RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] uit [woonplaats 1] , eiser sub 1,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep, het college
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/1489
[eiseres 1] uit [woonplaats 2] , eiseres sub 1,
[eiser 2] uit [woonplaats 3] , eiser sub 2,
[eiseres 2] uit [woonplaats 3] , eiseres sub 2,
gezamenlijk aan te duiden als: eisers
en
(gemachtigden: mr. J.M. van der Eerden en mr. Y.J.P.E.M. Quaedvlieg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: J&J Gennep BV uit Gennep (vergunninghoudster).
Procesverloop
1. Op 27 juli 2023 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een laaddock en laadkuil. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt op 13 augustus 2023. Met het bestreden besluit van 12 februari 2024 op het bezwaar van eisers heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de verleende vergunning in stand gelaten.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop een verweerschrift ingediend.
Vergunninghoudster heeft aan de rechtbank stukken doen toekomen.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser sub 1 en de gemachtigden van het college. Eiser sub 1 heeft tijdens deze zitting een wrakingsverzoek ingediend. Dit verzoek is door de wrakingskamer van de rechtbank op 27 oktober 2025 ongegrond verklaard.
Op 6 maart 2026 heeft het college een aanvullend verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de behandeling ter zitting vervolgens op 17 maart 2026 hervat. Hieraan hebben deelgenomen: eiser sub 1 en de gemachtigden van het college. Tijdens deze (tweede) behandeling op zitting heeft eiser sub 1 gereageerd op het (aanvullend) verweerschrift van het college. Eiser sub 1 heeft vervolgens een wrakingsverzoek ingediend. Dit verzoek is door de wrakingskamer van de rechtbank op 30 maart 2026 niet-ontvankelijk verklaard.
Een nadere behandeling ter zitting heeft de rechtbank niet aangewezen geacht, gelet op het feit dat partijen over en weer reeds hebben kunnen reageren op elkaars standpunten en de rechtbank geen vragen aan partijen meer heeft. De rechtbank heeft op
11 augustus 2026 het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Op 30 maart 2023 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een laadkuil en het plaatsen van een laaddock aan de [adres 1] te [woonplaats 2] (hierna: het perceel). Vergunninghoudster is eigenaar van het perceel en verhuurt het perceel aan Essity B.V. (hierna: Essity).
Het college heeft vergunninghoudster op 19 april 2023 om aanvullende stukken verzocht. Vergunninghoudster heeft aanvullende stukken ingediend. Vervolgens heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
Op het perceel is het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Hoogveld – De Groote Heeze 2012’ van toepassing. Op grond van dit bestemmingsplan geldt de bestemming ‘bedrijventerrein’ en de dubbelbestemming ‘Archeologie 4’ op het perceel. Volgens het college past de aangevraagde activiteit in het bestemmingsplan en blijft het bouwplan binnen de grenzen van wat er op grond van het bestemmingsplan is toegestaan.
Het college heeft de aanvraag getoetst aan het Bouwbesluit 2012 en de gemeentelijke Bouwverordening. Volgens het college voldoet het bouwplan aan het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Daarnaast heeft de commissie ruimtelijke kwaliteit op 2 mei 2023 positief geadviseerd over het bouwplan en aangegeven dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is enkel aan eiser sub 1 gestuurd.
Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 maart 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
De aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ kan slechts worden geweigerd indien sprake is van één van de weigeringsgronden opgesomd in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Het in dit artikel neergelegde stelsel voor beoordeling van aanvragen is een zogenoemd limitatief-imperatief stelstel. Dit betekent dat dwingend is voorgeschreven dat een omgevingsvergunning moet worden geweigerd als één of meer van de weigeringsgronden in dat artikel zich voordoen en moet worden verleend als geen van de weigeringsgronden zich voordoet. Het college mag de omgevingsvergunning dus niet weigeren om andere redenen en ten behoeve van andere belangen dan die staan genoemd in artikel 2.10 van de Wabo.
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo - voor zover van belang - wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het
bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012;
(…)
de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft zowel
op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand (...).
Wie is belanghebbende?
4. Hoewel tussen partijen niet in geschil, dient de rechtbank, gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, te beoordelen of eisers terecht als belanghebbende zijn aangemerkt bij het bestreden besluit.
Eiseres sub 1 woont aan de [adres 2] , op 75 meter afstand van het perceel. Eiser sub 1 en eiseres sub 2 zijn de eigenaren van de woning aan de [adres 2] . Gelet op de afstand tussen de [adres 2] en het perceel en het feit dat vanaf de [adres 2] zicht op het perceel bestaat, is de rechtbank van oordeel dat eiser sub 1 en eiseres sub 1 en 2 in ieder geval terecht als belanghebbende zijn aangemerkt bij het bestreden besluit.
Ten aanzien van eiser sub 2 overweegt de rechtbank als volgt. Eiser sub 2 is woonachtig in Gennep, ruim drie kilometer van het perceel vandaan. Eiser sub 2 stelt desondanks een persoonlijk en rechtstreeks belang te hebben bij het bestreden besluit, omdat zijn kinderen aan de [adres 2] wonen. Het feit dat de kinderen van eiser sub 2 in de buurt van het perceel wonen, maakt niet dat hij daarmee zelf een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang heeft. In dat geval gaat het bij uitstek om een niet rechtstreeks betrokken belang, namelijk via de kinderen. Wel zou in een dergelijk geval geprocedeerd kunnen worden namens de kinderen als hun wettelijk vertegenwoordiger. Het beroep (en het bezwaar) is echter ingesteld door eiser sub 2 op persoonlijke titel, niet namens de kinderen. Daarnaast heeft de rechtbank op 7 oktober 2025 eiser sub 2 rechtstreeks aangeschreven met het verzoek om informatie, teneinde daarmee aan te tonen dat hij als wettelijke vertegenwoordiger namens de kinderen woonachtig aan de [adres 2] optreedt. De rechtbank heeft geen reactie van eiser sub 2 ontvangen. Eiser sub 2 is niet ter zitting verschenen en heeft zich daar ook niet laten vertegenwoordigen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser sub 2 niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Omdat het college zijn bezwaar ten onrechte inhoudelijk heeft behandeld, is het beroep gegrond. Het besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De rechtbank zal desondanks een inhoudelijk oordeel geven over de door het college verleende omgevingsvergunning.
Gronden van beroep
Omvang van het geding
5. Aan de rechtbank ligt ter toetsing voor het bestreden besluit ten aanzien van de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een laaddock en laadkuil. Het college kan de omgevingsvergunning enkel weigeren te verlenen indien er sprake is van strijd met het bestemmingsplan, strijd met het Bouwbesluit of de bouwverordening, of indien de redelijke eisen van welstand vergunningverlening in de weg staan. De beroepsgronden moeten in het licht van deze weigeringsgronden bezien worden. Dat betekent dat de door eisers aangevoerde beroepsgronden over het intrekken van een exploitatievergunning op grond van de Wet Bibob, het niet beschikking over een (exploitatie)vergunning door Essity, het al dan niet ontbreken van een milieurapport, het niet voldoen aan maatwerkvoorschriften die bij besluit van 25 augustus 2023 zijn opgelegd ten aanzien van de Hoogveld 25 te Heijen, het vervoeren van gevaarlijke stoffen, het ontbreken van een lijst bedrijven waaraan vergunninghoudster eventueel gelieerd is en het stilleggen van die bedrijven, het gestelde bouwen tijdens de bouwstop en het stopzetten van de werkzaamheden van Essity, niet door de rechtbank besproken zullen worden.
Verkeerde aanschrijving
6. Per abuis heeft het college het bestreden besluit alleen aan eiser sub 1 toegestuurd in plaats van naar alle vier de eisers. Uit de ondertekening van het beroepschrift blijkt echter dat alle eisers kennis hebben genomen van het bestreden besluit en zij hebben ook allen tijdig beroep ingesteld. De rechtbank ziet daarom geen reden om gevolgen aan de omissie van het college te verbinden, nu is gebleken dat eisers niet in hun procesbelangen zijn geschaad. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Onvolledige aanvraag
7. Eisers stellen zich op het standpunt dat de aanvraag onvolledig was omdat er geen afschrift is overgelegd van bedrijven waarin de bouwer, aanvrager of rechthebbende een duurzaam belang heeft.
De rechtbank begrijpt dat eisers zich hiermee op het standpunt stellen dat het college de aanvraag niet als zodanig in behandeling had mogen nemen. De rechtbank overweegt dat het college de aanvraag terecht zonder dit afschrift in behandeling heeft genomen. Het formulier, zoals door eisers bedoeld, staat namelijk niet genoemd als een indieningsvereiste voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen in de Ministeriële regeling omgevingsrecht. Dit laat overigens onverlet dat het op grond van artikel 4:5, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht een bevoegdheid is van het college om een aanvraag al dan niet in behandeling te nemen, zelfs al zou die onvolledig zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overlast
8. Volgens eisers vinden er extra verkeersbewegingen plaats ter hoogte van de [adres 2] . Daarvan ervaren zij overlast. Eisers ervaren daarnaast overlast van rood en groen licht vanuit de laaddock gericht op de [adres 2] .
Het college stelt dat het al dan niet ervaren van overlast niet relevant is voor de vergunningverlening, gelet op het hiervoor genoemde toetsingskader.
De door eisers gestelde overlast kan in ieder geval niet betrokken worden ten aanzien van de weigeringsgronden die de redelijke eisen van welstand of het Bouwbesluit betreffen. De vraag of het college voldoende rekening heeft gehouden met gestelde overlast is ruimtelijk van aard. Op het moment dat het bouwplan niet zou voldoen aan het bestemmingsplan, zou onder omstandigheden plaats kunnen zijn voor deze ruimtelijke toets. In dit geval, zo staat tussen partijen ook niet ter discussie, past het bouwplan binnen het bestemmingsplan. Een ruimtelijke toets is daarom niet aan de orde. Het standpunt van eisers over gestelde overlast kan daarom geen belemmering vormen voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Integriteit gemeente
9. Eisers stellen dat het college niet heeft onderzocht of gemeenteraadsleden van de gemeente Gennep of leden van het college van burgemeester en wethouders gelieerd zijn aan de bouwer, aanvrager of rechthebbende.
Voor zover eisers met deze beroepsgrond stellen dat het college vooringenomen heeft gehandeld, overweegt de rechtbank als volgt. Op geen enkele manier hebben eisers aangetoond dat sprake zou zijn van onderlinge verbondenheid van leden van het college en vergunninghoudster, laat staan dat het college vergunninghoudster op enige manier heeft bevoordeeld. De rechtbank acht de door eisers aangedragen standpunten onvoldoende concreet om tot het oordeel te leiden dat de vergunning in strijd met het verbod van vooringenomenheid (of enig ander rechtsbeginsel) is verleend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Slotopmerking
10. De rechtbank overweegt dat eisers verder geen beroepsgronden hebben aangevoerd die verband houden met een van de weigeringsgronden die in artikel 2.10 van de Wabo zijn genoemd. De rechtbank ziet in het beroepschrift van eisers geen aanleiding voor het oordeel dat het college de verleende vergunning had moeten weigeren, nu hiervoor kennelijk geen weigeringsgrond bestaat. De rechtbank zal de verleende omgevingsvergunning daarom in stand laten. Het beroep is enkel gegrond ten aanzien van de ontvankelijkheid van eiser sub 2.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond omdat het college eiser sub 2 ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover eiser sub 2 daarbij ontvankelijk is verklaard. De verleende omgevingsvergunning blijft in stand. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiser sub 2 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers op grond van artikel 8:71, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht hun griffierecht terug. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Drent, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 18 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 18 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.