RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1880
(gemachtigde: mr. J.M.S. Nass),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, verweerder
(gemachtigden: mr. B. Jussen en mr. J. Lemmens).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam derde-partij 1] en [naam derde-partij 2] uit [woonplaats] (derde-partij)
(gemachtigde: mr. K. Hoeveler).
1. Deze uitspraak gaat over de aangevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van een erfafscheiding op het perceel van eiser aan de [adres] te [woonplaats] . Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van 2 juli 2025 waarbij verweerder naar aanleiding van het bezwaar van de derde-partij heeft besloten dat er wel degelijk een omgevingsvergunning is vereist en deze omgevingsvergunning vervolgens heeft geweigerd. Eiser heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser voert daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit rechtmatig is.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat de aangevraagde erfafscheiding vanwege de hoogte niet vergunningsvrij is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Bij besluit van 2 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een erfafscheiding op de [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel) te weigeren, omdat de aangevraagde werkzaamheden vergunningsvrij zijn.
De derde-partij heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Verweerder heeft op 2 juli 2025 (het bestreden besluit) het bezwaar van de derde-partij gegrond verklaard, het primaire besluit ingetrokken en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De derde-partij heeft een reactie gegeven.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. B. Jussen namens verweerder en de gemachtigde van eiser.
Gebleken is dat de rechtbank per abuis de derde-partij niet heeft uitgenodigd voor de zitting van 11 februari 2026. Daarom heeft de rechtbank het beroep nogmaals op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de derde-partij, mr. J. Lemmens namens verweerder en de gemachtigden van eiser en de derde-partij.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (hierna: de Ow) in werking getreden. Die is hier van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Ow heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse geldt het Omgevingsplan ‘gemeente Kerkrade’ (het omgevingsplan) . Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Kerkrade Oost III’ (hierna: het bestemmingsplan) van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Kerkrade.
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Uit artikel 22.27, onder f, sub 1, van het omgevingsplan volgt dat er geen omgevingsvergunning is vereist voor een erf- of perceelafscheiding, indien deze hoger is dan 1 meter en niet hoger dan 2 meter.
Op grond van artikel 22.36, onder b, van het omgevingsplan is het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f, van het omgevingsplan in overeenstemming met het omgevingsplan.
Op grond van artikel 22.24, eerste lid, onder b, en het tweede lid, van het omgevingsplan worden hoogten gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. Een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, wordt gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Uit artikel 16.2.5, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan volgt dat een terreinafscheiding maximaal 2 meter hoog mag zijn.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 26 september 2024 een aanvraag ingediend (hierna: de aanvraag) voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een erfafscheiding op het perceel. Eiser is eigenaar van het perceel. De derde-partij is woonachtig op het perceel dat zich bevindt achter het perceel van eiser.
In 2024 is het perceel van de derde-partij met 20 centimeter opgehoogd vanwege de bouw van hun woning.
Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag afgewezen, omdat het bouwen van een erfafscheiding in onderhavig geval voldoet aan artikel 22.27, onder f, sub 1, juncto artikel 22.36, onder b, van het omgevingsplan en daarom volgens verweerder vergunningsvrij is. Verweerder heeft voor wat betreft de meetbepalingen artikel 22.24, tweede lid, van het omgevingsplan gehanteerd, waaruit zou blijken dat gemeten dient te worden aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is, oftewel het perceel van de derde-partij.
De derde-partij heeft bezwaar ingediend tegen het primaire besluit. Voor zover van belang, is zij van mening dat de meetbepalingen van artikel 22.24, tweede lid, van het omgevingsplan onjuist zijn toegepast, waardoor er geen sprake is van een vergunningsvrije activiteit.
Naar aanleiding van het bezwaar van de derde-partij heeft de Centrale Bezwaarschriften- en Klachtencommissie van de gemeente Kerkrade (hierna: de commissie) advies uitgebracht aan verweerder. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de commissie overgenomen, het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarom beroep ingesteld. Hij stelt dat de aangevraagde erfafscheiding wel degelijk vergunningsvrij is.
Beoordeling
Is voor het bouwen van de erfafscheiding op het perceel een omgevingsvergunning vereist?
4. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In artikel 22.27, lid f, onder 1, van het omgevingsplan is bepaald dat er geen omgevingsvergunning is vereist voor een erfafscheiding indien deze niet lager is dan 1 meter en niet hoger dan 2 meter. Op grond van artikel 16.2.5, onder b, van het bestemmingsplan mag de erfafscheiding niet meer dan 2 meter bedragen.
Tussen partijen is in geschil of vanaf het perceel van eiser of vanaf het verhoogde perceel van de derde-partij gemeten dient te worden om de hoogte van de erfafscheiding te bepalen. Partijen zijn het met elkaar eens dat de meetbepalingen uit artikel 22.24, tweede lid, van het omgevingsplan van toepassing zijn, maar geven ieder een andere uitleg aan dit artikel. Volgens eiser dient vanaf het perceel van de derde-partij gemeten te worden, zodat eiser binnen de grenzen van vergunningsvrij bouwen blijft. Volgens de derde-partij en verweerder dient vanaf het perceel van eiser gemeten te worden, zodat er wel een omgevingsvergunning nodig is voor het bouwen van de erfafscheiding. De rechtbank overweegt als volgt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in uitspraken over soortgelijke kwesties eerder overwogen dat de hoogte moet worden gemeten vanaf het aan het bouwwerk aansluitend afgewerkt terrein. Het gaat dan om de staat van het direct aan het bouwwerk aansluitend terrein zoals dat na voltooiing van de bouw is afgewerkt. Op deze hoofdregel bestaat één uitzondering. Het gaat dan om de situatie dat aangebrachte plaatselijke ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk niet bij het verdere verloop van het terrein passen en niet noodzakelijk zijn voor de bouw van het bouwwerk. In dat geval moeten die ophogingen of verdiepingen buiten beschouwing worden gelaten bij de bepaling van de hoogte van het bouwwerk. Deze uitzondering is bedoeld om ongewenste omzeiling van de hoofdregel te voorkomen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het aanleggen van een kunstmatige plaatselijke ophoging, uitsluitend met het oog op verhoogde plaatsing van een bouwwerk. Hierdoor oogt de op de verhoging geplaatste bebouwing hoger dan passend is bij het verdere verloop van het terrein. Daarom moet in dergelijke gevallen bij de bepaling van de bouwhoogte zo’n plaatselijke terreinverhoging aan de voet van een bouwwerk buiten beschouwing blijven.
5. Volgens verweerder dient de ophoging van het perceel van de derde-partij niet van invloed te zijn op de toegestane hoogte van de erfafscheiding op het perceel van eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel het perceel van eiser als de daar naastgelegen percelen de oorspronkelijke terreinhoogte hebben en de ophoging van het perceel van de derde-partij niet noodzakelijk was voor de aangevraagde erfafscheiding van eiser, maar noodzakelijk was voor de bouw van de woning van de derde-partij. Volgens verweerder is het uitgangspunt dat gemeten dient te worden vanaf de oorspronkelijke als natuurlijk aan te merken terreinhoogte en dienen daar ook omliggende percelen bij betrokken te worden. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder en overweegt daartoe als volgt.
A) Waar is het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst?
6. Ingevolge artikel 22.24, tweede lid, van het omgevingsplan dient voor de toepassing van het eerste lid, onder b, een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten te worden aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is (de hoofdregel). De rechtbank stelt met partijen vast dat het terrein van de achterburen, waar de grond ten behoeve van het terras met 20 centimeter is opgehoogd, het hoogste aansluitend afgewerkt terrein betreft.
B) Moet de ophoging van 20 centimeter worden meegenomen?
7. Blijkens artikel 22.24, eerste lid, onder b, van het omgevingsplan dient de hoogte te worden gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven.
1) Is de ophoging aan de voet van het bouwwerk?
Het betreffende bouwwerk ziet op de door eiser aangevraagde erfafscheiding. De rechtbank is met partijen van oordeel dat de verhoging van het terras van de derde-partij een verhoging is aan de voet van de door eiser aangevraagde erfafscheiding. De verhoging van het terras van de derde-partij ligt immers aan de aangevraagde erfafscheiding, zoals ook blijkt uit de in het dossier opgenomen foto’s.
2) Past de ophoging bij het verdere verloop van het terrein?
Indien de ophoging van het terras van de derde-partij niet past bij het verdere verloop van het terrein dan dient de ophoging niet te worden meegenomen bij het meten en dient dus vanaf het perceel van eiser gemeten te worden (uitzondering op de hoofdregel). De rechtbank is van oordeel dat de ophoging van het terras van de derde-partij niet past bij het verdere verloop van het terrein en overweegt daartoe als volgt. De woning van de derde-partij ligt op gelijk niveau aan hun straat, om zo aangesloten te zijn op de nieuwe verhoogde infrastructuur. Het terras van de derde-partij heeft dezelfde hoogte als de woning van de derde-partij. Het perceel van eiser en de daarnaast gelegen percelen hebben het oorspronkelijke niveau, zonder plaatselijke ophogingen. Bij de beoordeling of een ophoging past bij het verloop van het terrein dient niet alleen het betreffende perceel te worden betrokken, maar ook de omliggende percelen. De ophoging van het terras van de derde-partij past niet bij het verdere verloop van het perceel van eiser en de daarnaast gelegen percelen.
3) Is de ophoging noodzakelijk voor de bouw van het bouwwerk?
Indien de ophoging noodzakelijk is voor de bouw van het bouwwerk dan dient de ophoging wel te worden meegenomen en dient vanaf de ophoging gemeten te worden (uitzondering op de uitzondering). In onderhavige situatie is de vraag van belang of de ophoging (het terras van de derde-partij) noodzakelijk was voor het bouwwerk, namelijk de door eiser aangevraagde erfafscheiding. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De ophoging van het terras van de derde-partij is niet noodzakelijk voor het bouwen van de door eiser aangevraagde erfafscheiding. Dat betekent resumerend dat de ophoging niet moet worden meegenomen bij het meten van de hoogte van de gevraagde erfafscheiding.
Conclusie
8. Gelet op het voorgaande dient op grond van artikel 22.24, eerste lid, onder b, en tweede lid, van het omgevingsplan voor het bepalen van de hoogte van de erfafscheiding gemeten te worden vanaf het perceel van eiser. Dit betekent dat de aangevraagde erfafscheiding vanaf het perceel van eiser gemeten 2,20 meter hoog is. Op grond van 22.27, onder f, sub 1, van het omgevingsplan heeft verweerder dan ook terecht in het bestreden besluit geoordeeld dat de aangevraagde erfafscheiding vergunningplichtig is. Van strijd met het motiveringsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit mocht oordelen dat de door eiser aangevraagde erfafscheiding vergunningplichtig is. Het beroep van eiser is ongegrond. Hij krijgt daarom zijn griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.J.M. Thelen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 12 augustus 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 augustus 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.