RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Roermond
Zaaknummers: C/03/354819 / JE RK 26-1428 // C/03/354841 / JE RK 26-1433
Datum uitspraak: 7 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een vervolg (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROERMOND,
vertegenwoordigd door het
Stichting CENTRUM VOOR JEUGD EN GEZIN MIDDEN LIMBURG,
gevestigd te Weert, hierna te noemen: het CJG;
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [plaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. F.A. Dronkers, kantoorhoudend te Roermond.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] , hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader] , hierna te noemen: de vader,
gezamenlijk te noemen: de ouders,
beiden wonende in [plaats 1] .
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van 31 juli 2026;
- het verzoekschrift met bijlagen van het CJG, ontvangen op 31 juli 2026;
- de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper, ontvangen op 3 augustus 2026;
- de door beide ouders ondertekende instemmingsverklaring ontvangen op 5 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] met zijn advocaat (die ook apart zijn gehoord);
de ouders;
- twee vertegenwoordigers van het CJG.
Het spoedverzoek (zaaknummer C/03/354819 / JE RK 26-1428) is gelijktijdig behandeld met het regulier verzoek van 31 juli 2026 (zaaknummer C/03/354841 / JE RK 26-1433) nu beiden verzoeken betrekking hebben op een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] .
Bij de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbende de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de kinderrechter.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij zijn ouders.
Bij beschikking van 31 juli 2026 heeft de kinderrechter, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden, een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken, aldus tot 14 augustus 2026. Iedere verdere beslissing is aangehouden in afwachting van het verhoor van de belanghebbenden. Op basis van deze machtiging verblijft [minderjarige] op een gesloten behandelgroep van [kliniek] in [plaats 2] .
3. Het verzoek
Het CJG heeft namens het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond een spoedmachtiging gevraagd om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. Aansluitend aan het spoedverzoek heeft het CJG ook een reguliere machtiging in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp gevraagd voor de duur van drie maanden. Tevens is in beide zaken verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De vader en de moeder stemmen in met het verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.
4. Wat ter zitting is besproken
Het CJG voert aan dat [minderjarige] sinds juni 2026 niet meer thuis woont. Doordat de thuissituatie onhoudbaar werd is [minderjarige] toen geplaatst op een behandelgroep van de [stichting] . Vanaf januari werd er al een toename zichtbaar in het zorgelijke en zelfbepalende gedrag van [minderjarige] . De ouders kregen hem niet begrensd en zij maakten zich dagelijks zorgen over de veiligheid van hun zoon en of ze hem nog wel levend zouden terugzien als hij weer was weggelopen. [minderjarige] treedt regelmatig uit contact met de ouders en de hulpverlening waardoor zijn veiligheid niet kan worden gewaarborgd. Als [minderjarige] wel open staat voor communicatie dan worden de zorgen over zijn gemoedstoestand alleen maar versterkt. Meestal wekt hij de indruk dat hij suïcidaal is of in ieder geval suïcidale gedachtes heeft. Het is slopend dat de ouders iedere dag zo met [minderjarige] bezig zijn.
Voorafgaand aan de spoedsituatie is [minderjarige] een aantal dagen vermist geweest en kreeg de [stichting] geen contact met hem. Op 13 juli werd de CJG geïnformeerd dat [minderjarige] 30 XTC tabletten had genomen waardoor hij op de IC is terecht gekomen waar hij voor langere tijd is gesedeerd. Op 29 juli werd duidelijk dat [minderjarige] bij een kennis verbleef in [plaats 3] en dat hij een mix van drank en drugs had genuttigd (die hem wederom bijna fataal zijn geworden). Hij is met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht waar hij een dag onder sedatie in slaap is gehouden. De politie moest worden ingeschakeld om hem rustig en veilig te houden. Deze situatie maakt duidelijk dat [minderjarige] niet in staat is om gezonde keuzes voor zichzelf te maken. Hij brengt zichzelf in een zodanige positie dat hij niet alleen voor zichzelf maar ook voor andere een gevaar vormt. Daarnaast begrijpt hij niet dat andere zich zorgen om hem maken. De spoedmachtiging gesloten jeugdzorg was noodzakelijk om [minderjarige] in bescherming te nemen en om zijn gemoedstoestand en veiligheid te stabiliseren.
Inmiddels is [minderjarige] op een gesloten behandelgroep van [kliniek] geplaatst. Het CJG acht het noodzakelijk dat er een machtiging komt voor de duur van 3 maanden. De verwachting is dat [minderjarige] de komende tijd ook nog bescherming en stabilisatie nodig blijft hebben. Vandaaruit kan er worden gewerkt aan hetgeen wat nodig is om [minderjarige] verder te helpen in zijn ontwikkeling. De vraag is wel of een opname binnen de GGZ niet beter aan sluit bij de problematiek. Volgens de [stichting] liggen er echter geen psychiatrische problemen aan alles ten grondslag. Dat bemoeilijkt de aanmelding van [minderjarige] bij een zorginstelling die bescherming kan bieden en die ook GGZ expertise in huis heeft. De komende periode wordt daarom benut om te onderzoeken of een opname binnen de psychiatrie toch tot de mogelijkheden behoort. Een opname bij [hulpverlening] is ter sprake gekomen maar daar is geen gesloten groep en bestaat dus het risico dat [minderjarige] weer wegloopt. Een psychiater zal moeten beoordelen wat de risico’s zijn en met welke plek [minderjarige] het beste geholpen is. Zolang dat niet duidelijk is, is een verlengde opname binnen de gesloten setting noodzakelijk. Het waarborgen van de veiligheid van [minderjarige] weegt op dit moment het zwaarst. Het CJG kan ermee instemmen dat [minderjarige] opnieuw door een gedragswetenschapper wordt gezien zodat hij dan, zonder eerst kort daarvoor gesedeerd te zijn geweest, nogmaals zijn zegje kan doen. Het CJG erkent dat de omstandigheden tijdens het voorgaande gesprek niet ideaal waren.
De ouders maken zich al geruime tijd ernstig zorgen over [minderjarige] . In feite is [minderjarige] een slimme, gevoelige en zorgzame jongen maar zijn gedrag werd steeds somberder. De ouders hebben hem zien afglijden. Zo deed [minderjarige] suïcidale uitspraken, is hij uitgevallen van school, gebruikte hij dagelijks drugs, liep hij regelmatig weg, hoorde hij stemmen en had hij last waanbeelden waarbij hij ook auto mutileerde. In het kader van zijn veiligheid en het uitvoeren van diagnostiek ondersteunen de ouders een tijdelijke opname binnen een gesloten setting. Waar [minderjarige] nu verblijft is tot nu toe niets anders gedaan dan begrenzen en begeleiden van gedrag. Volgens de ouders heeft [minderjarige] meer nodig. Daarbij voelt hij zich onbegrepen en onveilig op de groep. Gisteren is hij zelfs weggelopen. Dit maakt duidelijk hoe kwetsbaar de situatie nog is. De ouders gunnen [minderjarige] een beschermende omgeving, de vraag is alleen of hij nu op de juiste plek zit. De ouders twijfelen hieraan. Diagnostiek moet uitwijzen of er niet toch sprake is van psychiatrische problematiek zodat [minderjarige] binnen de GGZ kan worden geplaatst. Daar krijgt hij dan wel de juiste behandeling.
5. De mening van [minderjarige]
Door en namens [minderjarige] is naar voren gebracht – kort samen gevat - dat hij kan instemmen met de spoedmachtiging voor de duur van twee weken. De situatie was op dat moment erg heftig en [minderjarige] moest in bescherming worden genomen. Ten aanzien van de reguliere machtiging voelt [minderjarige] toch een aarzeling en is er weerstand. Hij twijfelt of er wel gekozen is voor de juiste interventie en of dat dan in een gesloten setting moet plaats vinden. Op de groep waar hij nu verblijft kunnen ze hem niet bieden wat hij nodig heeft. Hij voelt zich daar ook niet thuis en veilig. Hij is dan ook weggelopen maar wel zelf teruggekeerd omdat hij wist dat vandaag de zitting zou zijn. In zijn ogen is het ook niet eerlijk dat de gedragswetenschapper met hem gesproken heeft op het moment dat hij net uit zijn coma (sedatie) ontwaakte. Zijn verklaring doet daarom geen recht aan de situatie. Nu zou [minderjarige] een heel andere gesprek voeren. [minderjarige] heeft daarom nu niet het gevoel dat er de juiste weg wordt bewandeld. Hij is gemotiveerd om behandelt te worden maar wel binnen de psychiatrie. Gezien de problematiek zou een opname binnen een psychiatrische behandelsetting ook beter aansluiten. [minderjarige] wil zich gehoord voelen en wil ook graag weten waar zijn gevoelens vandaan komen. Zijn verzoek is om de termijn van de reguliere machtiging in te korten tot maximaal zes weken en een tussentijdse toetsing in te lassen zodat er een nieuwe verklaring van een gedragswetenschapper kan komen. Die verklaring moet duidelijk maken wat er speelt bij [minderjarige] en welke richting er gekozen moet worden.
6. De beoordeling
De kinderrechter verwijst allereerst naar hetgeen in de beschikking van 31 juli 2026 is overwogen en beslist.
De kinderrechter heeft de belanghebbenden gehoord naar aanleiding van voornoemde beschikking en oordeelt dat niet gebleken is dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden waardoor voornoemde beschikking zou moeten worden herroepen. Niemand heeft dat overigens naar voren gebracht of bepleit. Deze beslissing zal daarom worden gehandhaafd. Ter beoordeling ligt daardoor nog voor het aangehouden verzoek van het CJG over de gesloten jeugdhulp voor de duur van 2 weken en het reguliere verzoek voor de duur van drie maanden.
De formele vereisten
Op grond van artikel 6.1.2 lid 3 Jeugdwet (Jw)kan de kinderrechter ten aanzien van een jeugdige die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt op verzoek een (reguliere) machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven (gesloten jeugdhulp), indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust, of (c) degene die, anders dan bedoeld onder (b), de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt. De situatie als bedoeld onder sub (c) doet zich hier voor.
Gelet op artikel 6.1.2 lid 5 Jw moet bij het verzoek ook zijn overgelegd een instemmingsverklaring van een gekwalificeerde gedragswetenschapper, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. Hieraan is voldaan, gelet op de overgelegde verklaring van de gedragswetenschapper dr. drs. [persoon] van 30 juli 2026. De gedragswetenschapper heeft naar aanleiding van het gesprek met [minderjarige] aangegeven in te stemmen met toewijzing van het verzoek voor de duur van 3 maanden.
De kinderrechter is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat aan deze formele vereisten voor een reguliere machtiging tot gesloten jeugdhulp is voldaan. Gelet hierop staat de weg open voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
De inhoudelijke beoordeling
Een machtiging gesloten jeugdhulp kan op grond van artikel 6.1.2 lid 2 Jw slechts worden verleend indien deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Ook moet de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Daarnaast mogen er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- of opvoedingsproblemen te behandelen.
Op grond van de stukken, waaronder de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper, en de verklaringen ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat deze situatie zich voordoet en een machtiging gesloten jeugdhulp daarom noodzakelijk is. De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is (vooralsnog) niet gebleken dat er op dit moment minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
Zoals op de zitting is afgesproken zal de kinderrechter het verzoek voor een kortere duur toewijzen dan verzocht. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
Naar aanleiding van het gesprek met [minderjarige] en de overige belanghebbenden zijn er bij de kinderrechter ook twijfels ontstaan of de verklaring van de gedragswetenschapper wel recht doet aan de situatie zoals die nu voor ligt. Hoewel er ernstige zorgen zijn over de gemoedstoestand van [minderjarige] is de kinderrechter ook van oordeel dat het onderzoek door de gedragswetenschaper niet op het juiste moment heeft plaats gevonden. Hoewel het logisch is dat het onderzoek toen plaatsvond, gezien het feit dat men een spoed verzoek wenste in te dienen, is gebleken dat het onderzoek van [minderjarige] plaats vond in een kamer op de IC-kinderafdeling van het UMC in Maastricht waar [minderjarige] op dat moment lag. Uit de verklaring die aan de hand van dat onderzoek werd opgesteld blijkt dat [minderjarige] van meet af aan verward en ontremd over kwam, volgens de gedragswetenschapper waarschijnlijk door de sedatie die hem op de IC werd toegediend. Door zijn gedrag bleek een klinisch psychologisch testonderzoek niet mogelijk te zijn. Volgens [minderjarige] zelf ontwaakte hij net uit zijn coma. Hij kan zich verder niet veel van het gesprek herinneren. [minderjarige] heeft wel benadrukt dat als hij het kon overdoen, hij een heel ander gesprek zou hebben gevoerd waarin hij bepaalde dingen zou hebben uitgelegd. Mogelijk dat er dan wel een psychiatrisch (ziekte)beeld naar voren zou zijn gekomen. Want volgens [minderjarige] ligt de behandeling van zijn problematiek binnen de GGZ. Hij wil graag weten waar zijn negatieve gevoelens vandaan komen. Ook de kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] nogmaals onder de huidige omstandigheden wordt gehoord. Mogelijk dat een tweede gesprek, desnoods met een psychiater, minder ingrijpende gevolgen heeft voor [minderjarige] . Zeker nu [minderjarige] duidelijk aangeeft dat hij graag geholpen wil worden. Voor zijn verdere ontwikkeling is het ook belangrijk dat hij nu de juiste hulp krijgt. Maar die juiste zorg krijgt hij ook alleen maar als hij op de juiste plek zit en daar is de kinderrechter nu niet geheel van overtuigd. Kijkend naar de hulpvraag van [minderjarige] acht de kinderrechter het daarom van belang dat hier nog eens goed naar gekeken wordt. Ook de ouders, [minderjarige] ’s advocaat en het CJG hebben twijfels hierover geuit. Onder deze omstandigheden ziet de kinderrechter aanleiding om een toetsmoment in te lassen zodat [minderjarige] opnieuw onderzocht kan worden door een gedragswetenschapper en/of een psychiater. Zoals ook op de zitting met iedereen is besproken zal de kinderrechter het verzoek van [minderjarige] dan ook toe wijzen, in die zin dat het CJG wordt gemachtigd om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes weken, waarbij de beslissing over de resterende termijn wordt aangehouden. Die zes weken moeten voldoende zijn om een tweede gesprek tussen [minderjarige] en een gedragswetenschapper en/of een psychiater te initiëren. Tot die tijd dient [minderjarige] wel op de gesloten groep te verblijven en wordt van hem ook verwacht dat hij zich niet meer aan de hulpverlening zal onttrekken. Mocht [minderjarige] blijven weglopen, dan kan de kinderrechter daar ook gevolgen aan trekken. Iedereen is het erover eens dat [minderjarige] voorlopig nog tegen zichzelf beschermd moet worden.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdhulp verlenen met ingang van heden en voor de duur van zes weken, aldus tot 18 september 2026. De beslissing op de resterende termijn wordt aangehouden tot aan de volgende zitting op [datum] 2026 om [uur] op de locatie in Maastricht.
Van het CJG wordt verwacht dat zij 2 weken voorafgaand aan deze zitting een nieuwe instemmingsverklaring inclusief een voortgangsrapportage indienen en of het verzoek voor de resterende verzochte termijn wordt gehandhaafd dan wel wordt ingetrokken.
Volledigheidshalve wijst de kinderrechter erop dat een machtiging gesloten jeugdhulp op grond van het bepaalde in artikel 6.1.12, eerste lid Jw van rechtswege bij voorraad uitvoerbaar is.
Ingevolge artikel 6.1.12 lid 2 Jw geldt de spoedmachtiging tot het tijdstip waarop een beslissing op een verzoek om een reguliere machtiging is genomen, dus tot heden.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes weken, aldus met ingang van 7 augustus 2026 tot
18 september 2026 en houdt de beslissing voor het overige aan;
roept [minderjarige] bijgestaan door zijn advocaat, de ouders en het CJG op voor de zitting van mr. Van Uum op [datum] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, aan Sint Annadal 1 in Maastricht.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026 door Van Uum, kinderrechter, in aanwezigheid van Dullens-Servais als griffier, en op schrift gesteld op 21 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.