RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/343845 / HA ZA 25-322
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[broer 1] ,
te [woonplaats 1] , [gemeente] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [broer 1] ,
advocaat: mr. F.G.H.J. Niemarkt,
tegen
[broer 2] ,
te [woonplaats 2] , [gemeente] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [broer 2] ,
advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties [nummer 1] tot en met 12,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie en de daarbij overgelegde producties [nummer 1] tot en met 7,- de brief van 24 september 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie en de daarbij overgelegde producties 13 tot en met 15,
- de akte wijziging van eis in conventie van 27 oktober 2025,- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 maart 2026 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van beide partijen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[broer 1] en [broer 2] zijn broers. De broers bezitten samen een aantal onroerende zaken waarvan zij ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn, te weten:
- het perceel grond, kadastraal bekend [kadastraal nummer 1] ,
groot twee hectare, negenendertig are en vijfenzeventig centiare:
- het perceel grond, kadastraal bekend [kadastraal nummer 2] ,
groot twee hectare, twaalf are en tachtig centiare;
- het bedrijfsgebouw gelegen te [adres 1] te [postcode] [plaats] , [gemeente]
, kadastraal bekend [kadastraal nummer 3] , groot
negenendertig are en vijfenveertig centiare;
- het woonhuis, loods en weiland gelegen aan de [adres 2] te [postcode] [woonplaats 2] , [gemeente] , kadastraal bekend [kadastraal nummer 4] , groot tweeëntwintig are en vijfenveertig centiare.
De broers wensen te komen tot een verdeling van de eenvoudige gemeenschappen die zij ten aanzien van voormelde onroerende zaken hebben. Zij hebben hierover onderhandeld, waarbij hun insteek is geweest dat de onroerende zaken aan [broer 2] worden toebedeeld en dat [broer 2] op zijn beurt aan [broer 1] diens aandeel in de (over)waarde uitkeert. Zij zijn het echter niet eens kunnen worden over de wijze van taxatie in het kader van die verdeling.
[broer 1] en [broer 2] hebben tevens samen met hun ouders een onderneming gevoerd in de vorm van een vennootschap onder firma (v.o.f), waar [broer 1] inmiddels uit is getreden. De verdeling van die v.o.f. loopt nog. In deze procedure speelt de verdeling van de v.o.f. geen rol.
3. Het geschil
in conventie
[broer 1] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. Met betrekking tot verdeling van de gemeenschap:
[nummer 1] . [broer 2] te veroordelen om binnen een week na betekening van dit vonnis zijn
medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht tot taxatie aan een
door de rechtbank te benoemen taxateur om te komen tot de verkoop van bovenvermelde onroerende zaken,
2. te bepalen dat de taxateur een voor partijen bindende waarde in het economisch verkeer bepaalt van de onroerende zaken onder [nummer 1] genoemd, voor wat betreft de beide percelen alsmede het bedrijfsgebouw gelegen te [adres 1] te [postcode] [woonplaats 2] , [gemeente] in de staat waarin een en ander zich bevond op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding en voor wat betreft het woonhuis, de loods en het weiland, gelegen aan de [adres 2] te [postcode] [woonplaats 2] , [gemeente] , tegen de waarde in onverhuurde staat,
3. [broer 2] te veroordelen om zijn volledige medewerking te verlenen aan de
verkoop en levering van de onder [nummer 1] genoemde onroerende zaken en aan alle
daarmee verband houdende en benodigde (rechts)handelingen die [broer 2]
daartoe dient te verrichten,
4. [broer 2] te bevelen aan de taxateur in het kader van de taxatie direct na
totstandkoming van de onder [nummer 1] bedoelde opdracht, na voorafgaande aankondiging
uiterlijk drie dagen tevoren, vrijelijk toegang te verlenen tot de onder [nummer 1] genoemde
onroerende zaken,
5. [broer 2] te veroordelen om aan [broer 1] een dwangsom te betalen van € [nummer 1] .000,00
voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [broer 2] na sommatie geen gehoor geeft aan een van de verplichtingen onder [nummer 1] , 3 en 4 met een maximum van € 100.000,00.
6. te bepalen dat, indien [broer 2] niet tijdig voldoet aan het onder [nummer 1] en 3 verzochte,
het vonnis van de rechtbank op de voet van het bepaalde in art. 3:300 BW in de
plaats treedt van het deel van de schriftelijke taxatieovereenkomst, de schriftelijke
koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken de
wilsverklaring van [broer 2] dat hij opdracht geeft tot taxatie van de onder [nummer 1]
genoemde onroerende zaken, deze onroerende zaken (mede) verkoopt c.q. (mede)
levert aan de koper(s),
7. te bepalen dat partijen met elkaar moeten afrekenen op grond van het uitgangspunt
dat de helft van de netto overwaarde toekomt aan beide deelgenoten.
B. Met betrekking tot inzage in de opbrengst van de verschillende gemeenschappelijke
onroerende zaken:
8. [broer 2] te veroordelen tot het geven van inzage in alle aangegane
overeenkomsten, alsmede tot het geven van inzage in alle recente huuropbrengsten
van loodsen en bedrijfsgebouwen plus alle recente opbrengsten van de aan derden
in gebruik gegeven percelen grond, gestaafd met duidelijke en complete
betaalbewijzen c.q. bankafschriften betreffende bovengenoemde onroerende zaken,
9. [broer 2] te veroordelen om aan [broer 1] een dwangsom te betalen van € [nummer 1] .000,00
voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [broer 2] na sommatie geen gehoor geeft aan een van de verplichtingen onder 8. met een maximum van € 100.000,00,
C. Met betrekking tot gemaakte kosten:
10. [broer 2] te veroordelen in de kosten van dit geding, daaronder begrepen een
bedrag aan salaris voor de advocaat van eiser, te vermeerderen met de wettelijke
rente vanaf de dag van het in deze te wijzen vonnis.
[broer 2] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[broer 2] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[nummer 1] . de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen die er bestaat ten aanzien van de genoemde onroerende zaken aldus vast te stellen dat deze worden toebedeeld aan [broer 2] , waarbij [broer 2] :
- primair de helft van de vastgestelde waarde ad € [nummer 1] .335.000,- ofwel een bedrag ad € 667.500,- ter zake overbedeling behoort te voldoen aan [broer 1] ,
- subsidiair een bedrag overeenkomend met de helft van de nader door de deskundige ex artikel 186 Rv vast te stellen waarde met bepaling dat de kosten, gemoeid met dit deskundigenonderzoek, alsmede de kosten gemoeid met de notariële levering door partijen ieder voor de helft zullen worden voldaan en gedragen, met
machtiging om, indien [broer 1] geen of onvoldoende medewerking verleent aan de toedeling aan [broer 2] van de onroerende zaken, alles te mogen doen wat hiervoor noodzakelijk is, met bepaling dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de onroerende zaken noodzakelijke toestemming en/of handtekening van [broer 1] .
2. [broer 1] te veroordelen in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie, waaronder een bedrag ad € 278,- ter zake nakosten, indien geen betekening van het vonnis plaatsvindt, dan wel € 370,- vermeerderd met de explootkosten, indien niet binnen 14 dagen aan het vonnis is voldaan en de betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, alle hiervoor bedoelde proceskosten te voldoen binnen 14 dagen na
de dag waarop dit (eind)vonnis wordt gewezen, bij niet (tijdige) betaling, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15de dag na de uitspraak van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
[broer 1] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en reconventie
Partijen hebben ter zitting een aantal afspraken gemaakt.
Wat betreft de door [broer 1] gevraagde inzage spreken partijen af dat door [broer 2] aan [broer 1] ter beschikking worden gesteld:
- bankafschriften vanaf [nummer 1] januari 2024 tot nu (inkomsten en uitgaven), waarbij de bankmutaties moeten zijn te herleiden tot facturen;
- overeenkomsten vanaf [nummer 1] januari 2024 tot nu, en indien deze zijn geëindigd, bewijsstukken van de beëindiging hiervan.
Wat betreft de door [broer 2] gevraagde inzage spreken partijen af dat [broer 1] aan [broer 2] ter beschikking zal stellen:
- bankafschriften vanaf [nummer 1] januari 2024 waaruit de door hem ontvangen huurpenningen ter zake [adres 2] zijn te herleiden;
- overzichten van inkomsten en uitgaven ter zake de verhuur van loods 2.
Partijen hebben daarnaast te kennen gegeven dat zij graag een rechtbankdeskundige benoemd willen zien. Deze zou dan, aan de hand van bevindingen van de eigen deskundigen van partijen een definitieve taxatie kunnen bepalen.
Partijen wensen ook dat, gelet op het door hen gevoerde debat, de rechtbankdeskundige een tweeledige taxatie zal maken, te weten een taxatie van de betreffende vier onroerende zaken in verhuurde, dan wel verpachte staat en een taxatie in niet-verhuurde dan wel niet-verpachte staat. Ook zal het bedrijfsgebouw aan de [straat] worden getaxeerd als onroerende zaak met één huisnummer ( [nummer 1] ), alsmede met twee huisnummers ( [nummer 1] en [nummer 2] ). De deskundige zal tevens de vraag worden voorgelegd om te onderzoeken of formeel sprake is van een al dan niet gesplitst bedrijfsgebouw ( [nummer 1] en [nummer 2] ).
Indien het nodig is dat, gelet op de aard van de onroerende zaken, twee deskundigen moeten worden benoemd, dan refereren partijen zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het hiervoor omschreven door partijen gewenste deskundigenonderzoek zal in dit vonnis worden bevolen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het in verband met hun specialisatie noodzakelijk is om ten behoeve van de taxatie van de gebouwen en de agrarische gronden twee afzonderlijke taxateurs te benoemen. Gelet daarop zal de rechtbank de onder de beslissing vermelde deskundigen benoemen. Aan deze deskundigen zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd.
Hierbij overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding aanleiding om het voorschot op de kosten van de deskundigen gelijkelijk over partijen te verdelen. Partijen moeten daarom ieder de helft van dit voorschot betalen.
In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen of één van beide partijen uiteindelijk de kosten van de deskundigen moet betalen.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
Als een partij op verzoek van de deskundigen of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
beveelt een onderzoek door een deskundige op het gebied van taxatie van de agrarische gronden voor de beantwoording van de volgende vragen:
Wat is volgens uw bevindingen – en mede gelet op de bevindingen van de door partijen ingeschakelde (of mogelijk nog in te schakelen) deskundigen – de waarde van de onder 2.1 genoemde gronden in verpachte staat en in niet-verpachte staat?
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
En beveelt een onderzoek door een deskundige op het gebied van taxatie van de gebouwen voor de beantwoording van de volgende vragen:
Wat is volgens uw bevindingen – en mede gelet op de bevindingen van de door partijen ingeschakelde (of mogelijk nog in te schakelen) deskundigen – de waarde van het onder 2.1 genoemde bedrijfsgebouw en woonhuis, loods en weiland in verhuurde staat en in niet-verhuurde staat? En wat is daarbij de waarde van het bedrijfsgebouw aan de [straat] als onroerende zaak met één huisnummer ( [nummer 1] ) en met twee huisnummers ( [nummer 1] en [nummer 2] )?
Kun u vaststellen of formeel sprake is van een al dan niet gesplitst bedrijfsgebouw ( [nummer 1] en [nummer 2] ),
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
benoemt tot deskundige op het gebied van taxatie van de agrarische gronden:
de heer [persoon 1], verbonden aan [makelaar 1]
correspondentieadres:,
[adres 3] ,
[telefoonnummer 1] ,
[e-mailadres 1] ,
en benoemt tot deskundige op het gebied van taxatie van het bedrijfsgebouw en woonhuis, loods en weiland:
de heer [persoon 2] , verbonden aan [makelaar 2] B.V.,
correspondentieadres: [adres 4] ,
[telefoonnummer 2] ,
[e-mailadres 2] ,
bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,
het voorschot
de rechtbank stelt het voorschot vast op het door de deskundigen begrote bedragen van respectievelijk € 1.331,- incl. BTW en € 2.545,84 incl. BTW, die reeds aan partijen zijn voorgelegd en waarmee zij hebben ingestemd,
bepaalt dat [broer 1] en [broer 2] ieder de helft van het voorschot dienen over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
draagt de griffier op om de deskundigen onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
bepaalt dat partijen in onderling overleg/ [broer 1] – na vaststelling van het voorschot – het procesdossier in afschrift aan de deskundigen moet toesturen,
bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door de deskundigen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
wijst de deskundigen erop dat:
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),
- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid moet bieden dit onderzoek bij te wonen; als slechts één partij (althans niet alle partijen) bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,
- als partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen moeten verstrekken als de deskundigen daarom vragen, de deskundigen toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,
het schriftelijk rapport
draagt de deskundigen op om uiterlijk 3 maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
wijst de deskundigen erop dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van woensdag 7 oktober 2026,
draagt de griffier op om de zaak op een eerdere rol te plaatsen:
- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of,
- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van beide partijen op een termijn van vier weken,
houdt iedere verdere beslissing aan,
Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.