RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12308097 \ CV EXPL 26-3710
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
NAKI GROOTHANDEL B.V.,
te Venlo,
eisende partij,
hierna te noemen: Naki,
gemachtigde: mr. S. Besli,
tegen
HGIT VENRAYSEWEG 100 VENLO COÖPERATIE U.A.,
te Venlo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: HGIT,
gemachtigde: mr. A.A.L. Oving.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van Naki in de zaak met zaaknummer 12121181 \ HZ VERZ 26-16,
- het verweerschrift, met een tegenverzoek, in die procedure,
- de mondelinge behandeling van 25 juni 2026 in die procedure,
- de beschikking van 8 juli 2026 in die procedure, waarbij is bepaald dat een deel van de verzoeken worden verwezen naar de civiele rolzitting van de kamer voor kantonzaken.
De processtukken in de verzoekschriftprocedure zijn met goedkeuring van partijen aangemerkt als hun tegenhangers in de dagvaardingsprocedure en zijn daarom niet opnieuw ingediend.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Naki huurt ongeveer 13 jaar panden van (de rechtsvoorgangster van) HGIT op [locatie] . HGIT is sinds 1 juli 2020 zelf een huurovereenkomst met Naki aangegaan, lopend tot en met 31 december 2025, met betrekking tot de panden gelegen aan [adres 1] en [adres 2] .
De aanvangshuurprijs van het pand met [adres 1] bedraagt € 109.902,40 per jaar, exclusief btw en bijkomende kosten, hetgeen overeenkomt met € 12.358,21 per maand, inclusief btw en servicekosten. Er werd tevens een bankgarantie overeengekomen van
€ 49.432,85, hetgeen overeenkomt met vier maanden huur inclusief bijkomende kosten en btw.
De aanvangshuurprijs van het pand met [adres 2] bedraagt € 91.649,50 per jaar, exclusief btw en bijkomende kosten, hetgeen overeenkomt met € 10.262,55 per maand, inclusief btw en servicekosten. Er werd tevens een bankgarantie overeengekomen van
€ 41.050,20, hetgeen overeenkomt met vier maanden huur inclusief bijkomende kosten en btw.
Het pand met [adres 1] betreft circa 1844 m² aan bedrijfsruimte en het pand met [adres 2] betreft circa 1313 m² aan bedrijfsruimte en 267 m² aan kantoorruimte. Beide panden worden gebruikt voor inslag, opslag, verpakking, overslag en verwerking van vers- en foodproducten met bijbehorende kantoor en logistieke activiteiten. Ook hebben de panden mogelijkheden voor een cash-and-carry functie.
Op 4 oktober 2024 heeft HGIT de huur van beide panden schriftelijk opgezegd.
Namens Naki is bezwaar gemaakt tegen de opzegging.
HGIT heeft de opzegging gehandhaafd en heeft bevestigd dat de huur is opgezegd tegen 31 december 2025 en dat de panden per 1 januari 2026 moeten zijn ontruimd.
3. Het geschil
Naki heeft in de procedure met zaaknummer 12121181 \ HZ VERZ 26-16 onder meer het volgende verzoek gedaan:
“te verklaren voor recht dat de door HGIT gedane opzegging van de huurovereenkomsten met betrekking tot de bedrijfsruimten aan [adres 1] en [adres 2] geen rechtsgevolg heeft, althans buiten toepassing blijft, omdat HGIT door deze opzegging misbruik maakt van een economische machtspositie in strijd met artikel 24 mededingingswet, althans misbruik maakt van haar opzeggingsbevoegdheid”
Dat verzoek wordt thans gelijkluidend gelezen als een vordering.
HGIT heeft verweer gevoerd tegen voormelde vordering. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Naki stelt zich op het standpunt dat HGIT misbruik maakt van haar feitelijke monopoliepositie binnen [locatie] en dat zij daarmee in strijd handelt met artikel 24 van de Mededingingswet (hierna: Mw). Volgens Naki vormt [locatie] een gespecialiseerd agro- en foodcluster waarin HGIT via haar vastgoedstructuren een geconcentreerde en dominante positie inneemt. Voor ondernemingen zoals Naki bestaat binnen dit cluster geen economisch gelijkwaardig alternatief. Door de huurovereenkomst zonder objectieve en controleerbare rechtvaardiging te beëindigen en tegelijkertijd geen reële mogelijkheid tot voortzetting binnen het cluster te bieden, wordt Naki feitelijk uitgesloten van toegang tot dit economische ecosysteem. Hierdoor wordt de mededinging verstoord, aldus nog steeds Naki. Volgens Naki brengt de strijdigheid met artikel 24 van de Mededingingswet met zich mee dat de opzegging van de huurovereenkomst niet rechtsgeldig is, enerzijds wegens misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW) en anderzijds wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW).
De kantonrechter oordeelt dat in dit geval geen sprake is van misbruik van een economische machtspositie, zodat de opzegging van de huurovereenkomsten niet om die reden ongeldig is. Daartoe is het volgende redengevend.
De stelplicht en bewijslast dat sprake is van een inbreuk op artikel 24 Mw rusten op Naki. Artikel 1 Mw definieert het begrip ‘economische machtspositie’ als de positie van een of meer ondernemingen die hen in staat stelt de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan te verhinderen door hen de mogelijkheid te geven zich in belangrijke mate onafhankelijk van hun concurrenten, hun leveranciers, hun afnemers of de eindgebruikers te gedragen.
Als geen misbruikelijke gedragingen zijn aan te wijzen, verliest de vraag of sprake is van een economische machtspositie voor de hier aan de orde zijnde beoordeling ieder praktisch belang. Dat neemt niet weg dat het voor een goede beoordeling van bepaalde gedragingen nodig kan zijn te onderzoeken of sprake is van een economische machtspositie, alvorens te kunnen besluiten of zij misbruikelijk zijn. Maar als het gaat om gedragingen die onder geen enkele omstandigheid geacht kunnen worden misbruik te vormen, hoeft aan de vraag of een partij een economische machtspositie inneemt, geen aandacht te worden besteed.
Een en ander valt naar het oordeel de kantonrechter op zichzelf en in samenhang bezien niet als misbruik van een (eventuele) economische machtspositie te beschouwen, aangezien het de huurder (in dit geval Naki) op geen enkele manier ontmoedigt of verhindert om ook ruimte van concurrerende verhuurders te huren. Verder is niet betwist dat ook andere verhuurders (die geen onderdeel vormen van enige groep van ondernemingen waartoe HGIT behoort) op [locatie] huurruimte ter beschikking stellen. Bij het voorgaande heeft de kantonrechter nog buiten beschouwing gelaten of [locatie] de relevante marktafbakening is, zoals Naki lijkt te stellen. HGIT heeft er immers op gewezen dat in Nederland en eventueel omliggende landen ook andere industriegebieden bestaan waarop verse waren verhandeld worden. Naki heeft dat niet, dan wel onvoldoende betwist.
De conclusie moet dan ook zijn dat Naki onvoldoende heeft gesteld om te kunnen vaststellen dat zich misbruik van een economische machtspositie voordoet of zou kunnen voordoen. Daarom is de opzegging van de huurovereenkomst niet ongeldig wegens strijd met artikel 24 Mw. De vordering van Naki wordt dan ook afgewezen.
Naki is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van HGIT vergoeden. De kosten aan de zijde van HGIT worden begroot op nihil en daartoe is het volgende van belang. In deze procedure zijn geen proceshandelingen verricht (de processtukken uit de verzoekschriftprocedure zijn aangemerkt als processtukken in deze procedure). Verder blijkt uit de beschikking die vandaag in de verzoekschriftprocedure wordt gewezen, dat Naki ook in die procedure als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij is aan te merken. In de beschikking zijn gemachtigdensalaris en nakosten toegekend aan HGIT. Gelet hierop worden in deze procedure niet nogmaals gemachtigdensalaris en nakosten toegekend. Voor het overige heeft HGIT geen kosten gemaakt in deze procedure.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vordering van Naki af,
veroordeelt Naki in de proceskosten aan de zijde van HGIT en die tot op heden worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.