RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/354617 / KG ZA 26-304
Vonnis in kort geding van 14 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats 1],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J.W.J. Schoonbrood te Heerlen,
tegen
[gedaagde] h.o.d.n. [bedrijf],
wonende te [plaats 2],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 juli 2026 met de producties 1 tot en met 8,
- de mondelinge behandeling van 11 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- het tijdens de mondelinge behandeling tegen gedaagde verleende verstek.
2. 2. De feiten
[eiser] heeft in oktober 2024 opdracht gegeven aan [gedaagde] om in hoger beroep te gaan tegen het vonnis van deze rechtbank, sector kanton, locatie [plaats 1] met zaaknummer 9449944 \ CV EXPL 21-4443. [gedaagde] heeft deze opdracht aanvaard.
[gedaagde] heeft vervolgens hoger beroep ingesteld namens [eiser] bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De procedure in hoger beroep is bekend onder het zaak-/rolnummer 200.348.969/01.
Op 16 oktober 2024 heeft [gedaagde] ter betaling een factuur van € 5.000,- aan [eiser] toegestuurd. [eiser] heeft deze factuur voldaan.
Op 15 april 2026 vond een bespreking plaats tussen [eiser], en [gedaagde], waarbij de maatschappelijk werkster van [eiser] aanwezig was. Tijdens dat gesprek heeft [gedaagde] aan [eiser] medegedeeld dat hij geen stukken naar het gerechtshof heeft verstuurd en dat er fouten zijn gemaakt. [gedaagde] heeft tijdens het gesprek toegezegd aan [eiser] de stukken alsnog te zullen indienen bij het gerechtshof op uiterlijk 12 mei 2026 en [eiser] daarover te informeren. Hiertoe hebben partijen een afspraak gemaakt op 13 mei 2026.
Op 13 mei 2026 verscheen [gedaagde] niet op de afspraak met [eiser] en was hij telefonisch onbereikbaar. [eiser] heeft [gedaagde] vervolgens op 21 mei 2026 en 2 juni 2026 schriftelijk verzocht om het dossier van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep aan hem te overhandigen. Hierop heeft [gedaagde] niet gereageerd.
Mr. Schoonbrood heeft namens [eiser] eveneens verzocht om afgifte van het dossier van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, te weten op 23 mei 2026 en 23 juni 2026. Tot op heden heeft [gedaagde], ondanks zijn schriftelijke toezeggingen hiertoe (op 10 juni 2026 en 9 juli 2026), niet volledig voldaan aan deze verzoeken en heeft hij slechts de appeldagvaarding, de memorie van grieven en het rolbericht H-3 Indienen van processtuk van 10 maart 2025 (roldatum 11 maart 2025) doorgestuurd naar mr. Schoonbrood.
3. Het geschil
[eiser] vordert - na (gedeeltelijke) intrekking van de vordering onder III. en VI. ter gelegenheid van de mondelinge behandeling - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] zal veroordelen om binnen vijf dagen na de betekening van dit vonnis aan [eiser] het volledige digitale procesdossier betreffende de behandeling van de zaak van [eiser] in eerste aanleg bij de rechtbank Limburg sector kanton locatie [plaats 1], zaaknummer 9449944 \ CV EXPL 21-4443, alsmede het procesdossier van het hoger beroep bij het gerechtshof ’s- Hertogenbosch, zaaknummer 200.348.969/01 af te geven;
II. zal bepalen dat onder het procesdossier in eerste aanleg c.q. in hoger beroep in ieder geval wordt verstaan:
alle processtukken met producties in eerste aanleg, het tussenvonnis / de tussenvonnissen en het eindvonnis bij de rechtbank Limburg sector kanton locatie [plaats 1] alsmede de papieren processtukken in hoger beroep bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch;
alle correspondentie met het gerechtshof, waaronder alle rolberichten namens appellant alsmede alle correspondentie namens geïntimeerde;
III. [gedaagde] zal veroordelen te verstrekken alle in het hoger beroep ingediende processtukken;
IV. zal bepalen dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per dag of gedeelte
daarvan dat hij niet aan dit vonnis voldoet, zulks met een maximum van € 15.000,00;
V. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de wettelijke rente daarover, de nakosten en de wettelijke rente daarover.
[gedaagde] voert geen verweer.
Op de stellingen van [eiser] wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4. De beoordeling
Verstek verleend
Aangezien bij dagvaarding alle bij de wet voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, is tegen [gedaagde], die niet is verschenen, verstek verleend.
Het spoedeisend belang
Een voorziening in kort geding kan slechts worden getroffen indien de partij die de voorziening (de ordemaatregel) vordert, daarbij een spoedeisend belang heeft. Dit volgt uit artikel 254 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. [eiser] zal gelet hierop feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken, die meebrengen dat de gevorderde voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed noodzakelijk is en dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij spoedig dient te beschikken over de gevorderde dossiers vanwege de aanhangige procedure in hoger beroep. De stand van zaken in die procedure is volgens [eiser] onduidelijk en hij wenst – met het oog op het mogelijk verstrijken van termijnen en omdat [gedaagde] heeft gezegd dat er fouten zijn gemaakt in de procedure in hoger beroep – zo spoedig mogelijk te kunnen handelen. Daarvoor heeft hij het dossier van zowel de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep nodig. Hiermee is het spoedeisend belang van [eiser] bij beoordeling van de vorderingen in kort geding gegeven.
Ten aanzien van de vorderingen
De vorderingen van [eiser] strekken ertoe dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot afgifte van kort gezegd de dossiers die zien op de procedure waarbij [eiser] als partij is betrokken en waarin [gedaagde] hem in hoger beroep bijstaat. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat tussen hem en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht bestaat uit hoofde waarvan [gedaagde] als goed opdrachtnemer gehouden is op het eerste verzoek de dossiers die zien op de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, af te geven. Aangezien [gedaagde] ondanks dat herhaaldelijk om afgifte is verzocht en hij ([gedaagde]) ondanks een toezegging daartoe niet tot afgifte is overgegaan, dient hij hiertoe te worden veroordeeld, aldus [eiser].
Aangezien [eiser] onweersproken heeft gesteld dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht bestaat inhoudend dat [gedaagde] hem als advocaat bijstaat in de procedure met het onder 2.2. genoemde zaaknummer, hetgeen overigens ook uit de door [eiser] overgelegde correspondentie blijkt, gaat de voorzieningenrenrechter bij de verdere beoordeling hiervan uit. Uit het bepaalde in artikel 7:401 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat [gedaagde] als opdrachtnemer de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. Een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat is als een (voormalig) cliënt of een opvolgend advocaat om overdracht van het dossier vraagt, in beginsel gehouden het dossier tijdig en volledig aan die cliënt dan wel aan die opvolgend advocaat te verstrekken. Dit volgt ook uit vaste tuchtrechtspraak. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] ondanks herhaald verzoek hiertoe hieraan niet heeft voldaan. Daarmee heeft hij belang bij het treffen van de gevorderde voorziening, terwijl aan de zijde van [gedaagde] geen belangen naar voren zijn gekomen die nopen tot een andere afweging. Aldus komt vordering I. de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en ligt deze voor toewijzing gereed.
Het staat [eiser] vrij om zijn procesdossiers op te vragen en [gedaagde] dient in dat kader als goed opdrachtnemer op het eerste verzoek hieraan te voldoen. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] hieraan tot op heden niet heeft voldaan.
Voor de duidelijkheid en ter voorkoming van misverstanden overweegt de voorzieningenrechter het volgende. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij toen de zaak in eerste aanleg werd behandeld, is bijgestaan door een ander advocatenkantoor en dat [gedaagde] beschikt over het volledige digitale procesdossier dat in het kader van die procedure (door de voorganger van [gedaagde]) is aangelegd. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat hij om die reden onder I. afgifte van “het digitale procesdossier” van de procedure in eerste aanleg vordert. Wat betreft het procesdossier van het hoger beroep heeft [eiser] verklaard dat hij ervan uitgaat dat [gedaagde] een fysiek / papieren dossier heeft aangelegd ter zake de procedure in hoger beroep, maar dat het [gedaagde] vrijstaat dit ofwel digitaal ofwel op papier te overhandigen, reden waarom hij onder I. afgifte van “het procesdossier” van de procedure in hoger beroep vordert. Vordering I. zal dienovereenkomstig worden toegewezen.
Vordering II. strekt ertoe dat wordt geconcretiseerd welke documenten, als deel onderdeel van de hiervoor genoemde dossiers, in ieder geval dienen te worden afgegeven. Deze vordering komt de voorzieningenrechter eveneens niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze voor toewijzing gereed ligt. De vordering onder III. is tijdens de mondelinge behandeling gedeeltelijk, voor zover deze strekte tot het verstrekken van een schriftelijk overzicht, ingetrokken. [eiser] heeft gesteld dat de resterende vordering onder III. ziet op het verstrekken door [gedaagde] van de in hoger beroep ingediende processtukken. Gelet op de inhoud van vordering I. en II., die mede strekken tot afgifte van alle ingediende processtukken in hoger beroep, heeft [eiser] geen afzonderlijk belang bij toewijzing van zijn vordering onder III. Deze vordering wordt daarom als ongegrond afgewezen.
Dwangsom
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de gevorderde dwangsom te matigen en te maximeren tot een lager bedrag.
Proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten voor het uitbrengen van de dagvaarding en de explootkosten in geval van betekening van dit vonnis. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
93,00
- salaris advocaat
€
760,00
- nakosten
€
189,00
Totaal
€
1.042,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de manier zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na de betekening van dit vonnis aan [eiser] het volledige digitale procesdossier betreffende de behandeling van de zaak van [eiser] in eerste aanleg bij de rechtbank Limburg sector kanton locatie [plaats 1], zaaknummer 9449944 \ CV EXPL 21-4443, alsmede het procesdossier van het hoger beroep bij het gerechtshof ’s- Hertogenbosch, zaaknummer 200.348.969/01 af te geven;
bepaalt dat onder het procesdossier in eerste aanleg en in hoger beroep in ieder geval wordt verstaan:
alle processtukken met producties in eerste aanleg, het tussenvonnis / de
tussenvonnissen en het eindvonnis gewezen door de rechtbank Limburg sector kanton locatie [plaats 1] in de zaak met het hiervoor onder 5.1. genoemde zaaknummer alsmede de processtukken van de procedure in hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de zaak met het hiervoor onder 5.1. genoemde zaaknummer;
alle correspondentie met het gerechtshof, waaronder alle rolberichten namens appellant alsmede alle correspondentie namens geïntimeerde;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling, die ook het bepaalde onder 5.2. behelst, voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.042,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2026.