RECHTBANK LIMBURG
Uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 januari 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit Venray, verzoeker
de burgemeester van de gemeente Venray
Samenvatting
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 26/18
(gemachtigde: mr. E.M.A. Baetsen),
en
(gemachtigde: mr. S. Romijn).
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om hangende de bezwaarprocedure een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van het besluit van de burgemeester om de woning van verzoeker te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 13 november 2025 heeft de burgemeester besloten de door verzoeker bewoonde woning vanaf 20 november 2025 voor zes maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Verzoeker heeft op 27 november 2025 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 5 januari 2025 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om hangende de bezwaarprocedure een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester deelgenomen. Verzoeker heeft niet aan de zitting deelgenomen omdat hij ten tijde van de zitting niet in Nederland was.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Dit oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Als verzoeker het niet eens is met de beslissing op het bezwaar (die door de burgemeester nu nog moet worden genomen), kan verzoeker daartegen op dat moment beroep instellen bij de rechtbank. De rechtbank mag in die (bodem)procedure dus anders oordelen over de zaak dan de voorzieningenrechter nu.
Wat ging er aan het besluit vooraf?
4. Verzoeker is ingeschreven op het adres [adres] in Venray (hierna: de woning). Op 28 oktober 2025 is de broer van verzoeker, die ook ingeschreven staat op dat adres, aangehouden op verdenking van handel in verdovende middelen. Naar aanleiding van deze aanhouding is de woning op dezelfde dag doorzocht. Tijdens deze doorzoeking werd in de woning (onder andere) het volgende aangetroffen:
Is sprake van een spoedeisend belang?
5. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter dient dus eerst te beoordelen sprake of is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Verzoeker voert over het spoedeisend belang aan dat hij een periode in Turkije heeft verbleven vanwege de gezondheidssituatie van zijn vader. Vanwege de verlenging van zijn paspoort en de verplichtingen die voortvloeien uit zijn uitkering bij het UWV, is hij nu genoodzaakt om terug te keren naar Nederland. Ook studieverplichtingen maken dit noodzakelijk. Hij zal dan het grootste deel van de tijd in Nederland wonen. In Nederland heeft hij geen familie bij wie hij tijdelijk kan verblijven en hij beschikt niet over de financiële middelen om tijdelijk een andere woning te financieren.
De burgemeester heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft. De woning is al gesloten op 20 november 2025 en niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een acute situatie en onomkeerbaar gevolg. Voor het aanvragen van een paspoort heeft verzoeker geen toegang tot de woning nodig. Dat paspoort had verzoeker ook in Turkije kunnen aanvragen. Verder heeft verzoeker niet inzichtelijk gemaakt dat hij niet ergens anders kan verblijven of dat zijn UWV-verplichtingen toegang vereisen tot de woning.
De voorzieningenrechter stelt vast dat, hoewel verzoeker tot voor kort verbleef in Turkije, de woningsluiting tot gevolg heeft dat verzoeker bij terugkeer naar Nederland (op 23 januari 2026) direct geen (vast) verblijfadres heeft. Zij overweegt daarbij ook dat verzoeker ook diverse gegronde redenen heeft aangevoerd om terug te keren naar Nederland, zodat niet aan hem tegengeworpen kan worden dat hij op het adres in Turkije kan verblijven. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen.
Toetsingskader
6. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd een woning te sluiten als in die woning een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) van deze wet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Voor de uitvoering van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft de burgemeester beleidsregels vastgelegd. Hierin is opgenomen dat bij eerste overtredingen, wanneer sprake is van een ernstig geval en het harddrugs regime geldt, een sluitingsmaatregel van 6 maanden volgt. Van een ernstig geval is in elk geval sprake als de hoeveelheid harddrugs de 5 gram of 5 milliliter overschrijdt. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht handelt de burgemeester overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek aan de hand van de uitgangspunten die zijn opgesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor de beoordeling van woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Geschiktheid van de sluiting
7. Verzoeker voert aan dat de vermeende overtreding feitelijk al is beëindigd. Daarbij verwijst hij naar het tijdsverloop. Hij heeft zelf voor een langere tijd in Turkije verbleven. De broer van verzoeker zit sinds 29 oktober 2025 in detentie, waardoor de woning sindsdien onbewoond is. De woning is niet meer gebruikt, er is geen sprake van een loop naar het pand en het risico op herhaling is weggevallen. Daarmee zijn de doelen van de sluiting al bereikt. De aanwezigheid van verzoeker in het pand vormt geen bedreiging of risico voor de openbare orde. De sluiting is daarom ongeschikt, aldus verzoeker.
De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 13b van de Opiumwet een herstelsanctie betreft en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is op zichzelf niet het doel van deze sanctie, maar dat neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat burgemeester terecht heeft overwogen dat de sluiting van de woning een geschikt middel is. De woning is kort na constatering van de ernstige overtreding gesloten, waardoor gezien de ernst van de overtreding aangenomen kan worden dat de situatie in de omgeving nog niet is hersteld en de risico’s voor de omgeving onverminderd aanwezig waren op het moment van sluiting. De sluiting draagt, in ieder geval ten tijde daarvan, direct bij aan herstel van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Daarbij heeft de burgemeester ook terecht overwogen dat geen sprake is van een zodanig tijdsverloop dat de sluiting zijn nuttig effect verliest. Voor zover verzoeker zich op het standpunt stelt dat het woon- en leefklimaat op dit moment hersteld is, merkt de voorzieningenrechter op dat dit niet betekent dat de burgemeester niet de woningsluiting heeft kunnen opleggen en effectueren. Wel wijst de voorzieningenrechter verzoeker erop dat hij – zoals de burgemeester ook ter zitting heeft aangegeven – bij de burgemeester mogelijk een verzoek tot opheffing van de sluiting kan indienen.
Noodzakelijkheid van de sluiting
8. Verzoeker stelt zich verder op het standpunt dat de woningsluiting niet proportioneel is en dat de burgemeester had kunnen volstaan met het opleggen van een minder vergaande maatregel, zoals een waarschuwing of een sluiting voor een kortere periode. De broer van verzoeker heeft aangegeven dat vanuit de woning geen sprake is geweest van handel en dat de middelen waren bestemd voor eigen gebruik. Er zijn volgens verzoeker geen concrete aanwijzingen of objectieve feiten waaruit blijkt dat de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand of dat er in de omgeving al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of druggerelateerde criminaliteit. Evenmin is gebleken dat er sprake is van een opslaglocatie of dat de woning wordt verschaft aan derden om er drugs te gebruiken. Gelet hierop is er geen rechtvaardiging voor de ingrijpende maatregel, aldus verzoeker.
Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in dit geval sprake is van een ernstig geval is vanwege de (substantiële) hoeveelheid harddrugs, waardoor al de noodzaak kan worden aangenomen om tot sluiting over te gaan. Over het verband tussen de woning en de drugs merkt de voorzieningenrechter op dat eerdere observaties (drie keer in oktober 2025, waarbij meerdere kortstondige bezoekjes zijn waargenomen) en de gevonden attributen (onder andere een weegschaal, gripzakjes en wapens) er op duiden dat de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Daar komt ook bij dat er meerdere meldingen zijn gedaan over het vermoeden van drugshandel in of buiten de woning. Gelet op de hoeveelheid van de aangetroffen harddrugs, alsook gelet op de voornoemde omstandigheden, acht de voorzieningenrechter het verder niet aannemelijk dat deze drugs uitsluitend bestemd zijn voor eigen gebruik. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de burgemeester het noodzakelijk heeft kunnen achten om in overeenstemming met zijn beleid de woning te sluiten.
Evenwichtigheid van de sluiting
9. Verzoeker stelt zich tenslotte op het standpunt dat de sluiting onevenwichtig is. Daarbij geeft hij aan dat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en dat het enkele feit dat hij op hetzelfde adres staat ingeschreven onvoldoende is om hem verantwoordelijk te houden voor de aanwezigheid daarvan. Verder beschikt verzoeker niet over de financiële middelen om andere woonruimte te vinden en bekostigen en wordt verzoeker emotioneel en praktisch belemmerd doordat hij geen toegang heeft tot de woning. Bovendien studeert hij nog en zou de woningsluiting voor hem als student zeer ingrijpend zijn en grote gevolgen kunnen hebben voor de studievoortgang.
De voorzieningenrechter overweegt dat als sluiting van de woning in beginsel geschikt en noodzakelijk wordt geacht, dat niet wegneemt dat de sluiting ook evenwichtig moet zijn. Daarbij gaat het erom of de maatregel voldoende is afgestemd op de concrete situatie. In dit verband kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met (veel) nadelige gevolgen is niet per definitie onevenredig. Inherent aan de sluiting van de woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid.
Anders dan de burgemeester, acht de voorzieningenrechter verzoeker verminderd verwijtbaar. Hoewel hij staat ingeschreven op het adres, heeft verzoeker verklaard – en is dat door de burgemeester niet betwist – dat hij sinds augustus in Turkije verbleef. Daarmee is hij sindsdien feitelijk geen bewoner meer van de woning en kan van hem dan ook niet worden verwacht dat hij op dezelfde manier toezicht houdt op de woning als dat hij daadwerkelijk daar verbleef. Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat meerdere meldingen omtrent handel in of nabij de woning ouder zijn dan augustus 2025, zodat aannemelijk is dat de overtreding (in enige mate) al plaatsvond voordat verzoeker is vertrokken. De verminderde mate van verwijtbaarheid is in dit geval echter op zichzelf onvoldoende om de woningsluiting onevenredig te achten.
Over de financiële situatie van verzoeker overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verzoeker heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie, zodat niet vastgesteld kan worden of hij tijdelijk kan voorzien in vervangende woonruimte. Enkel het overzicht van zijn vaste lasten, het afschrift van zijn spaarrekening en een betaalspecificatie van het UWV zijn voor die vaststelling onvoldoende. De bij- en afschrijvingen van de spaarrekening stroken niet met de verklaringen die hij daarvoor gegeven heeft. Ook is het onduidelijk gebleven of verzoeker beschikt over vermogen en/of niet op een andere manier kan voorzien in vervangende woonruimte. Bovendien heeft verzoeker onvoldoende aangetoond wat de woningsluiting voor gevolgen kan hebben op zijn uitkering bij het UWV. Zo is niet gebleken dat hij niet aan zijn verplichtingen kan voldoen indien hij niet in de woning verblijft, is onduidelijk hoelang die uitkering nog loopt en is niet gebleken wat de gevolgen zouden zijn wanneer verzoeker geen uitkering zou krijgen. Dat de sluiting nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor de studie van verzoeker, is ook onvoldoende concreet gemaakt. Hoewel de voorzieningenrechter aanneemt dat de sluiting de situatie voor verzoeker lastiger maakt, is niet gebleken dat de woningsluiting op zichzelf tot gevolg heeft dat verzoeker bijvoorbeeld deze studie niet (tijdig) kan afronden. De burgemeester heeft in dat kader ook terecht ter zitting opgemerkt dat verzoeker ook gebruik kan maken van andere voorzieningen, van de universiteit of een openbare bibliotheek, om zijn studie voort te zetten.
Conclusie en gevolgen
10. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat de voorzieningenrechter op dit moment niet kan uitsluiten dat de woningsluiting onevenwichtige gevolgen heeft. Omdat dit door verzoeker onvoldoende is aangetoond, ziet de voorzieningenrechter echter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Zij wijst het verzoek daarom af. Wel wijst zij erop dat verzoeker de burgemeester schriftelijk kan verzoeken om de sluiting tussentijds op te heffen, zoals ook in het beleid is aangegeven. Omdat het verzoek wordt afgewezen, krijgt verzoeker geen vergoeding van het betaalde griffierecht of de door hem gemaakte proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 28 januari 2026