,00 aan hem betaalde en dat hij voor dit bedrag voor [eisende partij] cryptovaluta had gekocht. Daarmee staat dit gedeelte van de afspraak vast.
[gedaagde partij] betwist uitdrukkelijk het laatste gedeelte van de door [eisende partij] gestelde afspraak, namelijk dat hij [eisende partij] het bedrag van € 3.000,00 zou terugbetalen als de investering verlies opleverde. Daarvan was volgens [gedaagde partij] geen sprake. Door deze betwisting is het aan [eisende partij] om nader bewijs te leveren dat deze afspraak is gemaakt.
Afspraak terugbetalen bij verlies is niet gemaakt
[eisende partij] voert aan dat [gedaagde partij] haar beloofd had om het volledige bedrag terug te betalen bij verlies van deze investering. Ter onderbouwing van haar stelling beroept [eisende partij] zich op de door [gedaagde partij] verstuurde whatsapp-berichten die zij onder randnummer 10 van de dagvaarding heeft weergegeven. In deze berichten stuurt [gedaagde partij] - voor zover relevant - :
“Ik weet dat ik je dit (onderstreping ktr) had beloofd en als ik het geld had dat had ik het je terug gegeven maar ik heb zelf op het moment niks, zodra ik weer geld heb dan pas kan ik je pas geld geven.” en “Ik ga je proberen in de toekomst om het terug te geven.”.
Cruciaal hierin is wat [gedaagde partij] bedoeld met “dit”. Volgens [eisende partij] moet hierin de verplichting worden gelezen om het volledige geld terug te betalen. [gedaagde partij] betwist dit en voert aan dat hij met “dit’ bedoeld heeft dat hij zal proberen nog wat van het verlies terug te halen. In tegenstelling tot hetgeen [eisende partij] in haar repliek stelt, ligt de bewijslast van wat “dit” inhoudt, niet op [gedaagde partij], maar op [eisende partij]. Zij stelt immers dat met “dit” de afspraak bedoeld wordt dat [gedaagde partij] haar de € 3.000,00 zou terugbetalen bij verlies van de investering, en zij beroept zich op het rechtsgevolg van deze stelling, namelijk dat [gedaagde partij] verplicht is haar € 3.000,00 te betalen. Door de gemotiveerde betwisting van [gedaagde partij] is het aan [eisende partij] om haar stellingen nader te onderbouwen. [eisende partij] doet dat echter niet dan wel onvoldoende, zodat de kantonrechter daar aan voorbij gaat en [eisende partij] niet toelaat tot verdere bewijslevering.
Uit het voorgaande volgt dat partijen alleen de afspraak hebben gemaakt dat [eisende partij] € 3.000,00 aan [gedaagde partij] zou betalen en dat [gedaagde partij] voor [eisende partij] dit bedrag investeerde in cryptovaluta. [gedaagde partij] heeft met zijn overgelegde stukken uitvoerig onderbouwd hoe hij tot aankoop van de cryptovaluta is overgegaan. [eisende partij] trekt deze stukken weliswaar in twijfel, maar komt niet verder dan een blote betwisting. Daardoor heeft [gedaagde partij] met zijn onderbouwing voldoende aangetoond dat hij met de € 3.000,00 van [eisende partij] cryptovaluta heeft gekocht.
Kan de overeenkomst worden ontbonden?
Primair stelt [eisende partij] dat er sprake is van een tekortkoming omdat [gedaagde partij] zijn zorgplicht ex artikel 7:401 BW heeft geschonden door [eisende partij] niet duidelijk te waarschuwen voor de risico’s die verbonden zijn aan een investering in cryptovaluta. Ook heeft [gedaagde partij] het geld niet naar behoren beheerd waarbij [gedaagde partij] in strijd heeft gehandelde met artikel 7:403 lid 2 BW. [gedaagde partij] betwist dat sprake is van een overeenkomst van opdracht omdat hij [eisende partij] alleen bij het aankopen van de cryptovaluta heeft geholpen in het kader van een vriendendienst. Verder betwist [gedaagde partij] ook dat hij een professionele partij zou zijn die zich bezighoudt met beleggen en investeren in financiële producten, zodat op hem geen verdere zorgplicht of informatieplicht rust. Gezien deze betwisting van [gedaagde partij] is het aan [eisende partij] om haar stelling, dat wel sprake was van een overeenkomst van opdracht, en waar die dan uit bestond, verder te onderbouwen. Dit heeft zij echter nagelaten. Omdat ook een specifiek bewijsaanbod daartoe ontbreekt, zal [eisende partij] niet in de gelegenheid worden gesteld om nader bewijs te leveren.
Nu van een overeenkomst van opdracht geen sprake is, rust op [gedaagde partij] in dat kader geen specifieke zorgplicht of informatieplicht. Bovendien is de kantonrechter van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat er risico’s zitten aan beleggen. De koersen kunnen stijgen, maar ook dalen, waarbij (een deel van) de inleg dan verloren gaat. [eisende partij] mag verondersteld worden bekend te zijn geweest met deze risico’s, te meer daar zij zelf in de stukken heeft aangevoerd dat zij weinig vertrouwen had in een investering in cryptovaluta.
Of de overeenkomst op grond van een andere tekortkoming kan worden ontbonden, is niet door [eisende partij] aangevoerd. Bovendien heeft [eisende partij] onduidelijk gesteld voor welke duur zij zou investeren, in welke valuta, of vastzetten van de rente mogelijk was en in welke mate [gedaagde partij] deze investering zou beheren. Nu van een tekortkoming niet is gebleken, ontbreekt een grondslag voor ontbinding van de overeenkomst.
Kan de overeenkomst worden vernietigd?
Misbruik van omstandigheden
[eisende partij] voert aan dat [gedaagde partij] haar heeft overrompeld door onaangekondigd op 5 juni 2024, welke datum zij pas na de conclusie van antwoord wijzigt in 7 juli 2024, om 6:00 uur ’s ochtends aan haar deur te staan om haar over te halen om te investeren in cryptovaluta. Op dat tijdstip was zij slaperig en nog beschonken na een avond/nacht stappen. Verder was zij onervaren in het beleggen maar had zij vertrouwen in [gedaagde partij] vanwege hun vriendschap. Van al deze omstandigheden heeft [gedaagde partij] volgens [eisende partij] misbruik gemaakt door haar te bewegen om in cryptovaluta te investeren. Enkel omdat [gedaagde partij] had gezegd dat zij geen geld kon verliezen, heeft [eisende partij] besloten om te investeren. Vervolgens heeft zij op 7 juli 2024 het bedrag van € 3.000,00 aan [gedaagde partij] overgemaakt.
[gedaagde partij] betwist dat hij [eisende partij] op een onverwacht moment had overgehaald om te investeren in cryptovaluta en voert daartoe aan dat partijen bij [eisende partij] hadden afgesproken op 7 juli 2024 vroeg in de ochtend, na de nachtdienst van [gedaagde partij]. [gedaagde partij] betwist dat [eisende partij] op dat moment in een beschonken toestand verkeerde en dat hij had gezegd dat zij geen geld kon verliezen. Gelet op deze gemotiveerde betwisting, had het ook hier op de weg van [eisende partij] gelegen om de door haar gestelde omstandigheden nader te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. Bovendien heeft de gehele handeling om de cryptovaluta aan te kopen, onbetwist, een uur geduurd, zodat [eisende partij] voldoende tijd had om zich alsnog terug te trekken. Evenmin heeft [eisende partij] zich in de dagen erna bij [gedaagde partij] gemeld dat zij eigenlijk niet wilde investeren en haar geld terug wilde. Pas toen de koersen dermate gekelderd waren dat de investering verdampt was, wilde zij haar geld terug.
Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat sprake was van misbruik van omstandigheden, zodat de gevorderde vernietiging op die grond wordt afgewezen.
Bedrog
Aan haar vordering tot vernietiging van de overeenkomst op grond van bedrog legt [eisende partij] ten grondslag dat [gedaagde partij] had verteld dat het beleggen in cryptovaluta geen risico inhield en dat [eisende partij] het geld niet kon verliezen. Daarmee heeft [gedaagde partij] volgens [eisende partij] opzettelijk een onjuiste mededeling gedaan. [gedaagde partij] heeft echter gemotiveerd betwist dat hij deze uitspraak heeft gedaan, waarna een nadere onderbouwing van [eisende partij] - ook hier - achterwege is gebleven. Bovendien is in r.o. 4.7. reeds overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat er aan beleggen risico’s zitten. Hierdoor is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake was van bedrog, zodat de meer subsidiair gevorderde vernietiging wordt afgewezen.
Dwaling
Als laatste grond voert [eisende partij] aan dat sprake was van dwaling. Zij had namelijk alleen geïnvesteerd omdat [gedaagde partij] haar verzekerd had dat zij geen geld zou verliezen. Bij een verlies zou [gedaagde partij] het volledig geïnvesteerde bedrag terugbetalen. Dit bleek een onjuiste voorstelling van zaken. Indien [eisende partij] wel erover geïnformeerd was dat zij geld kon verliezen, had zij nooit ingestemd met het beleggen. Volgens [eisende partij] heeft [gedaagde partij] de risico’s van het beleggen achtergehouden, waardoor hij zijn mededelingsplicht heeft geschonden.
[gedaagde partij] betwist dat hij [eisende partij] verkeerde inlichtingen heeft gegeven of niet heeft geïnformeerd waar dat wel had gemoeten. Daartoe voert [gedaagde partij] aan dat er voor hem geen enkel voordeel in zat om voor [eisende partij] garant te staan voor eventuele beleggingsrisico’s. Hij heeft de aankoop van de cryptovaluta alleen gefaciliteerd. Zoals reeds in r.o. 4.4. en 4.5. is overwogen is niet vast komen te staan dat [gedaagde partij] aan [eisende partij] de toezegging heeft gedaan dat hij haar het bedrag terug zou betalen als de investering verlies zou leiden. Nu een nadere onderbouwing van haar stellingen ontbreekt, is niet vast komen te staan dat sprake was van onjuiste inlichtingen van [gedaagde partij]. Evenmin is [eisende partij] erin geslaagd om te bewijzen dat [gedaagde partij] een mededelingsplicht zou hebben geschonden. [gedaagde partij] is immers geen professioneel handelende belegger, maar een particulier die zijn eigen geld belegt in plaats van op een spaarrekening te zetten. Daarom wordt ook de uiterst subsidiaire vordering van [eisende partij] om de overeenkomst op grond van dwaling te vernietigen, afgewezen.
Proceskosten
[eisende partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
720,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.