ECLI:NL:RBLIM:2026:8747

ECLI:NL:RBLIM:2026:8747

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 11-08-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer C/03/353968 / KG ZA 26-270
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

KG nakoming afspraken contactgregeling met voorlopige zorgregeling, afwijzing verzoek vervangende toestemming vakantie en afgifte identiteitskaarten

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/353968 / KG ZA 26-270

Vonnis in kort geding van 11 augustus 2026

in de zaak van:

[de man] ,

wonend in [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. C.G.E. Grijmans, kantoorhoudend in Elsloo,

tegen:

[de vrouw] ,

wonend in [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.P.H.J. Hermans, kantoorhoudend in Geleen, gemeente Sittard-Geleen.

1. De procedure

De man heeft de vrouw op 20 juli 2026 gedagvaard in kort geding.

De vrouw heeft op 24 juli verzocht de kinderen voorafgaand aan de zitting te horen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen. Bij kortgedingzaken is het niet gebruikelijk om de kinderen te horen, tenzij er bijzondere redenen zijn om dat wel te doen. Deze redenen zijn niet gesteld. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter ook geen aanleiding gezien om de kinderen alsnog (na de zitting) te horen.

De vrouw heeft op 27 juli 2026 een conclusie van antwoord, tevens een eis in reconventie, ingediend.

De man heeft op 27 juli, 28 juli en 29 juli 2026 nadere producties ingediend.

Op 29 juli 2026 is de zaak met gesloten deuren op zitting behandeld.

Verschenen zijn:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De vrouw had voorafgaand aan de zitting een audiofragment naar de rechtbank gestuurd. Dit was door de rechtbank nog niet ontvangen. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter dit audiofragment in aanwezigheid van partijen geluisterd.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2. De feiten

Uit de inmiddels beëindigde relatie tussen partijen zijn geboren de thans nog minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] , België;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] , België.

De man heeft de kinderen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

3. Het geschil

De man vordert de voorzieningenrechter, in conventie, bij vonnis en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Sub I

primair

te bepalen dat de kinderen bij de man in zijn woning in [woonplaats] verblijven en iedere week afwisselend op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de vrouw verblijven, waarbij de vrouw zorgdraagt voor het halen en brengen van de kinderen;

te bepalen dat gedurende de zomervakantie vanaf 13 juli 2026 tot en met 23 augustus 2026, de kinderen wekelijks vanaf zaterdag 10.00 uur tot en met zondag 19.00 uur bij de vrouw verblijven en vanaf zondag 19.00 uur tot zaterdag 10.00 uur bij de man;

subsidiair

- de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorgverdeling die in overleg met de politie is gemaakt, te weten: de kinderen verblijven afwisselend drie dagen bij de vrouw in [plaats] en drie dagen bij de man in [woonplaats] , met ingang van 25 juni 2026;

meer subsidiair

een zorgverdeling te bepalen als uw voorzieningenrechter in goede justitie juist acht;

een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per (dag)deel dat de vrouw in gebreke blijft uitvoering te geven aan de door de voorzieningenrechter vast te stellen zorgverdeling, met een maximum van € 10.000,00.

Sub II

toestemming te verlenen aan de man om met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de periode 3 augustus tot en met 10 augustus 2026 op vakantie naar Ibiza te gaan;

te bepalen dat de verklaring ouderlijke toestemming van de vrouw voor het reizen naar en het verblijven op Ibiza voor de periode 3 augustus tot en met 10 augustus 2026 wordt vervangen door de toestemming van de voorzieningenrechter voor deze reis;

te bepalen dat de vrouw de ID-kaarten van de kinderen uiterlijk binnen één week na het in deze te wijzen vonnis, doch uiterlijk 2 augustus 2026 aan de man ter beschikking stelt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag vanaf de datum dat de vrouw nalaat de ID-kaarten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] aan de man ter beschikking te stellen, met een maximum van € 10.000,00.

Sub III

- de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

De vrouw voert verweer en vordert de voorzieningenrechter, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

- de man niet-ontvankelijk te verklaren;

subsidiair

alle vorderingen van de man af te wijzen;

de beoordeling van de hoofdverblijfplaats, zorgregeling en overige gezagsgeschillen over te laten aan de reeds aanhangige verzoekschriftprocedure op grond van artikel 1:253a BW, waarin tevens een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is verzocht;

de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, althans de proceskosten tussen partijen te compenseren indien de voorzieningenrechter daartoe aanleiding ziet.

Voor zover de voorzieningenrechter aanleiding ziet een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en/of de zorgregeling, vordert de vrouw, in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen voorlopig bij de vrouw zal zijn, althans dat de kinderen voorlopig aan de vrouw worden toevertrouwd;

primair

- te bepalen dat de beslissing omtrent de definitieve zorg- en contactregeling wordt aangehouden totdat de Raad voor de Kinderbescherming het in de reeds aanhangige verzoekschriftprocedure verzochte onderzoek heeft verricht en daaromtrent heeft gerapporteerd;

subsidiair

het contact tussen de man en de kinderen voorlopig uitsluitend te laten plaatsvinden door middel van eenmaal per week videobelcontact gedurende vijftien minuten;

indien het videobelcontact gedurende minimaal vier weken positief verloopt, aansluitend eenmaal per twee weken begeleide omgang (BOR) te laten plaatsvinden onder begeleiding van een professionele instantie, waarbij de duur, frequentie en verdere invulling door de uitvoerende instantie worden bepaald;

uitbreiding van de zorgregeling uitsluitend te laten plaatsvinden nadat de Raad voor de Kinderbescherming daaromtrent heeft geadviseerd, dan wel indien de begeleidende professionele instantie zulks in het belang van de kinderen aangewezen acht;

althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in het belang van de kinderen wenselijk acht.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid vorderingen man

De vrouw stelt dat ze reeds voor het uitbrengen van de dagvaarding van de man een verzoekschriftprocedure op grond van artikel 1:253a BW aanhangig heeft gemaakt over de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de identiteitsdocumenten van de kinderen, de kinderalimentatie en het gelasten van een raadsonderzoek. De man start een kort geding over dezelfde onderwerpen. De man beoogt vooruit te lopen op de beoordeling van de reeds aanhangige verzoekschriftprocedure. Een kort geding staat weliswaar formeel open, maar is naar zijn aard bedoeld voor het treffen van een tijdelijke ordemaatregel en niet om een reeds aanhangige bodemprocedure feitelijk te dupliceren of daarop vooruit te lopen. De man had een incidenteel verzoek binnen de bodemprocedure kunnen indienen. Bovendien zijn de door de man gevorderde voorzieningen niet beperkt of tijdelijk van aard, maar komen neer op een ingrijpende wijziging van de feitelijke zorgsituatie en het hoofdverblijf van de kinderen, vooruitlopend op de beslissing in de bodemprocedure. De recente escalatie tussen partijen, de betrokkenheid van de politie en de impact daarvan op de kinderen onderstrepen dat een zorgvuldig onderzoek noodzakelijk is alvorens ingrijpende beslissingen over hoofdverblijf en zorgregeling worden genomen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man ontvankelijk is in zijn vorderingen.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De zaak is geschikt om in kort geding te worden beslist, nu het gaat om een vordering tot nakoming van een overeengekomen zorgregeling en vervangende toestemming voor een vakantie en afgifte identiteitskaarten van de kinderen. Dit zijn onderwerpen die zich lenen voor een beslissing in kort geding, omdat het gaat om dusdanige spoedeisendheid dat een beslissing niet kan worden afgewacht tot een bodemprocedure. Het feit dat een bodemprocedure is gestart door de vrouw over de onderwerpen die zij aanhaalt, heeft niks te maken met de vraag of de man zijn vorderingen in kort geding kan inbrengen. De beslissingen in kort geding zijn namelijk tijdelijk van aard. De voorzieningenrechter gaat niet mee in de stelling van de vrouw dat de vorderingen van de man neerkomen op een ingrijpende wijziging van de feitelijke zorgsituatie en het hoofdverblijf van de kinderen, vooruitlopend op de beslissing in de bodemprocedure. Het gaat om een tijdelijke zorgregeling in kort geding, terwijl in de bodemprocedure zal worden gesproken over een definitieve zorgregeling. Een beslissing in kort geding doet niks af aan de vraag of een raadsonderzoek nodig is. Daarop zal in de bodemprocedure afzonderlijk worden beslist. Bovendien zal er in deze procedure geen beslissing worden genomen over het hoofdverblijf van de kinderen.

Spoedeisend belang

De spoedeisendheid is gelegen in de aard van de zaak. De man en de kinderen hebben sinds 25 juni 2026 geen contact meer met elkaar. Daarnaast is het spoedeisend belang erin gelegen dat de vakantie naar Ibiza op korte termijn aanvangt. De voorzieningenrechter zal partijen dan ook in hun vorderingen ontvangen en deze hierna inhoudelijk beoordelen.

In conventie

Nakoming zorgregeling

Wettelijk kader

Geschillen over de uitoefening van gezamenlijk gezag – zoals het onderhavige geschil over de zorgregeling – kunnen aan de rechter worden voorgelegd op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijke Wetboek (BW). De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt, met dien verstande dat in kort geding slechts ordemaatregelen getroffen kunnen worden totdat in een tussen de ouders nog aanhangig te maken bodemprocedure is beslist.

Op grond van het vijfde lid van artikel 1:253a BW neemt de rechter de beslissing niet nadat een vergelijk tussen de ouders is beproefd. De voorzieningenrechter zal hetgeen de ouders vorderen beoordelen, omdat een vergelijk tussen de ouders tijdens de mondelinge behandeling niet mogelijk is gebleken.

Standpunten partijen

Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt de man het volgende. Partijen hebben tot 25 juni 2026 gezamenlijk met de kinderen in de woning van de man in [woonplaats] verbleven. De sfeer was al langere tijd gespannen in huis en de kinderen hadden daar last van. Partijen probeerden tot afspraken omtrent de verbreking van de relatie te komen. De grootouders vaderszijde waren daarbij als adviesgevers betrokken. Op 25 juni 2026 heeft een incident plaatsgevonden. De man zag bij thuiskomst twee politieagenten bij de woning. Hij heeft toen zijn zus gebeld en op verzoek van zijn zus is de opa vaderszijde naar de woning gekomen. De man betwist dat de opa vaderszijde de vrouw uit de voordeur heeft getrokken en op de grond heeft gegooid. De politie heeft bevestigd dat er bij de vrouw geen letsel is aangetroffen. Ook waren er geen aanwijzingen van mishandeling waargenomen. De politie heeft de vrouw verzocht de woning te verlaten. Dit wilde zij niet zonder de kinderen. De man heeft tegen zijn zin afgesproken dat de kinderen en de vrouw bij de opa moederszijde in [plaats] zullen verblijven. Met tussenkomst van de politie is tussen partijen een tijdelijke zorgregeling overeengekomen, namelijk dat de kinderen om en om drie dagen bij de vrouw in [plaats] en drie dagen bij de man verblijven. Het eerste wisselmoment zou op 29 juni 2026 plaatsvinden. De vrouw heeft echter eenzijdig besloten de zorgregeling met de man op te schorten en hem het contact met de kinderen te onthouden, totdat de situatie in haar optiek voldoende is gestabiliseerd en de veiligheid is gewaarborgd. De vrouw komt de zorgregeling tot op heden niet na. Zij is van mening dat eventueel contactherstel gefaseerd onder begeleiding dient te worden opgebouwd en dat er in de tussentijd een videobelmoment tussen de man en de kinderen kan plaatsvinden. Een gefaseerde opbouw van het contact is niet noodzakelijk. Ook begeleid contact is niet aan de orde. De man kan zich voorstellen dat partijen hulpverlening aangaan in het vrijwillige kader om te komen tot een duurzame zorgregeling, maar in de tussentijd dient er contact te zijn tussen de man en de kinderen. De politie heeft immers bij het maken van de tijdelijke zorgregeling de veiligheidsrisico’s ingeschat. Er zijn geen veiligheidsrisico’s bij de man. De man heeft in beginsel niet ingestemd met het videobelmoment, omdat de vrouw bepaalt of en onder welke voorwaarden dit moment plaatsvindt. Dat staat in de weg aan een onbelast contact met de kinderen. Inmiddels heeft er een videobelmoment plaatsgevonden, maar dit duurde drie seconden, omdat de kinderen niet in beeld wilden. De man heeft ernstige twijfels over hoe de vrouw de kinderen stimuleert in het videovelmoment. Verder heeft de vrouw de kinderen vanaf het voormelde incident thuisgehouden van hun scholen en hun sport- en hobbyactiviteiten, terwijl [minderjarige 1] proefwerkweek had. Bovendien vraagt de man zich af of de vrouw daadwerkelijk met de kinderen in [plaats] verblijft of, zonder toestemming van de man, in België.

Ter onderbouwing van haar verweer stelt de vrouw het volgende. Op 18 juni 2026 is de vrouw fysiek mishandeld door de man. Daarvan is aangifte gedaan. Op 25 juni 2026 is de vrouw in het bijzijn van de kinderen fysiek mishandeld door de opa vaderszijde. Ook daarvan is aangifte gedaan. De vrouw heeft zich na de incidenten gewend tot verschillende hulpverlenende instanties, zoals de huisarts, het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en Team Jeugd. PIW is voor de kinderen ingeschakeld. Er is contact opgenomen met de scholen van de kinderen en Veilig Thuis is geïnformeerd. De vrouw betwist dat er sprake is van een tussen partijen en de politie overeengekomen duurzame zorgregeling. De tijdelijke zorgregeling was een praktische noodmaatregel om de eerste dagen na de escalatie goed te laten verlopen. Er is geen bindende overeenkomst. De politie heeft geen bevoegdheid om een civielrechtelijke zorgregeling of hoofdverblijfplaats van de kinderen vast te stellen. Zodoende is dit niet afdwingbaar. De vrouw verzet zich niet tegen contact tussen de man en de kinderen, maar het is de vraag op welke wijze, op welk moment en op welk tempo het contact na de ernstige gebeurtenissen verantwoord kan worden hervat. De kinderen hebben meegekregen dat de man niet heeft ingegrepen bij het incident tussen de vrouw en de opa vaderszijde. Dat heeft een impact op hun veiligheidsgevoel. Ook heeft de man zich veelvuldig onttrokken aan zijn opvoedkundige verantwoordelijkheden, zodat hij afbreuk heeft gedaan aan een voorspelbare opvoedsituatie. De zorgen van de vrouw liggen dan ook niet alleen in de fysieke veiligheid van de kinderen, maar ook op hun emotionele veiligheid en veiligheidsgevoel. Daarom dient het contact met de man zorgvuldig te worden opgebouwd door middel van videobelmomenten en aansluitend begeleide contactmomenten. De vrouw heeft vijf keer videobelmomenten voorgesteld. Er heeft een videobelmomenten tussen [minderjarige 1] en de man plaatsgevonden. [minderjarige 2] wilde niet aansluiten. Afgelopen zaterdag is de laatste keer geprobeerd een videobelmoment te laten plaatsvinden, maar de kinderen zijn zo bang voor de man, dat ze zelfs niet in beeld willen. Ook voor de zorgregeling dient een raadsonderzoek te worden afgewacht.

Inhoudelijke beoordeling

Primaire vordering van de man

De primaire vordering van de man wijst de voorzieningenrechter af. Toewijzing van de eerste primaire vordering zou tot gevolg hebben dat de kinderen veel meer tijd bij de man zullen verblijven dan bij de vrouw, terwijl zij de man reeds circa zeven weken niet hebben gezien en zij daarvoor andersluidende afspraken met elkaar hadden gemaakt. De tweede primaire vordering van de man wijst de rechtbank ook af omdat toewijzing tot gevolg zou hebben dat de kinderen in de zomervakantie onmiddellijk weer de helft van de tijd bij de man zouden verblijven, hetgeen de rechtbank niet in het belang van de kinderen acht. De rechtbank zal dat verder hierna uitleggen.

Subsidiaire vordering van de man

In het kader van de subsidiaire vordering van de man, stelt de voorzieningenrechter voorop dat het uitgangspunt is dat partijen de afspraken nakomen die zij gezamenlijk na het incident op 25 juni 2026 in samenspraak met de politie zijn overeengekomen. Deze tijdelijke zorgregeling houdt in dat de kinderen afwisselend drie dagen bij de vrouw, en drie dagen bij de man verblijven. Partijen bevestigen beiden ter zitting dat dit de tijdelijke zorgregeling was die zou gelden tot partijen in onderling overleg een definitieve zorgregeling zouden zijn overeengekomen. De vrouw stelt dat ze tijdens het opstellen van de tijdelijke zorgregeling onder druk is gezet, maar dit wordt door de man betwist . Hoewel de spanningen op dat moment ongetwijfeld hoog waren opgelopen, is niet gebleken dat er sprake was van een situatie waarin de vrouw onder druk is gezet om akkoord te gaan met deze tijdelijke zorgregeling. De vrouw heeft dat ook niet nader onderbouwd na de betwisting van de man. Aan dat argument van de vrouw gaat de voorzieningenrechter dan ook voorbij.

De voorzieningenrechter acht deze overeengekomen tijdelijke zorgregeling echter op dit moment niet in het belang van de kinderen, gelet op de vele wisselmomenten en de onrust die deze wisselmomenten zullen veroorzaken. Zodoende zal de voorzieningenrechter de subsidiaire vordering van de man afwijzen.

Meer subsidiaire vordering van de man

Zodoende komt de voorzieningenrechter toe aan de meer subsidiaire vordering van de man. De voorzieningenrechter vindt dat contact tussen de man en de kinderen zo spoedig mogelijk dient te worden hersteld. Daarom is hij genoodzaakt een knoop door te hakken en een voorlopige zorgregeling te bepalen die momenteel het meest in het belang van de kinderen wordt geacht.

Daarbij stelt de voorzieningenrechter voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat een kind recht heeft op onbelast contact met beide ouders en dat beide ouders de verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van hun kind. Het uitgangspunt is dat – ook na het uit elkaar gaan van de ouders – de zorg en opvoeding van de kinderen in beginsel gelijk tussen beide ouders wordt voortgezet.

De voorzieningenrechter ziet in dit geval geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De voorzieningenrechter oordeelt daartoe als volgt.

Vaststaat dat de onderlinge relatie tussen partijen momenteel verstoord is. De kinderen en de man hebben elkaar sinds het incident van 25 juni 2026 niet meer gezien. Over dit incident en de ernst daarvan hebben beide partijen een andere visie. De man vindt dat contactherstel zo snel mogelijk moet worden hersteld. De vrouw heeft toegelicht dat zij onbegeleid contact tussen de man en de kinderen momenteel niet mogelijk acht. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er sprake is van contraindicaties die maken dat onbegeleid contact tussen de man en de kinderen momenteel niet in het belang van de kinderen zou zijn.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betreft het incident dat beide partijen beschrijven en waarvan beelden en audiofragmenten zijn overgelegd een incident dat zich heeft voorgedaan in de context van een emotioneel verlopen relatiebreuk, waarbij aannemelijk is dat de gemoederen aan beide zijden hoog zijn opgelopen. Een dergelijke escalatie is, hoe onwenselijk ook, niet zonder meer uitzonderlijk bij een relatiebreuk en rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat onbegeleid contact tussen de man en de kinderen onverantwoord zou zijn. Bovendien heeft de escalatie plaatsgevonden tussen de opa vaderszijde en de vrouw. Daar kan de man niet verantwoordelijk voor worden gehouden, zeker niet omdat de man in eerste instantie zijn zus heeft geprobeerd te bellen en de opa vaderszijde op verzoek van zijn zus is gekomen. Niet gebleken is dat er sprake is geweest van structureel geweld, bedreigingen of andere omstandigheden waaruit volgt dat de veiligheid of het welzijn van de kinderen tijdens contact met de man in gevaar is. De vrouw komt in deze procedure en ook in de verzoekschriftprocedure, die net daarvoor is ingediend, met aantijgingen tegen de man tijdens de relatie en een aangifte van haar van 17 juli 2026. Deze aantijgingen zijn onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter daar niet zonder meer van uit kan gaan. De voorzieningenrechter kan niet uitsluiten dat er in de bodemprocedure mogelijk nader onderzoek wordt gedaan door de Raad voor de Kinderbescherming. Uit de overgelegde videobeelden van het incident van 25 juni 2026 is in ieder geval gebleken dat de verhouding tussen de man en de kinderen na het incident goed was. Er was te zien dat beide kinderen met de man knuffelden en afscheid namen van elkaar. Op grond van deze beelden is niet gebleken dat de kinderen angst zouden hebben voor de man. Dat dit mogelijk de afgelopen weken anders is geworden door het afhouden van contact tussen de man en de kinderen kan de voorzieningenrechter niet uitsluiten. De voorzieningenrechter stelt echter vraagtekens bij de rigide houding van de vrouw de afgelopen weken en voorziet dat de weerstand en de angst van de vrouw voor de man onbewust kan overslaan op de kinderen. Kinderen zijn loyaal aan de ouder bij wie ze het meest verblijven. Er dient voor gewaakt te worden dat de kinderen onbewust de visie van de vrouw over de man overnemen. In dat kader wordt bijvoorbeeld de woonplaats van de kinderen door de vrouw aan de man verzwegen, hetgeen begrijpelijk is gezien haar angst voor de familieleden van de man. Dit is echter niet in het belang van de kinderen en kan belastend zijn voor de praktische uitvoering van de zorgregeling. De kinderen moeten niet worden betrokken tussen de ex-partnerproblematiek. De voorzieningenrechter gaat er derhalve van uit dat de vrouw meteen na dit vonnis haar adres (en dat van de kinderen) kenbaar maakt aan de man. In dat kader gaat de voorzieningenrechter er voorts van uit dat de vrouw de kinderen weer structureel naar school en sportactiviteiten brengt en daarmee de sportactiviteiten voor de kinderen hervat worden zoals zij eerder plaatsvonden. Voor zover de vrouw stelt dat zij als gevolg van het incident angst- en stressklachten ervaart, begrijpt de voorzieningenrechter dat deze gevoelens voor haar belastend kunnen zijn. Deze gevoelens zien echter op de verhouding tussen de ouders onderling en niet op de relatie tussen de man en de kinderen. De voorzieningenrechter adviseert de vrouw daarvoor hulpverlening in te schakelen voorzover zij dat nog niet gedaan heeft. Daarin betrekt de voorzieningenrechter nog dat ter zitting is gebleken dat de communicatie tussen de ouders momenteel zeer slecht is en dat de ouders sinds de verbreking van de relatie derden (familieleden) betrekken bij hun echtscheiding. De voorzieningenrechter wijst partijen in dat kader erop dat het beter is familieleden voortaan buiten de echtscheiding te houden.

Verder is niet gebleken dat de man niet in staat is om voor de kinderen te zorgen of hen een veilige opvoedomgeving te bieden. Met het opstellen van de tijdelijke zorgregeling ten tijde van het incident van 25 juni 2026 heeft de politie de veiligheid van de kinderen bij beide partijen in kaart gebracht. Nu de politie een tijdelijke zorgregeling met de ouders heeft vastgelegd, waarbij de kinderen drie dagen bij de ene ouder, gevolgd door drie dagen bij de ander ouder verblijven, kan de voorzieningenrechter daaruit opmaken dat er geen sprake was van dusdanige veiligheidsrisico’s dat contact tussen de kinderen en een van de ouders niet mogelijk was. Ook ter zitting heeft de voorzieningenrechter geen contra-indicaties gezien op grond waarvan de kinderen niet veilig zouden zijn bij de man.

Gelet op het feit dat de kinderen en de man elkaar ongeveer zeven weken niet hebben gezien en gelet op de stelling van de vrouw dat de kinderen bang zijn om contact te hebben met de man, zal het contactherstel tussen de kinderen en de man voorzichtig worden opgebouwd. Op die manier kunnen de kinderen wennen aan de situatie dat ze weer bij de man verblijven. De voorzieningenrechter verwacht van de vrouw dat zij de kinderen emotionele toestemming geeft voor dit contact, omdat zo de kinderen het minst klem zitten tussen partijen. Met een week-om-weekregeling zullen de kinderen rust, duidelijkheid en voorspelbaarheid ervaren. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de opbouw van de contacten te verspreiden over een langere periode.

Gelet op het bovenstaande zal de voorzieningenrechter de volgende voorlopige zorgregeling vaststellen:

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op vrijdag 14 augustus 2026 van 12.00 uur tot 14.00 uur bij de man;

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op maandag 17 augustus 2026 van 12.00 uur tot 14.00 uur bij de man;

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven van woensdag 19 augustus 2026 om 10.00 uur tot donderdag 20 augustus om 20.00 uur bij de man;

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven van maandag 24 augustus na school tot maandag 31 augustus 2026 naar school bij de man;

vanaf 31 augustus 2026 verblijven de kinderen de ene week bij de vrouw, en de andere week bij de man, waarbij het wisselmoment op maandag na school plaatsvindt. Wanneer er geen school is het wisselmoment maandag om 8.30 uur;

de kinderen worden gebracht door de ouder bij wie ze op dat moment verblijven naar de andere ouder of naar school.

De voorzieningenrechter zal de andersluidende vorderingen van partijen in conventie met betrekking tot de zorgregeling dan ook afwijzen.

Advies hulpverlening vrijwillige kader

De voorzieningenrechter drukt partijen op het hart de reeds in gang gezette hulpverlening in het vrijwillige kader voort te zetten en het hulpverleningstraject bij Team Jeugd van de gemeente waar de kinderen staan ingeschreven te doorlopen. Partijen zullen in de toekomst als ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog veel met elkaar te maken krijgen. Partijen dienen te leren hoe ze met elkaar kunnen communiceren in het belang van de kinderen en hoe ze elkaars mening en visie daarin kunnen respecteren. Het is in het belang van de kinderen dat partijen in onderling overleg de afspraken rondom hun uiteengaan finaliseren, waaronder ook een definitieve zorgregeling. Op die manier zullen de kinderen de emotionele toestemming voelen tot onbelast contact met de andere ouder.

Vervangende toestemming vakantie

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen partijen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank voorleggen. Dit kan ook gaan over rechtshandelingen waarvoor toestemming van beide ouders is vereist. De rechtbank kan vervangende toestemming verlenen, die in de plaats komt van de toestemming van de andere ouder. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Standpunten partijen

Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt de man het volgende. Na de zomervakantie 2025 is besloten om in 2026 een vliegvakantie te boeken in plaats van een autovakantie. De vliegvakantie naar Ibiza is geboekt op 14 januari 2026 en was geboekt voor het gehele gezin; vanwege de scheiding heeft de vrouw haar boeking geannuleerd. De vakantie zal plaatsvinden van 3 augustus 2026 tot en met 10 augustus 2026. De man heeft de toestemmingsformulieren ingevuld en aan de vrouw overgelegd. De vrouw weigert haar toestemming te geven, omdat [minderjarige 2] niet op deze vakantie zou willen. De man weet dat [minderjarige 2] haar eerste keer vliegen spannend vindt, maar dat is geen reden om de toestemming te onthouden. De man snapt dat de timing van de vakantie vervelend is, maar hij hoopt dat met deze vakantie weer rust gecreëerd kan worden. Daarnaast heeft de man de vrouw verzocht de identiteitskaarten van de kinderen te overleggen. Ook daaraan is geen uitvoering gegeven.

Ter onderbouwing van haar verweer stelt de vrouw het volgende. Deze vakantie is momenteel niet in het belang van de kinderen. De kinderen zitten nog midden in het verwerkingsproces van de escalatie. Stabiliteit, voorspelbaarheid en rust dienen voorop te staan. De weigering van de vrouw is gebaseerd op de recente escalatie, maar ook op concrete ervaringen tijdens eerdere vakanties met de man. Ze maakt zich zorgen over de wijze waarop de man invulling geeft aan de zorg voor en het toezicht op de kinderen tijdens de vakantie. Zo heeft de man tijdens de zomervakantie 2025 [minderjarige 2] laten deelnemen aan risicovolle watersporten, waarbij ze ten val is gekomen en medische hulp nodig had. De man weigerde te stoppen met de speedboot om [minderjarige 2] te laten verzorgen. Ook tijdens de skivakantie 2026 heeft de man geen rekening gehouden met de fysieke belastbaarheid van [minderjarige 1] . Verder heeft de vrouw nooit aangegeven de identiteitskaarten blijvend aan het gezag van de man te willen onttrekken. Het geschil omtrent de reisdocumenten hangt rechtstreeks samen met het geschil omtrent de gevorderde vakantie. Ook is de boeking niet door de vrouw maar door de man geannuleerd.

Inhoudelijke beoordeling

De voorzieningenrechter zal de vordering van de man met betrekking tot de vakantie naar Ibiza afwijzen.

De voorzieningenrechter oordeelt daartoe als volgt. Gelet op het feit dat er inmiddels zeven weken geen contact is geweest tussen de man en de kinderen, is de overgang naar een gezamenlijke vakantie van acht aaneengesloten dagen te veel en te snel, mede gelet op het incident van 25 juni 2026. Deze vakantie acht de voorzieningenrechter daarom momenteel niet in het belang van de kinderen. Zoals reeds gesteld onder 4.18. zal het contact tussen de man en de kinderen worden opgebouwd, zodat de kinderen kunnen wennen aan de nieuw situatie. Bovendien is, mede door het feit dat de rechtbank eerder geen plek had om de zaak op zitting te plannen, de datum van de vakantie verstreken op het moment dat er vonnis is wordt gewezen.

Nu de voorzieningenrechter de vordering van de man met betrekking tot de vakantie naar Ibiza afwijst, heeft de vader geen belang meer bij de vordering tot afgifte van de identiteitskaarten van de kinderen. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

Dwangsom

De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man met betrekking tot het opleggen van een dwangsom voor de nakoming van de zorgregeling en de afgifte van de identiteitskaarten van de kinderen afwijzen.

De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de vrouw zich, met het oog op de belangen van de kinderen, aan de voorlopige zorgregeling houdt en de kinderen de emotionele toestemming geeft tot onbelast contact met de man. Op het moment dat de man genoodzaakt is opnieuw een procedure te starten omdat de vrouw de zorgregeling niet nakomt, kan de voorzieningenrechter hier anders over denken.

Nu de voorzieningenrechter niet meer toekomt aan de vordering van de man tot afgifte van de identiteitskaarten van de kinderen, komt hij ook niet meer toe aan de vordering van de man om daar een dwangsom aan te verbinden.

In reconventie

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de vrouw in reconventie af.

De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de vordering van de vrouw met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, aangezien de man in conventie geen afzonderlijke vordering tot hoofdverblijf heeft gedaan in zijn primaire verzoek. Dit was onderdeel van de zorgregeling en daar is in conventie al op geoordeeld. Bovendien leent een beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen zich niet voor een kort geding. Hierover zal tijdens de bodemprocedure nader worden gesproken en zo nodig worden beslist.

De primaire vordering van de vrouw in reconventie zal de voorzieningenrechter afwijzen, gelet op het feit dat de vrouw een bodemprocedure is gestart op 7 juli 2026, waarin ook een verzoek wordt gedaan tot het gelasten van een raadsonderzoek. Over dit verzoek van de vrouw zal tijdens de bodemprocedure een beslissing worden genomen.

Gelet op de voorlopige zorgregeling die de voorzieningenrechter onder 4.19 heeft bepaald, zal hij de subsidiaire vorderingen van de vrouw in reconventie afwijzen. Bovendien is de voorzieningenrechter van oordeel dat contactopbouw met de man door middel van videobelmomenten belastend is voor de kinderen. De kinderen zitten klem tussen beide ouders en alleen contact in de vorm van videobelmomenten zullen daarbij naar de verwachting van de voorzieningenrechter averechts werken.

Uitvoerbaar bij voorraad

De voorzieningenrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat deze meteen geldt, ook als iemand in beroep gaat. De voorzieningenrechter doet dit omdat in het belang van de kinderen is dat de zorgregeling met de vader onmiddellijk wordt hervat.

Proceskosten

Aangezien dit de eerste procedure tussen partijen is, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

bepaalt de volgende voorlopige zorgregeling:

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op vrijdag 14 augustus 2026 van 12.00 uur tot 14.00 uur bij de man;

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op maandag 17 augustus 2026 van 12.00 uur tot 14.00 uur bij de man;

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven van woensdag 19 augustus 2026 om 10.00 uur tot donderdag 20 augustus om 20.00 uur bij de man;

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven van maandag 24 augustus na school tot maandag 31 augustus 2026 naar school bij de man;

vanaf 31 augustus 2026 verblijven de kinderen de ene week bij de vrouw, en de andere week bij de man, waarbij het wisselmoment op maandag na school plaatsvindt en de kinderen worden gebracht door de ouder bij wie ze op dat moment verblijven;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

wijst de vorderingen van de vrouw af;

in conventie en reconventie

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Mil en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Van Mil en in aanwezigheid van de

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand